Over koffie en sinaasappels
Friese arts roert de trom
Op 27 mei 1972 was er een landelijke vergadering van het Gereformeerd Confessioneel Beraad in Zwolle, waar professor Van Niftrik over het Getuigenis sprak. In de middagvergadering was er een forum, waarin ook de gereformeerde prof. dr. G. Th. Rothuizen zat. Die zei op een bepaald moment: 'Alleen hij mag het Getuigenis ondertekenen, die tegen Portugal en voor Angola is'. Daartegenover — lijndrecht zelfs — staat wat prof. Van Niftrik herhaaldelijk gezegd heeft, namelijk dat hij zich niet in naam van het evangelie wil laten betuttelen hoe hij over Portugal of Angola moet denken.
Gevolg van deze uitspraak is geweest een artikel in het Fries Dagblad van een arts uit Garijp (Fr.), de heer J. E. de Vries (gereformeerd), en een daaropvolgend artikel van prof. Rothuizen. Dezer dagen kwam mij het artikel van dokter De Vries, in stencilvorm, onder ogen (het is te bestellen bij de heer J. Elzinga, H. de Vrieslaan 135, Amsterdam-Oost; kosten ƒ 0, 25 + portokosten). De arts schrijft fel en ongekunsteld, soms ook wel ietwat ongecontroleerd. Maar het stuk is anderzijds waardevol genoeg om erop te attenderen. Een paar citaten: 'Als prof. Van Niftrik — die zijn loopbaan in de pastorie begonnen is (in de praktijk dus) zei dat hij namens het trouwe kerkvolk sprak... dan sta ik als super-praktikus — die dagelijks met oude en met jonge mensen omga — perplex, wanneer al deze achtergronden (bedoeld is van het Getuigenis en de aanleiding daartoe, v. d. G.) met één haal door de supertheoretici van de tafel geveegd worden, als daar beleden wordt: 'Alleen hij mag het Getuigenis ondertekenen, die tegen Portugal is en voor Angola.' Terecht veerde prof. Van Niftrik meteen op, uitroepend: 'Daarmee gooit u nu juist het Getuigenis ondersteboven'!'
'Hebt u weleens meegemaakt hoe dat toegaat als iemand gaat sterven ? .. . Ik zie mij al bij al die stervenden in mijn zes dienstjaren. Met anti-Angolakoffie, als enige (bakkie) troost. Zelfs de rietsuiker kan de stervende dan geen biet meer schelen. Echt niet. Dan blijkt wat een menselijke (ook theologische) theorie waard is. En — dat is ook mijn ervaring — de dood komt altijd te vlug. Maar als we doodgaan is het te laat. Voor eeuwig te laat.'
'En het grootste wonder is dat de Heere God mij ontdekt heeft. Jaren ben ik, zoals veel gereformeerden razend actief geweest uit een soort apenliefdeplichtsgevoel in Gods Koninkrijk zonder me nu werkelijk Zijn eigendom te weten. Heel geleidelijk heeft Hij mij getrokken. Het merkwaardige is, dat ik dit geluid eigenlijk niet in deze kerk kwijt kan. Vreselijk als het erop aankomt. Want men begrijpt nog niet goed, wat een persoonlijke belevenis met Jezus Christus kan uitrichten.' En dan nog, in antwoord op een vraag van Rothuizen 'wat kopen we er precies voor? ' (voor het Getuigenis dus) zegt dokter De Vries: 'Met andere woorden' voor u had het Getuigenis niet geschreven hoeven te worden.. . Dat is dan ook de reden dat het kerkvolk zo langzamerhand tegen de muren opvliegt van radeloosheid: 'Dominee, professor help ons, waarom maakt u ons die eenvoudige. meest praktische bijbel toch zo vreselijk ingewikkeld? ' Het kerkvolk ervaart het als een christelijke hersenspoeling.' Tot zover dokter De Vries, een stem uit de gemeente. Het is duidelijk dat de problemen overal leven, in alle kerken. Het is echter hoopgevend dat gemeenteleden de fakkel brandende houden. Daarom gaf ik graag iets door van de hartekreet van dokter De Vries. Moge deze ter harte genomen worden.
Het IKOR en de sinaasappels
Na de Angola-koffie nu ook aandacht voor de Outspan-sinaasappels. De dagbladen berichtten over een congres, onder leiding van de journalist Biersteker, dat het begin vormde van een boycot-actie voor Outspan-sinaasappels uit Zuid-Afrika. Met name wil ik aandacht vragen voor wat het IKOR in deze deed. In de Leidse vredeskerk preekte zondag 11 maart ds. R. J. van der Veen, secretaris van de Nederlandse Zendings Raad, voor de congres- gangers. Het IKOR was van de partij en zond de 'dienst' uit met daarna een discussie tussen ds. Van der Veen, de heer R. Wijkstra, voorzitter van de Raad voor de Zaken van Overheid en Samenleving, en de heer J. ter Laak, secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad.
Een verslag in Trouw van de dienst vermeldde: 'Hij vertelde hoe Paulus en de gemeente van Efeze zich keerden tegen de handel in Artemis' tempels. Aan die industrie zaten aanzienlijke verdiensten, werkgelegenheid en religieus-ideologische inkleding vast en in die situatie fungeerde de gemeente van Christus als rustverstoorders. Ds. Van der Veen stelde zijn gehoor de vraag: zit aan de kostelijke Outspan-sinaasappel misschien ook iets wat ons kan betrekken bij een systeem dat niet past bij onze bevrijding. Als onze medemensen in het geding zijn, zijn ook onze God en de waarachtigheid van onze dienst aan God in het geding.'
Ik ben haast geneigd — dit even terzijde — om hier te spreken van een uitlegkundig of inlegkundig foefje van ds. Van der Veen. Niet dat de geschiedenis van Demetrius de zilversmid, die zich met zijn handel in afgodsbeelden ongemeen verrijkte en het volk daarin meetrok in de dienst aan Diana (Hand. 20), ook in onze tijd niet brandend actueel zou zijn. Maar dan actueel voor ons allen, waar we ook maar ons met onze handel verrijken en dan ten koste van of tegen 't evangelie in. Men leze de prachtige commentaar van Calvijn op dit hoofdstuk erop na om te zien wat hier allemaal in het geding is. Maar ik noem de exegese van ds. Van der Veen vooral daarom een foefje omdat zijn toespitsing op de sinaasappels van Zuid-Afrika wel eens voort zou kunnen komen uit een eigen ideologie, op welks altaar bij voorbaat die sinaasappels roken moeten.
Ik laat dit voor wat het is, maar het gaat me nu om het IKOR. Waarom moest het IKOR hier weer zo nodig bij present zijn? Waarom moest deze kerkelijke omroep weer in het voorste gelid staan om deze vereenzelviging van het evangelie met een bepaalde politiek onder het volk te brengen?
Op 16 november 1971 gaf de generale synode, na een geladen debat over het IKOR, de wens te kennen dat bij het IKOR 'een gelovige heroriëntering plaats zou vinden op de arbeid van de kerk en de arbeid van de omroep', dat er wijzigingen zouden plaatsvinden in de wijze van samenstelling van het bestuur en dat de communicatie tussen de kerken en het IKOR versterkt zou worden. Over dit laatste zouden concrete voorstellen gedaan worden door het moderamen.
Mijn vraag is of deze oriëntering op de sinaasappels van Zuid-Afrika ook maar ergens overeenkomt met de 'gelovige heroriëntering' waarover de synode sprak. Dat lijkt me een vraag die om een spoedig antwoord vraagt.
Alle praten en confereren, alle nota's en beleidsoverwegingen, het helpt kennelijk allemaal niets. Men gaat op de oude voet verder. Het lijkt intussen wel of er na het Getuigenis een verheviging van activiteiten is waar te nemen om die dingen, waartegen het Getuigenis zich keerde, met des te meer kracht te poneren. En de kerkelijke organen werken daar ijverig aan mee. In dat licht zie ik ook deze IKOR-uitzending. En intussen vergeet men de roep van duizenden in den lande, die zich keerden tegen dit politieke wetticisme, waar geen enkel troost meer inzit, maar waarmee de gemeente wordt doorgejaagd onder het juk van de wet. Toen ik dezer dagen nog eens dook in de onafzienbare correspondentie over het Getuigenis, in verband met een boek dat hierover ter perse is, viel het mij op hoe vaak het IKOR genoemd werd, met name door zieken en ouden van dagen, voor wie een radiokerkdienst op de zondag de enige verkondiging is die ze horen kunnen. Men ziet uit naar een boodschap, naar een preek die steun geeft in het aangevochten bestaan, naar brood voor het hart, en de radio is vaak het enige kanaal, waardoor die verkondiging tot hen komen kan. Talloos vele waren de klachten, omdat men zich vaak met discussies over dergelijke politieke onderwerpen of met een politieke prediking tevreden moest stellen, waar men geestelijk mee in de kou blijft staan. Uit die correspondentie blijkt óók hoevele malen het IKOR daarover brieven van zulke mensen heeft gekregen omdat ze hierover in nood zijn, verstoken als ze zijn van de prediking. En het IKOR antwoordt hen — zo bleek ook telkens — met vage of nietszeggende brieven.
Wat moesten de zieken, de eenzamen, de ouden van dagen nu aan met die sinaasappel dienst van het IKOR? Of zou men alleen maar hebben willen bereiken diegenen die zich in dezelfde koers bewegen en er de kerkdienst in hun gemeente voor verzuimden? Past dit bij de gewenste heroriëntering? In ieder geval blijkt telkens weer hoe het IKOR mensen, die vragen naar de verkondiging van de boodschap van zonde en genade, in de kou laat staan. Men nam ze nu zelfs nog hun sinaasappels af. En intussen hebben we er weer een nieuw juk bij. In naam van het evangelie nu ook geen Outspan-sinaasappels meer. Als het niet zo'n ernstige zaak was zou je er glimlachend je schouders over ophalen. Maar bij dit alles is opnieuw in het geding de verminking van het evangelie tot politiek messianisme onder de misleidende benaming 'bevrijding'. Zal de synode nii zelf eens waarmaken wat in 1971 werd uitgesproken? Zo langzamerhand ga je wel denken dat een heroriëntering er niet inzit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's