De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Karl Barth en het Getuigenis

Enige weken geleden heeft dr. W. Aalders in dit blad enkele artikelen gepubliceerd over de barthiaanse theologie en het Getuigenis. Volgens Aalders hangt de polarisatie der meningen voor een niet gering deel samen met de gewetensnood waarin de gemeente is gebracht door de doorwerking van de theologie van Barth met name in de prediking. In de vijftiger jaren gaat de partnergedachte, de humaniteit van God diens theologie beheersen. Deze verwereldlijkte visie op het verbond is van invloed op het spreken over de kerk, die meer en meer gezien wordt als broederschap, waar de medemenselijkheid als kroon der humaniteit zichtbaar wordt. Hier is sprake, aldus Aalders, van een diepe tegenstelling tot Calvijn en het reformatorisch belijden. Hier staat ook het reformatorisch belijden op het spel. Want de verbondsleer en de leer der rechtvaardiging hangen nauw samen. Er kan geen synthese zijn tussen de barthiaanse verbondsleer en de reformatorische rechtvaardigingsleer, zo schrijft Aalders.

Nu heeft ds. A. A. Spijkerboer in het weekblad van de confessionele vereniging op dit artikel van Aalders gereageerd. Gaarne voldoen we aan zijn verzoek tot overname in ons orgaan en in overleg met de redactie willen we in dit persoverzicht een groot gedeelte uit dit artikel uit het Herv. Weekblad van 15 maart overnemen. Het artikel heeft als titel: Is Karl Barth de schuldige? Allereerst gaat Spijkerboer in op Aalders' klacht dat de volgelingen van Barth zich als een meute op Van Niftrik CS. geworpen zouden hebben.

Dat is nogal wat! Aalders meent zijn conclusie te mogen trekken op grond van het feit, dat 'de volgelingen van Barth zich als een meute op prof. Van Niftrik hebben gestort'. Nu is natuurlijk de eerste vraag of Van Niftrik zelf het Getuigenis heeft gezien als een protest tegen Barths theologie. Misschien heb ik niet goed opgelet, maar mij is geen enkele uiting van hem bekend, op grond waarvan dit gezegd zou kunnen worden. Maar zelfs als Van Niftrik het Getuigenis bedoeld zou hebben als een protest tegen Barths theologie, dan zou nog niet gesteld kunnen worden, dat 'de volgelingen van Barth zich als een meute op prof. Van Niftrik hebben gestort'. We mogen redacteuren van het oude 'In de Waagschaal' zoals de hoogleraren Berkhof, Bronkhorst en Hasselaar toch wel tot de leerlingen van Barth rekenen, maar wie van hen is tegen Van Niftrik tekeer gegaan? Hasselaar heeft in 'Elzeviers Magazine' een paar zeer zinvolle dingen over het Getuigenis èn over de bestrijders ervan gezegd, Berkhof heeft zich er later ook wel over geuit, en van Bronkhorst is mij geen uiting over het Getuigenis bekend, maar we kunnen deze hoogleraren toch met geen mogelijkheid tot de 'meute' rekenen. Misschien mag ik in dit verband ook mezelf noemen: ik ben tenslotte zes jaar secretaris van het barthianenblad 'In de Waagschaal' geweest. Het stuk, waarin de opstellers van het Getuigenis met een citaat van Barth aangemaand werden om maar eens even met hun politieke beslissingen voor de dag te komen — dat is natuurlijk het stuk waar Aalders op doelt — is mij wel ter ondertekening voorgelegd, maar ik heb er mijn naam niet onder gezet. Daarvoor kon ik het verdriet, waaruit het Getuigenis geboren is, te goed begrijpen, en ook vond ik het niet juistt om je bij zo'n gelegenheid eenvoudig achter Barth te verschuilen.

Vooral komt de door Aalders geponeerde wending in Barths theologie met zijn toespraak over de menselijkheid van God ter sprake. Spijkerboer meent dat KD IV, 1 een weerlegging is van Aalders stelling als zou Barth de reformatorische rechtvaardigingsleer verloochend hebben. Moeten we i.p.v. wending niet liever spreken van de weg die Barth gegaan is?

Nu is het overigens met het signaleren van 'wendingen in Barths theologie' wel oppassen geblazen. Het lijkt mij meer ter zake om Barth een theoloog te noemen, die met de verschijning van de eerste druk van zijn commentaar op de brief aan de Romeinen op weg is gegaan en die sindsdien onderweg is gebleven, voortdurend aandachtig luisterend naar de Schrift en voortdurend in gesprek met de kerkvaders van alle eeuwen. Wil men nu toch over 'wendingen' in Barths theologie spreken, dan ligt er zeker één in Safenwil, een tweede in de overgang van de 'Christliche Dogmatik im Entwurf' naar het eerste deel van de 'Kirchliche Dogmatik' en dan tenslotte een derde in de door Aalders aangehaalde lezing over 'De menselijkheid Gods'. In deze lezing zegt Barth, dat hij in het begin ondanks alles toch nog te filosofisch over God heeft gesproken, 'zodat het toch weer meer leek op de goddelijkheid van de God der filosofen dan op de God van Abraham, Izaak en Jakob'. Daarom wil Barth over de God van het verbond spreken, zoals Aalders inderdaad terecht stelt, en dat betekent dan voor Barth bijvoorbeeld dit: 'Wij hebben ieder menselijk wezen, ook het voor ons meest vreemdsoortige, laagste of ellendigste, daarop aan te zien, en hebben met hem om te gaan onder die veronderstelling, dat op grond van het eeuwige wilsbesluit Gods Jezus Christus ook zijn broeder, God Zelf ook zijn Vader is'. Wat is er on-bijbels en wat is er on-reformatorisch aan, dat Barth alle mensen aanziet, en daarom ook aanspreekt, op het volbrachte werk van Jezus Christus? Dat dit voor Barth geen overgang kan betekenen naar een soort christelijk gedempt humanisme moge blijken uit het volgende citaat uit zijn lezing over de 'Menselijkheid Gods', waarin tegelijk ook Barths bedoeling met deze lezing naar voren komt: 'De zin, de toon van ons woord zal principieel een positieve moeten zijn. Verkondiging van het verbond van God met de mens, aanwijzing van de plaats, die voor de mens in dit verbond eens en voor altijd is geopend en aangewezen, Immanuels-boodschap, Christus-boodschap — dat is de taak. Het gaat in dat tweegesprek en in die ontmoeting, die ons theologisch thema is, om de genade Gods en om de dankbaarheid van de mens. Het kan niet onze taak zijn om de afgrond, die in Jezus Christus is toegesloten, weer open te scheuren.

Het is waar, we herhalen het: de mens is niet goed. God wendt Zich niet tot hem, zonder tegelijk met onverbiddelijke scherpte néén te zeggen tot zijn overtreding. Zo kan het dan ook niet anders dan dat ook de theologie, binnen het raam van haar thema, dit neen ter sprake moet brengen — maar nu toch niet anders dan als het neen, dat Jezus Christus voor ons mensen op Zich heeft genomen, opdat het ons niet meer zou treffen, en opdat wij er ons niet meer onder zouden plaatsen. Wat plaatsvindt in de menselijkheid Gods, is, terwijl het dat neen in zich sluit, het ja-zeggen tot de mens'.

Het wil mij voorkomen dat Spijkerboer toch te gemakkelijk voorbij gaat aan de dialectiek van nee en ja bij Barth. Is dat inderdaad bijbels en reformatorisch? Komt hier het bijzondere van de genade genoegzaam tot zijn recht? En daarmee ook de plaats van het geloof? Spijkerboer schrijft voorts:

Nu komt er in de lezing van Barth over de 'Menselijkheid Gods' een passage voor over de al-verzoening, waar ik eigenlijk geen weg mee weet. Niet omdat wat Barth in deze passage zegt niet prachtig zou zijn, maar omdat ik hem zo graag zou willen, vragen of wij mensen eigenlijk over de al-verzoening mogen praten: gaan wij daarmee onze perken niet te buiten? Dit brengt me bij wat voor mijn gevoel het eigenlijke onderwerp van Aalders' artikel is, namelijk het bartianisme. Want wat hij tegen Barth aanvoert, zou hij mijns inziens beter tegen een bepaalde vorm van Nederlands barthianisme aan kunnen voeren. Je kunt namelijk niet ontkennen, dat hier en daar in ons land Barth geciteerd wordt alsof hij de paus van Rome was. Nu kun je bij een oppervlakkige lezing van de Kirchlicher Dogmatik wel de indruk krijgen dat Barth eens en voor altijd de waarheid uit de doeken heeft gedaan en dat je je maar op hem hoeft te beroepen om verder iedereen het zwijgen op te leggen. Maar ga je Barth zorgvuldig lezen, dan blijkt niet alleen, dat hij in zijn dogmatiek heel omzichtig, soms zelfs tastend te werk gaat, maar ook dat hij in wezen uit is op een gesprek. Hoe goed Barth zelf luisteren kon blijkt uit de wijze waarop hij met de kerkvaders omgaat, maar als je probeert naar hem te luisteren, geeft hij je niet alleen antwoorden in de hand, maar hij roept ook vragen bij je op. Zoals bijvoorbeeld bij de passage over de al-verzoening in de lezing over de 'Menselijkheid Gods'. Daaruit blijkt, dat het 'barthianisme' een innerlijke onmogelijkheid is: juist vanuit de theologie van Barth is het onmogelijk om in de kerk als een partijformatie op te treden. Barth oriënteert zich voortdurend aan de Schrift, hij beschikt over een fenomenale kennis van de dogmengeschiedenis en in het bijzonder van die van de Reformatie, zijn betoog is glashelder en daarom is het zo de moeite waard om naar hem te luisteren. Daarom zijn er ook zoveel mensen, die van hem houden en daarom vond ik het ook zo spijtig om Aalders' artikel te lezen. Aalders taxeert Kupisch' boek voor mijn gevoel dan ook verkeerd wanneer hij schrijft dat ons uit zijn boek 'de wierooklucht tegenwaait'. Kupisch is een zeer kundige en goede schrijver, die veel van Barth houdt getuige het fotomateriaal dat hij bijeen heeft gebracht. — Het is toch niet verboden om van Barth te houden?

Wanneer ik Aalders' artikel mag lezen als een protest tegen een verbondstheologie, die al dan niet met een beroep op Barth, tot de gedachte leidt, dat wij ons niet hoeven te bekeren en dat wij ooit boven het 'Heer wees mij zondaar genadig' uit zouden komen, ben ik het met de strekking ervan wel eens. Maar ik las dan ook juist in Barths kleine commentaar op de brief aan de Romeinen van 1956 (1): Ik ben en leef in het vlees en blijf in dit zijn en leven aan de wet van de zonde en de dood onderworpen. Er is geen lijn die met Ik begint om dan ergens met verlossing en vrijheid te eindigen'. Aalders heeft toch ook wel gezien dat Kohlbrugge in Barths theologie tot in de laatste delen van de Kirchliche Dogmatik een eervolle, zij het dan niet kritiekloze plaats inneemt? Aalders wil Barths theologie voorleggen aan de geloofsconsciëntie van de gemeente. Welnu, laat ik dan mogen eindigen met een citaat uit een preek, die Barth aan het eind van de jaren vijftig in de gevangenis van Basel hield over Efeziërs 2 : 5 'door genade zijt gij behouden'. 'Door genade zijt gij behouden', dat is waar, ook wanneer wij het niet geloven, het voor ons niet waar willen laten zijn en er dan helaas niets aan hebben. Maar waarom zouden we er niets aan hebben? Waarom geloven wij niet? Waarom gaan we niet door de geopende deur naar bulten? Waarom ontspannen we de gebalde vuisten niet? Waarom stoppen we onze oren dicht? Waarom houden we de ogen gesloten? Waarom eigenlijk? Ik wil daarover alleen nog één ding zeggen: dit alles misschien daarom, omdat we nog niet zo echt gebeden hebben, dat het bij onszelf, aan onze kant, anders zou mogen worden. Let wel: dat God God is, een niet alleen machtige, maar genadige, een lieve God, dat Hij het goed met ons bedoelt en doet, dat Jezus Christus voor ons gestorven is, opdat wij vrij zouden zijn, dat wij door genade, dat wij in Hem gered zijn — daarom hoeven we niet te bidden, want dat is zo zonder ons toedoen, ook zonder ons gebed. Maar dat we dat geloven, aannemen, laten gelden, beginnen daarmee te leven, dat dat waar is, ook voor ons, en dat we dat niet alleen in ons hoofd en met onze lippen, maar met ons hart en met ons hele leven geloven, zodat ook de andere mensen er iets van te merken krijgen, en dat ten laatste ons hele bestaan gedompeld wordt in de grote waarheid van God: door genade zijt gij behouden', ja, daarom wil gebeden zijn. Daar heeft nog nooit een mens tevergeefs om gebeden.

Dr. Aalders heeft toegezegd, over enkele weken op dit artikel van Spijkerboer in te gaan. We mogen aannemen dat dit antwoord ook in de kolommen van dit blad een plaats krijgt.

We zouden hier slechts op willen merken, dat Aalders met zijn kritiek op Barth's verbondsleer niet alleen staat. Ook Graafland heeft dit een en andermaal betoogd. En voorts dat in dit alles toch in het geding is het werk van de Heilige Geest, de toeëigening van het heil.

Catechismusprediking

Naar aanleiding van de veel gehoorde klacht, dat de catechismusprediking in veel gemeenten in onbruik geraakt is, schrijft prof. C. Veenhof in Opbouw van 16 maart over een merkwaardig boekje van Otto Gerhard Heldring. Er blijkt uit dat er niets nieuws onder de zon is en dat ook in dat opzicht de 19de eeuw ons veel te leren heeft.

Het stond er in de eerste helft van de vorige eeuw met de Herv. Kerk niet best voor.

Daarin werd globaal genomen 'n oppervlakkig christendom gepredikt waarin 'deugd', 'braafheid', 'verdraagzaamheid', 'verlichting' dominerende motieven waren. De dominees vormden een zelfingenomen groep in het zelfvoldane burgerdom uit de tijd van Pieter Stastok en de familie Kegge. Het is geen wonder dat bij zo'n geestesgesteldheid de boodschap van de catechismus niet meer aanslaat! Veel predikanten schaften de 'catechismusprediking' dan ook af. Soms werden zelfs de tweede kerkdiensten gestaakt. Een man die daarover diep verontrust werd was de bekende filantroop Ottho Gerhard Heldring, de man van de bekende Heldringgestichten in Zetten. Heldring was allerminst een steil-gereformeerde dominee. Hij was voluit een man van het Reveil. Een 'ethisch-irenische' dominee, zoals men toen zei. Hij is vooral bekend geworden door wat men tegenwoordig 'sociale bewogenheid' noemt, maar in die tijd als 'betoon van christelijke barmhartigheid' gekarakteriseerd werd. Enorm veel heeft Heldring op het gebied van die barmhartigheid gepresteerd! Aan zijn verontrusting over de verwaarlozing van de namiddagdiensten met 'catechismusprediking' gaf hij uiting in een brochure die tot titel had: Waarom staan de namiddagkerken zoo ledig? Wat is de oorzaak van den grooten tegenzin, die vele Protestanten tegen den Heidelberschen Catechismus toonen? Een gesprek tusschen drie Hervormde evangeliedienaars. Een lange titel zoals in die tijd nog wel gebruikelijk was.

Dit boekje was een uitwerking van een brief die Heldring op 23 juni 1840 aan zijn vriend Koenen schreef. Daarin zei hij o.a.: 'Van alle zijden staat het ongeloof nog gewapend en als overwinnende tegenover ons. Het wijkt ook voor niets dan alleen voor de waarheden zooals onze Catechismus dezelve opteekent. Dat boek — zoozeer miskend. Ach, dat het van de scholen verdrongen werd was de oorzaak dat nu de kerken ledig staan. Ik heb het zelve nu reeds dertien jaar als catechisatieboekje gebezigd en reeds is mijne namiddagkerk wederom een derde in getal toegenomen.'

Heldring betoogde in zijn boekje, dat de schuld van deze trieste gang van zaken moest worden gezocht bij de predikanten, die het volle evangelie niet meer verkondigden. Die lag z.i. toen niet bij de gemeente. Die was nog wel 'heilbegerig'. Aan het slot van zijn boekje drong Heldring aan op trouwer huisbezoek, op lidmatencatechisatie, op afschaffing van de vragenboekjes om in plaats daarvan het Kort Begrip te gebruiken en, voor meer gevorderden, de Catechismus. Ook drong hij aan op beperking van de 'vrijheid' die de predikanten zich veroorloofden ten aanzien van hun binding aan de kerkelijke belijdenis. De reactie op dit pretentieloze boekje was enorm.

Heel het gezapige, zelfgenoegzame predikantendom kwam in beroering. Van alle kanten werd Heldring aangevallen. Hoe durfde hij over een schuld van de dominees spreken? In die tijd wilden de meesten niet erkennen dat ze totaal waren afgeweken van de leer van de Catechismus. Vooral omdat Heldring over zo'n afwijking had gesproken waren ze woedend. Voorheen was hij~ overal welkom. Na de verschijning van zijn boekje werd hij niet meer geduld. Bijna de gehele theologische wereld deed hem in de ban! Het Classicaal Bestuur gedoogde hem niet langer in zijn midden!

Maar — net als een tijd daarvoor Da Costa's 'Bezwaren tegen den Geest der Eeuw' — overal werd naar dat boekje gegrepen! De eerste oplage, die was trouwens maar 400 exemplaren groot, was in een ommezien uitverkocht. De vraag ernaar was evenwel zo groot dat de uitgever een tweede druk op stapel zetten van niet minder dan 10.000 exemplaren!

Maar Heldring weigerde een heruitgave. Hij was afkering van strijd en polemiek. En vooral ook van 'afscheiding'. Zijn vriend, de grote Nicolaas Beets — de man die tot norm van zijn kerkelijk handelen de leus: 'Doen door laten' gekozen had — waarschuwde hem daar ernstig voor. En zo beperkte Heldring zich voortaan maar weer tot zijn filantropische arbeid.

Ondertussen had hij in zijn boekje precies aangewezen waarin de ziekte, de zonde van de kerk van zijn dagen bestond.

Dat in de Ned. Herv. Kerk een geweldige opleving ontstond na de tweede helft van de vorige eeuw was mee te danken aan het feit dat door het voorbeeld van de Afgescheiden Kerken en 't optreden van mannen als Groen van Prinsterer, Kuyper, Kohlbrugge, de catechismusprediking weer in ere kwam!

En men kan zeggen: tot nu toe was in ons land verminderde belangstelling voor de 'catechismusprediking' steeds een symptoom van de neergang der kerk! En een herleefde belangstelling daarvoor was steeds een teken van een Geestelijk reveil en van een reformatie der kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's