Het gebed in het Oude Testament
Het gebed
Het is geen wonder dat dit bidden van Genesis tot Openbaring, door de hele Schrift heen, één van de belangrijkste uitdrukkingen is van de omgang tussen God en mens.
De Schrift staat juist daarin lijnrecht tegenover alle naturalistisch ongeloof. Volgens de ongelovige mens, die alleen rekening houdt met de zintuiglijk waarneembare verschijnselen, zitten we eigenlijk met z'n allen opgesloten in de vrij kleine leefruimte van onze aardse dampkring, die vol is van lawaai, vol ook van eindeloos veel stemmen van mensen, die niet kunnen ophouden te twisten over de vraag hoe we van deze onherbergzame wereld een betere woonplaats kunnen maken. Die wereld met al haar geraas en gedaas wordt dan alleen omsloten door een mateloos machtige zwijgende wereldruimte. Dat is de wanhoop van een mensenwereld, die de levende God kwijt is.
En nu is het juist de rijkdom van de Schrift en daarmee van degenen, die uit die Schrift leven, dat het daarin slechts gaat om één ding nl. het herstel van de verbroken gemeenschap tussen God en mens. Die God is niet een wijsgerige godsidee, maar de levende God, Die heilig is en toornt tegen alle onheiligheid, maar Die ook barmhartig en genadig is. En de mens in die Schrift is niet een natuurprodukt van duistere, dierlijke afstamming, maar een mens, die door God geschapen werd naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis.
Het herstel van die gemeenschap beoogt niet in de laatste plaats het herstel van het spreken van weerszijde. Als tussen mensen de gemeenschap verbroken is dan spreken ze niet meer met elkaar. Hét teken van de vernieuwde toewending tot elkander is dat men weer gaat 'spreken'. Nu behandelt God alle dingen naar hun aard. Hij behandelt ook de mens, de gevallen mens, als mens. De adel van die mens is, dat hij bewustzijn heeft, een hoofd en een hart. Dat hij, wat daarin leeft kan uitdrukken in het wonder van de taal. Dat hij ook datgene wat er uit de gedachtenwereld van een ander door het medium van het woord tot hem komt, kan verstaan en daarop kan reageren. In het vorige artikel hebben we er al op gewezen, dat dat 'gaan-spreken' van God is uitgegaan, toen Hij de gevallen mens opzocht, ter verantwoording riep en hem zelfs een beloftewoord (de moederbelofte) op zijn weg meegaf.
Nu voert ons het bestek van deze artikelen te ver om diep in te gaan op de weerstanden, die dat spreken van God, zelfs in z'n verste vormen, altijd en overal van ons eigenwillige, eigenwijze en eigenlievende mensen ondervindt. Ook over Israël klaagt de Heere: maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen. Psalm 58 vergelijkt de onwil van de onrechtvaardige rechters om naar de stem van die God, Die op de aarde richt, te horen, met de doofheid van een adder, die haar oren toestopt; zoals de joden het getuigenis van Stephanus niet wilden horen en hun oren toestopten.
Desondanks is er, dank zij de overmacht van Gods genade in Christus een schare, die niemand tellen kan, die niet alleen leert zeggen: Spreek, Heere, want Uw dienstknecht hoort (1 Sam. 3), maar van v k v gl U wie ook in de hemel gezegd wordt: zie, hij bidt (Hand. 9).
Daarom gaat het in heel dat werk Gods. De bijbel is geen theologisch handboek, met daarin o.a. een hoofdstuk over het gebed. De Schrift brengt het Woord Gods en het woord van de Zijnen altijd in en vanuit concrete situaties. Zelfs het onderwijs des Heiligen Geestes, dat Christus aan Zijn discipelen beloofd had, is in de praktische vorm van brieven tot ons gekomen. Overal functioneert dat Woord van God tot de zondaar en dat weer-woord van de zondaar tot God. Op een tere wijze zegt God het door de profeet Hosea: Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! Het is alsof we de vader en de zoon uit de gelijkenis van Lucas 15 elkaar weer zien ontmoeten. Dat is een weer vinden van elkander, dat we alleen maar met stille verwondering kunnen opmerken en zeggen: er is niet schoners op aarde.
Diepte en hoogte
Dat wederzijdse spreken en dus ook het bidden, varieert daarom naar de menigerlei situaties, uitwendige en innerlijke, waarin de verloren mens op zijn thuisreis zich bevindt. We beperken ons nu tot het spreken van die mens. We horen hem spreken uit diepten van ellende (ps. 130), uit afgronden van duisternis en verlatenheid, uit een diep bewustzijn van schuld en verlorenheid (de boetepsalmen, ps. 88, de klaagliederen, de tollenaarsbede). Maar we horen hem daarin ook pleiten op de Naam en het Woord Gods en op Zijn verbond (ps. 25). Dat onfeilbare Woord van Israels God geeft voedsel aan zijn hoop als die van wachters op de morgen en we horen hem uit de donkerheid van schuld en strafwaardigheid opklimmen tot de zekerheid van de verhoring, omdat die God, tot Wie hij roept, een God is. Die getrouw Zijn Woord houdt (ps. 6). Wanneer uit dat Woord de rijkdom van Gods vergevende zondaarsliefde hem tegemoetkomt, wordt zijn biddend spreken een loflied tot God, Die hem al wat hij heeft misdreven, hoeveel het zij, genadig wil vergeven (ps. 103). Dat neemt niet weg, dat in diezelfde 103de psalm het leven in al zijn vergankelijkheid gezien wordt. Maar wij mensen, ook al ervaren we, dat de goedertierenheid Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid is over degenen, die Hem vrezen, leren die les van de vergankelijkheid maar heel moeilijk. Psalm 39 vraagt: leer mij, Heere, hoe vergankelijk ik ben. En de oudste psalm, die van Mozes (ps. 90: 'een gebed van Mozes, de man Gods') concentreert zich om de bede: 'leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen'.
Maar die mens, wiens ogen verlicht worden door het licht van Gods Woord en van Zijn Geest, begint ook de hele schepping, de wereld, haar geschiedenis en ook die van zijn eigen leven te zien in de lans van dat licht. Daarom zijn zijn geeden niet alleen smeekbeden, waarin geraagd wordt: gedenk niet meer aan 't waad, dat wij bedreven; maar het zien an de grootheid Gods in schepping en eschiedenis doen hem ook in dankbare ofzegging spreken: Heere, hoe groot zijn we werken, zeer diep zijn Uwe gedach ten. Maar diezelfde mens ondergaat de moeiten en zorgen, de pijn en de strijd van het leven. Ook daarmee mag hij in het gebed tot God gaan. Zelfs wanneer het gewicht van 's levens last hem dreigt te verpletteren en te verbitteren, omdat hij Gods doen niet verstaan kan. Dan mag Asaf in psalm 73 toch dat hart voor Gods aangezicht uitstorten.
Vertellen
In psalm 119 komt een woord voor, dat het voorrecht van het gebedsleven op een even eenvoudige als treffende wijze tekent. Ik denk aan wat de dichter in vers 26 zegt: Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uwe inzettingen.
Er zit iets kinderlij k-openhartigs in dat woord vertellen. Bidden behoort tot dat verre-afstandsverkeer, dat de grote God van hemel en aarde geopend heeft tussen Zichzelf en schuldige, verloren zondaren. Maar dit geschiedt juist met de bedoeling, dat de afstanden wegvallen. Het beeld van datgene wat God de Heere op het oog heeft is niet het uitwisselen van enkele woorden als tussen de ruimtevaarders in hun cabine ver weg en het grondstation. Veeleer beoogt Hij de vertrouwelijke omgang van een vader of moeder met hun kind, dat met z'n ervaringen, pijnlijke of verrassende, thuiskomt en vader of moeder opzoekt om het hart uit te storten en te vertellen.
Dat 'vertellen' doet ook denken aan personen, in bepaalde functies bij wie allerlei mensen aankloppen om hulp op velerlei terrein: een arts in zijn spreekkamer, een advocaat achter zijn bureau, een reclasseringsambtenaar, een predikant, een rijke, die velen helpen kan. Deze zullen beginnen met te zeggen: vertelt u het maar eens! En dan komt het verhaal van pijn en zorg, schuld en hulpeloosheid, uitlopenfl op de vraag. Kunt u mij helpen? Zo laat de Heere God Zijn kinderen ook vertellen. Hun wegen vertellen ze. Vaak hun dwaalwegen, hun kromme wegen. Vaak ook wegen, die zij zich voorstellen, maar die ze aan Hem voorleggen, om Hem daarin te kennen. Dat vertellen loopt ook uit op de vraag: Kunt U mij helpen? En dan is het evangelie één groot 'Ja!' Maar dan moet ook alles verteld worden. Van kinderen komt een vader soms langs een omweg iets lelijks te weten en dan zegt hij: maar dat vertelt die jongen niet. Neen, de psalmdichter zingt:
" 'k Wil mijn misdaan, die U tergen
Niet verbergen;
ik bedek voor U die niet.
En dan is het weer:
Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heer; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer. Dat is in de Schrift bidden. Het leven met al z'n wederwaardigheden voor God openleggen, juist omdat we weten, dat eer er een woord op onze tong is. Hij alle dingen weet.
Dat zijn de moeilijke dingen van het leven, die de grote Pottenbakker gebruikt om het leem te kneden en te vormen. Dat zijn ook de mooie dingen van het leven. Daar hoort het brood bij; dat God uit de aarde doet voortspruiten, ons huis en ons huisgezin, de zon aan de hemel, de bloemen op het veld en de rijm aan de bomen.
Middenin het leven
Daar hoort niet alleen het persoonlijke leven toe, maar dat leven in al z'n verbanden. Abraham denkt aan Loth en de zijnen, maar hoopt, dat er in dat goddeloze Sodom toch nog wel meer rechtvaardigen zullen worden gevonden. Dat alles is ge
noeg om op een wonderlijk volhardende wijze aan te houden in het gebed. Voor Izaak is het huwelijk niet een zaak, die 'slechts' tot het natuurlijke leven behoort. Maar hij gaat in het veld om te bidden. En zijn huwelijk is het enige monogame huwelijk onder de aartsvaders. Als Jacob bij Pniël zijn gebedsworsteling doorleeft, dan is dat maar niet alleen omdat hij een diep-bedorven zondaar is. Maar dan staat die Pniëlsnacht in verband met de komende ontmoeting met Ezau de volgende dag en dan staan heel concreet zijn zonden tegenover zijn vader en zijn broer en daarin tegen God hem voor ogen. Het is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf, zegt David in ps. 51. En dan komt de belijdenis van de erfzonde. Maar in die psalm is er toch ook wel duidelijk de concrete belijdenis van zijn bloedschuld en onreinheid.
Het gebed van Gods kerk staat niet buiten maar middenin het leven. Het heeft betrekking op het gezin, zoals Job daarvoor zijn knieën boog, en zoals de Israëlitische huisvader zijn gezin daarin voorging.
Een groot deel van het bidden in het Oude Testament heeft betrekking op de ganse vergadering der kinderen Israels. De psalmen zijn vaak wel individueel, maar allerminst individualistisch. Als Hanna knielt in Silo, dan staat dat wel in. verband met het gezinsleven in Elkana's huis in Ramathaïm-Zofim. Maar zij begeert niet alleen een zoon voor zichzelf, maar een zoon, die een dienstknecht Gods zal zijn; en haar lofzang laat zien, dat in haar hart het brede verband van heel Gods verdrukte kerk leeft, waarover Hij Zijn Gezalfde stelt. Bij dat bidden is de geschiedenis van Israël betrokken, dat verleden, waarvoor gedankt wordt en waarvoor schuld beleden wordt; maar ook zijn aangevochten situatie in het heden en haar donkere of lichte uitzichten op de toekomst. De bidder is niet maar een mens op zichzelf, maar een lid van het volk des verbonds, dat juist daarin bemoediging vindt om te naderen tot de God des verbonds. Die Zijn trouw aan Israël nooit heeft gekrenkt.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's