De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Met de kerk van alle eeuwen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met de kerk van alle eeuwen

Belijdenis des geloofs

12 minuten leestijd

We hebben dit jaar een late Pasen. Vandaar dat de openbare belijdenis des geloofs in vele gemeenten al enkele weken voor de zondag die aan Pasen voorafgaat, is afgelegd, hoewel er andere gemeenten zijn waar deze nog moet plaatsvinden. Ik wil er in dit artikel met het oog op de nieuwe lidmaten iets over schrijven. De belijdenis des geloofs is voor diegenen, die het betreft, toch altijd weer een gewichtige zaak. En voor die leden van de gemeente, die al korter of langer tijd geleden hun belijdenis deden, is het toch altijd ook weer een zaak om zich te binnen te brengen omdat de sleur er zo spoedig in kan komen en de fleur er dan afgaat.

Belijdenis waarvan?

We doen — dat moet eerst gezegd — belijdenis van hèt geloof. Dat wil zeggen van het geloof, dat door de eeuwen heen geloofd werd, het geloof van de kerk van de eeuwen, het geloof waarvan je belijdenis kunt doen, omdat de kerk van alle tijden het heeft uitgezegd, vanuit de Schrift heeft nagesproken. Het gaat dan om het geloof dat ons van de vaderen is overgeleverd. Het geloof zoals dat door de kerk is neergelegd in de authentieke kerkelijke documenten en geschriften, de belijdenisgeschriften. Niet dat die belijdenisgeschriften alles gegrepen hebben. De Schrift zelf is altijd voller en rijker en dieper dan welke belijdenis dan ook. Maar wel vinden we in de belijdenissen een machtige greep om het hart van de Schriften te tonen, om het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zoals dat vanuit de Schrift tot ons komt, te verwoorden en daarin weer te geven wat in alle tijden de vaste rots van het behoud der mensen is geweest. In de belijdenis des geloofs voegen we ons dan ook in de keten van de geslachten, die vóór ons hetzelfde geloof beleden hebben. We zijn vandaag niet voor het eerst kerk. We maken — samen met anderen — deel uit van die kerk, waartoe er in het verleden al ontelbaar velen hebben behoord.

We doen belijdenis van hèt geloof. Dat is niet iets onpersoonlijks maar het wijst op de gemeenschap van de ganse kerk van alle tijden. Temidden van alle ongeloof heeft de kerk in alle tijden het geloof beleden, het geloof in het vleesgeworden Woord, in Christus Die de schande van ons menselijk vlees aannam om zo te worden onzer één; het geloof in de gekruisigde Christus, die het handschrift van de zonde aan het kruis geslagen heeft; het geloof in de opgestane Christus, die voor de Zijnen een eeuwige gerechtigheid aanbracht; het geloof in de ten hemel gevaren Christus, die Zijn kerk meenam en meeneemt ten hemel in en koninkrijken doet beërven. Kortom: we belijden het geloof in de Schriften, waarin de kerk geloofd hééft en geloven zal. En zo worden we opgenomen in de rij van allen die in deze wereld weet gehad hebben van de boodschap des heils, die in de Schrift geproclameerd wordt.

Van mijn geloof?

Maar nu de sprong: van hèt geloof naar mijn geloof? Is het er wel? Heb ik er zelf deel aan. De kerk belijdt van zichzelf te zijn een heilige vergadering van ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Christus Jezus, gewassen zijnde door Zijn bloed en verzegeld met de Heilige Geest. Een hooggestemde belijdenis. Kan ik daar wel bij ?

Zeg ik daar met mijn hart amen op? Of, om het met de Catechismus te zeggen: Geloven we, dat de Zoon van God Zich een gemeente tot het eeuwige leven vergadert, .. en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven? Zeg ik dat mee, dat laatste? Het is een hele sprong van hèt geloof naar mijn geloof. Is het er wel? We zingen misschien in de belijdenisdienst: Ik zet mijn treden in Uw spoor. Maar als het van mij moest afhangen zou ik het spoor snel bijster zijn.

Maar toch, en daar ligt de kern van het geheimenis, wie door God gegrepen is wordt vastgehouden. De koers is dan voor je uitgezet. Je kan niet anders meer en je wilt ook niet anders meer dan lopen in het spoor van God, het spoor van Zijn geboden en het spoor van Zijn beloften, met vallen en opstaan, met vrees en met beven, maar ook in het besef dat God niet laat varen het werk dat Hijzelf begon. Omdat Christus de weg tot het eind is gegaan, tot op het kruis, tot in de dood, maar ook verder in de Opstanding en in de hemelvaart, daarom is er voor kleine mensen uitzicht, hoop en geborgenheid en maakt God Zelf het werk af, zorgt Hij voor de vrucht op het werk van Christus tot aan het eind van de dagen, door Zich een gemeente te vergaderen tot het eeuwige leven. In de belijdenis van het geloof is er zó ook vaak een uitgrijpen boven jezelf en dan toch een — zij het schuchter — ja zeggen, omdat je hart toch zo bij het geloof van de kerk ligt dat het je vurig gebed is om van die kerk een levend lidmaat te zijn; en ook vanuit het besef dat het al een geweldige zaak is, dat we in de lichtglans van het verbond kwamen bij onze geboorte in een gezin, dat al tot de gemeente behoorde en zelf al was ingezet in de rij van de geslachten. Daarbij kregen we de belofte mee en het werd verzegeld door de doop, dat de Heilige Geest bij ons wonen en tot lidmaten van Christus heiligen wil. En daarom, het doen van belijdenis is een keuze voor de weg die we gaan willen, na velen vóór ons, een weg die we gaan willen met het gebed om de Heilige Geest, om ons toe te eigenen wat we in Christus hebben, de afwassing der zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven.

In onze tijd 

Het is geen vanzelfsprekende zaak om in onze tijd belijdenis te doen. Een bewust christelijk leven betekent in onze tijd meer en meer alleen staan. Het is uittreden uit de massaliteit, waarin het 'pluk de dag' kenmerkend is. Het is leven bij en vanuit die dingen, die voor de wereld rondom ons geen betekenis hebben. Een eigen levenspatroon trouw blijven in een omgeving, die van het 'gij geheel anders' geen weet meer heeft en waarin antichristelijke machten meer en meer de kop opsteken. Het Nederlandse volk loopt thans — om een voorbeeld te noemen — te hoop om de film 'Turks fruit' te zien, waarin de enorme zedelijke degeneratie van de huidige tijd onverhuld aan den dag treedt. Die film is 'in' en wordt zelfs in bepaalde kerkelijke bladen lovend besproken vanwege de 'functionele erotiek', wat een deftig woord is voor publieke hoererij.

In een tijd, waarin deze dingen zich afspelen — en het is maar een enkel aspect van de enorme verwereldlijking die zich voltrekt — doen mensen belijdenis van hun geloof en beloven ze zich te zullen inzetten in de dienst van het Koninkrijk Gods. Dat is dan ook geen vanzelfsprekende zaak. Het is wèl een verheugende zaak als ouders zien dat hun kinderen in dit spoor gaan en een koers willen gaan, die door de wereld niet begrepen wordt maar die de belofte van God mee heeft. Het vraagt intussen van de nieuwe leden ook om een leesbare brief te zijn. Belijdenis doen heeft consequenties voor het staan in het leven. We reizen als christenen niet incognito, niet onherkenbaar, niet aangepast aan de schema's van deze wereld, maar als het goed is als levende getuigen, zodat anderen het zien kunnen dat we er zelf de smaak van te pakken hebben; dat we niet enerzijds bij de kerk behoren en intussen tóch volkomen gelijkgeschakeld leven met anderen. Het vraagt weerbaarheid tegen dé schema's van deze wereld die zich in onze tijd zo onweerstaanbaar opdringen.

De praktijk leert het ons intussen telkens dat mensen, die eens belijdenis deden, afvallen. Soms na enkele jaren al. Wanneer ieder eens nagaat met wie hij samen belijdenis heeft gedaan en wie hij daarvan nog geregeld in de samenkomsten van de gemeente ziet, zal er verbaasd over staan hoevelen er dan vaak al zijn afgevallen. Het ging geleidelijk maar op een bepaald moment was het zover: je zag ze niet meer. Het levenspatroon van de wereld kreeg vat op hen en het bleek dat de belijdenis des geloofs geen zaak van het hart was, niet gedragen werd door de oprechte begeerte om de treden in het spoor te zetten. Ik vraag me wel eens af of we er in de gemeente wel genoeg aan doen om dit afdwalen en losweken van de gemeente — voor zover het in ons vermogen ligt — te voorkomen. En dan bedoel ik niet dat de kerkeraad er wat aan doen moet of de predikant, dat ook. Maar zouden we er als leden van de gemeente niet op gespitst moeten zijn dat we elkaar vasthouden? Al zouden alleen maar diegenen, die samen belijdenis deden, zich blijvend voor elkaar verantwoordelijk weten, zodat, wanneer iemand dreigt af te vallen of langzaam maar zeker in een verkeerde richting wordt getrokken, de anderen hem vasthouden. Zoeken we elkaar niet te weinig op? En ook, zijn we niet te weinig met eikaars zorgen bezig? Belijdenis doen vraagt om getrouwheid om in deze wereld op te komen voor de Naam des Heeren tegenover allen, die van Hem niet weten of weten willen. Het vraagt echter ook zorg voor elkaar om elkaar voor struikelen te behoeden en diegenen vast te houden, die dreigen los te weken van de gemeente. De zuigkracht van de wereld is groot. Laat de trekkracht van de gemeente, van de leden der gemeente groter zijn. Het samen belijdenis doen vraagt blijvende verantwoordelijkheid voor elkaar.

In de Hervormde Kerk

Als we het hebben over degenen die afvallen dan behoeven we alleen maar naar onze eigen kerk te zien. De regelmatige daling van het percentage hervormden in ons land vindt niet alleen zijn oorzaak in het feit dat het aantal mensen dat belijdenis doet regelmatig afneemt — dat óók — maar zeker ook in het feit, dat velen, die eens hun jawoord gaven, de tegenwoordige wereld lief kregen. Het moet gezegd dat de prediking er vaak aan bijdraagt dat mensen heengaan, omdat de prediking vaak de mensen niet meer aanspreekt in hun diepste behoeften.

Ieder die in de Hervormde Kerk belijdenis doet moet zich echter wèl de vraag stellen waarom hij in deze kerk belijdenis doet. Kan het eigenlijk wel, in deze kerk? Het is immers niet vanzelfsprekend? Een kerk, die in de loop van de tijd getrapt en geschonden, gesmaad en verguisd is. Een kerk die allerlei wind van leer toeliet en toelaat. Een kerk, waarin de gemeenten Ouddorp in Zuid-Holland en N.-Holland of Putten in Gelderland en Brabant weinig met elkaar gemeen hebben. Een kerk, die in de loop van de tijd veel bloedverlies leed naar andere kerken. Een kerk... noem het verder maar op; zodat velen zeggen: in déze kerk, dat kan toch niet?

En toch een kerk waaruit levend bloed vloeide steeds weer opnieuw, een kerk die dus niet dood is. Een kerk die weliswaar vaak leert en handelt onder de maat van het evangelie, van haar eigen belijden, maar waarin Christus desalniettemin zijn voetstappen heeft, ook nu, en waar telkens weer blijkt dat de Heilige Geest er werken wil. Deze kerk bleef door alles heen toch kerk van de Reformatie, kerk waarin de vaderen hebben geloofd en beleden en waarin we ons zo ook opgenomen weten in de rij van de geslachten. God onderhield daarin het leven en wekte steeds opnieuw leven. In deze kerk ontving je de doop en hoorde je de prediking. En het belangrijkste is wel als in deze kerk het Woord je tot leven riep. Als je de stem van het Woord bewust ging horen. Als de kerkdienst zó een onvergelijkbaar gebeuren werd, niet een samenkomst zoals er twaalf zijn in een dozijn, maar bediening der verzoening en de Heilige Geest daar déél gaf aan de verzoening. Als dat zo is dan is de zondag voortaan voor de prediking. Dan is de dienst niet gauw te lang en het aantal diensten niet gauw te veel.

Wie belijdenis doet in de Ned. Hervormde Kerk belooft intussen zich te onderwerpen aan haar opzicht en zich te zullen inzetten voor haar opbouw. Juist wat het opzicht betreft ligt het in onze kerk zo moeilijk. Ieder doet vaak wat goed is in eigen ogen en kan dit doen zonder dat het opzicht functioneert. Maar als we spreken over de kerk, die dit moet doen en de kerk die dat moet doen, dan wordt vaak vergeten dat we zelf de kerk zijn. De gemeenteleden vormen de kerk. En daarom, de kerk mag wat verwachten van haar belijdende leden. De belijdenis des geloofs zal ook waar gemaakt moeten worden in de gemeente. En dan hebben we juist de roeping om zelf aan de opbouw van de kerk, waartoe we behoren mee te werken. Niet alleen in gemeenten waar nog gepreekt wordt naar Schrift en belijdenis maar ook in andere gemeenten waar deze prediking niet is. Ook daar worden we geroepen om aan het welzijn, van de gemeente mee te werken, om de gemeente er ook toe op te roepen om te blijven in de weg van het belijden der kerk. En dan zien we telkens weer hoe de trouwe dienst aan het Woord en vanuit het Woord gezegend wordt. Er is veel in onze kerk dat reden geeft om er ons diep voor te schamen. Er is echter ook veel reden om diep beschaamd te zijn vanwege de zegen die God nog geven wil. Daarom hervormd zijn, dat wil zeggen tot de Hervormde Kerk behoren, is geen vanzelfsprekende zaak, maar wie er zich echter echt rekenschap van heeft gegeven, waarom hij in deze kerk belijdenis deed kan er ook niet zo gemakkelijk meer van los. Integendeel, die ziet zijn roeping en voelt de liefde voor deze kerk, waarin God nog werkt door Zijn Woord en Geest en waar Hij Zich nog weer telkens een gemeente vergadert tot het eeuwige leven. Ook onder de nieuwe lidmaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Met de kerk van alle eeuwen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's