De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tijdgeloof 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tijdgeloof 2

Pastorale overwegingen

8 minuten leestijd

De afval

Met de vraag of bekering van een tijdgelovige mogelijk is, eindigden we vorige maal. In z'n algemeenheid kan die vraag bevestigend beantwoord worden. Het is dan nodig, dat we bij het licht van de Heilige Geest gaan ontdekken, dat we wandelen op een verkeerde weg, en dat we bouwen op een grond die niet houdbaar is, zodat we in waarheid en oprechtheid gaan doen, wat we tot nog toe alleen in schijn deden.

Maar er is ook een andere mogelijkheid. Het tijdgeloof — het woord zegt het — is immers maar voor een tijd. Het kan dus zijn dat we een tijdlang belangstelling gehad hebben voor de dingen van het Koninkrijk Gods, dat we zelfs vreugde gevonden hebben in het lezen van het Woord en in het opgaan onder de prediking, dat we de omgang met Gods kinderen hebben gezocht en de taal van Gods kinderen gesproken hebben, misschien wel opgang onder hen gemaakt hebben. .. en daarna God en Zijn Woord en Zijn dienst de rug toekeren en onze eigen weg gaan. Een weg waarvan we dan ook niet meer terugkeren.

In dit verband moet de aandacht gevestigd worden op Hebreeën 6 : 4 v.v. Daar schrijft de apostel: Want het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gave gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande ma-en. Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zégen van God. Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding'. Dit is een woord uit de Schrift, dat nogal veel vragen doet rijzen, die in feite terug te brengen zijn tot één vraag: Is het mogelijk, de Heilige Geest ontvangen te hebben en dan toch afvallig te worden?

Het antwoord op deze vraag is met de Schrift in de hand niet moeilijk. Er is geen afval der heiligen. Christus heeft gezegd: Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken' (Joh. 10 : 27—28). En Paulus zegt nadrukkelijk: De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk' (Rom. 11 : 29)

En toch staat hier met zoveel woorden dat het mogelijk is, de hemelse gave gesmaakt te hebben en het goede Woord Gods, zelfs des Heiligen Geestes deelachtig geworden te zijn, en afvallig te worden. Hoe moeten we dit verstaan?

Er is — om maar met de beeldspraak te beginnen — sprake van grond, waarop dezelfde regen valt, en die toch tweeërlei vrucht voortbrengt: goed gewas, maar evenzeer doornen en distelen. Met die regen is ongetwijfeld bedoeld de verlichting met de Heilige Geest. Echter niet een zaligmakende verlichting, maar een algemene. Immers, een natuurlijk mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Verstaan van het Woord Gods is alleen mogelijk door de verlichting met de Heilige Geest. Maar die verlichting is niet beperkt tot de ware gelovigen. Ik denk aan Bileam, die door de Geest Gods profeteerde en toch een vijand was van God en Zijn volk. Ik denk ook aan de mensen van wie de Heere Jezus zegt, dat ze in de dag der dagen zullen aanvoeren: 'Hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd... ? ' Dat deden ze dus niet door zaligmakende, maar door algemene verlichting met de Heilige Geest. En dat kan zó ver gaan, dat ze smaken het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, dat ze op de ware gelovigen lijken en de ware gelovigen zelfs schijnen te overtreffen. Schijnbaar heel dicht bij het Koninkrijk Gods en toch mijlenver er van daan Immers, ze worden afvallig.

Nu is in deze tekst niet het probleem aan de orde of ware gelovigen afvallig kunnen worden, maar wel of afvalligen weer tot bekering kunnen komen. En dat laatste nu is onmogelijk. Ondanks de indruk die ze hadden van de liefde Gods en van Zijn genade in Christus is hun hart nooit innerlijk vernieuwd en hebben ze zich tegen beter weten in verhard. Ze ontkennen niet alleen wat ze vroeger gezegd en genoten hebben, maar zelfs dat er een genadewerk is dat de Heere in de harten van mensen verheerlijkt.

Nu wordt het des te meer duidelijk dat de apostel niet de ware gelovigen, maar de schijngelovigen op het oog heeft. Bovendien is het niet toevallig dat deze passage voorkomt in de brief aan de Hebreeën, waarin herhaaldelijk wordt gewaarschuwd tegen verslapping en verachtering in de genade, maar waarin ook telkens weer wordt gewezen op de trouw van God en op de onveranderlijkheid van Zijn werk. Een voorbeeld dus ter waarschuwing, maar nog méér tot bemoediging.

De zonde tegen de Heilige Geest

In dit kader van afval en verharding kunnen we natuurlijk niet voorbijgaan aan wat bekend staat als 'de onvergeeflijke zonde' oftewel 'de zonde tegen de Heilige Geest'.

Van deze zonde wordt, behalve in de bovengenoemde tekst, nog op een tweetal plaatsen in het N.T. gesproken. Johannes schrijft erover in zijn eerste zendbrief: Er is een zonde tot de dood — voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidden' (1 Joh. 5 : 16). En Christus Zelf heeft er nadrukkelijk tegen gewaarschuwd: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Heilige Geest zal de mensen niet vergeven worden. En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden. Maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende' (Mt. 12 : 31—32).

Het is begrijpelijk dat dit woord van Christus velen heeft verontrust, ja dat sommige mensen erdoor in hevige aanvechting zijn gekomen. En elke pastor kent wel één of méér voorbeelden uit zijn pastorale praktijk van mensen die bij hem kwamen om te vertellen dat het hun voortdurend werd ingefluisterd dat ze de onvergeeflijke zonde hadden begaan. Wat moeten we hierop zeggen?

Allereerst moeten we ook deze tekst, evenals alle andere teksten in z'n verband laten staan. Onder welke omstandigheden heeft Christus dit woord gesproken? Mattheüs vertelt dat Hij zojuist iemand had genezen die blind, stom en door de duivel bezeten was. En terwijl de schare diep onder de indruk van dit wonder is, en terwijl de genezene zich over luid afvraagt of zijn Weldoener misschien de beloofde Messias is, spuien de Farizeeërs al hun laster: 'Deze werpt de duivel uit door Beëlzebul, de overste der duivelen'.

Tegen beter weten in zeggen dus de Farizeeërs dat het werk van de Heilige Geest het werk van de duivel is. En onmiddellijk daarop laat Christus deze scherpe waarschuwing horen: 'De lastering tegen de Heilige Geest zal de mensen niet vergeven worden'.

Wat is dus de zonde tegen de Heilige Geest? Tegen licht en beter weten in Gods werk voor duivelswerk verklaren.

De zonde tegen de Heilige Geest is dus niet uit onkunde of misverstand tegen het werk Gods ingaan. Dat hebben velen gedaan tijdens Jezus' omwandeling op aarde door Hem bijvoorbeeld voor een vraat en wijnzuiper, een vriend van hoeren en tollenaren te schelden. Dat heeft ook Paiulus gedaan voor zijn bekering, maar hij zegt zelf: 'Ik heb het gedaan in mijn onwetendheid'.

De zonde tegen de Heilige Geest is óók niet alle zonde die we bewust of opzettelijk bedrijven. David pleegde echtbreuk en moord met voorbedachten rade, en Petrus verloochende tegen beter weten in zijn Meester, en toch waren ze onschuldig aan de zonde tegen de Heilige Geest.

Ook Godslasterlijke gedachten en vloeken die soms in het hart van een gelovige opkomen — vloeken zelfs tegen de Heilige Geest — vallen nog niet onder de onvergeeflijke zonde. Want deze gedachten en vloeken willen we — als het goed is — onderdrukken en we hebben er verdriet over. Maar wanneer de Heilige Geest opzettelijk en bewust wordt gelasterd en Zijn werk in de harten van mensen tegen beter weten in tegengestaan en bespottelijk gemaakt wordt, dan is er sprake van de zonde tegen de Heilige Geest.

Voor deze zonde is geen vergeving, óók omdat er geen berouw van mogelijk is. Het is de uiterste verharding tegen de Heere en tegen Zijn genadewerk. En we denken nog even terug aan het woord uit de Hebreeënbrief: 'Het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest en de hemselse gave gesmaakt hebben... wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken...'

We kunnen gerust stellen dat zij die vrezen de onvergeeflijke zonde begaan te hebben, er onschuldig aan zijn. Alleen zij die deze zonde wèl gedaan hebben zullen er nooit last van hebben. Zij zijn een weg ingeslagen waarvan ze niet meer terug kunnen en willen komen.

En de ware gelovige blijft smeken, ook na z'n diepste val en in z'n hevigste aanvechting: 'Heere, neem Uw Heilige Geest niet van mij...'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Tijdgeloof 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's