Ik geloof in God 2
Wij hebben ons vorig artikel gebruikt als een algemene inleiding. Er blijkt heel wat te doen te zijn rondom het geloof in God. Blijkbaar kunnen wij vele kanten met dit geloof uit. Vele verschillende kanten, die in tegenovergestelde richting zich begeven. Nu is dat laatste ook wel gezegd van wat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis over het geloof in God belijdt. Men meent, dat het begin ervan zo vaag en zo algemeen is, dat het op velerlei manieren kan worden gevuld. Op het eerste gezicht lijkt dit ook wel zo te zijn. Er staat: wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is een enig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen.
Als wij dit zo lezen, dan klinkt dat wel erg algemeen. Er zijn er zelfs geweest, die gezegd hebben, dat deze belijdenis evengoed door een heiden als door een christen zou kunnen worden uitgesproken. Want ook een islamiet gelooft in een enig en eenvoudig goddelijk wezen. En in de Griekse oudheid zijn er ook velen geweest, die dit na hadden kunnen zeggen. Wat is dan eigenlijk het specifiek-christelijke van deze belijdenis?
Daar komt nog bij: ook al zijn wij christen, kunnen wij nog met een algemeen geloof deze belijdenis aangaande God uitspreken. Daar hoef je om het zo eens te zeggen nog geen waar geloof voor te bezitten. Dat kan ook nog wel met een traditioneel-historisch geloof. Komt deze belijdenis aangaande God dan niet in een wat twijfelachtig licht te staan?
Als wij echter goed lezen, blijken de bovengenoemde vermoedens toch niet op waarheid te berusten. Dat blijkt direct al aan het begin, als er gezegd wordt: Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond.
Dit woord doet ons onmiddellijk denken aan wat er staat in Rom. 10 : 10: Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid. Bij dit Schriftwoord wil onze belijdenis aansluiten. En dan is meteen daardoor ook duidelijk geworden, dat hier maar niet een onpersoonlijk, traditioneel geloof wordt bedoeld, dat wordt aangehangen door hen, die uitsluitend krachtens een traditie, waarin zij leven, geloven en niet vanuit een persoonlijk overtuigd-zijn. Nee, die kant wil de belijdenis niet op. Integendeel. Zij wil met deze woorden aangeven, dat ook het geloven in God, wanneer het goed is, het ware geloof is. Dat is het geloven met het hart. Dat is het geloven, dat vrucht is van de Heilige Geest. Dat is het geloven, dat geboren wordt in de ontmoeting met de levende God Zelf. Wanneer wij Hem ontmoeten, in Zijn heiligheid, maar ook in Zijn liefde, in Zijn gerechtigheid, maar ook in Zijn ontferming, als de ontzagwekkende God, maar ook als de tot ons komende God, in Jezus Christus, dan gaan wij instemmen met deze belijdenis. Dan gaan wij met ons hart in deze God geloven, en wij gaan Hem dan ook met onze mond belijden.
Het opmerkelijke daarbij is dan nog, dat de belijdenis zegt, dat wij dit allen doen. Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond. Hier blijkt het juiste evenwicht gevonden te zijn tussen het persoonlijke en het gemeenschappelijke van het geloof. Aan de ene kant is dit geloven in God een uiterst persoonlijke werkelijkheid. Het gaat erin om de ontmoeting tussen God Zelf en ons zelf. Dat is de persoonlijke geloofsgeschiedenis, die de Heere houdt met ieder van Zijn kinderen.
Maar er ligt in ditzelfde geloof ook een gemeenschappelijke trek. Wij geloven wel persoonlijk, maar wij geloven niet op ons eigen houtje. In dit persoonlijke geloven ervaren wij de gemeenschap met allen die met ons ditzelfde dierbare geloof deelachtig zijn geworden. Met dit persoonlijke geloof staan wij in de gemeenschap van de christelijke gemeente, en in de gemeenschap van de kerk van alle eeuwen.
Het is goed om beide kanten van het geloof in het oog te houden. Het persoonlijke èn het gemeenschappelijke. Wij geloven allen. Daar ligt zowel het persoonlijke (wij) als ook het gemeenschappelijke (allen) in opgesloten.
Wie waarachtig in God gelooft maakt met deze God een persoonlijke geschiedenis door, maar ook een gemeenschappelijke geschiedenis. Die mens staat ook in het grote verband van de geschiedenis der christelijke gemeente, en van de kerkgeschiedenis en zelfs van de ganse heilsgeschiedenis. Gods heilsgeschiedenis èn Gods leiding door Zijn Woord en Geest in ons persoonlijk leven grijpen duizendvoudig op elkaar in, zijn onlosmakelijk op elkaar betrokken.
Dus er is duidelijk hier sprake van het levend geloof in God, en niet van een algemeen geloof. Zo is er ook geen sprake van een algemene God, maar van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Ook hier zou de geloofsbelijdenis de schijn enigszins tegen zich kunnen hebben. Er wordt namelijk gesproken over een enig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen. Wie nu al te sterk de nadruk laat vallen op dat woord Wezen, is geneigd om te denken in de richting van een algemeen Godsgeloof. Want ook de Grieken spraken vaak, als zij het over God hadden, over een Wezen, een Zijn. God is voor de Griek het absolute Zijn, het Opper-wezen.
Maar het zou onjuist zijn als wij in deze zin de geloofsbelijdenis gingen verklaren. Wij vergeten dan namelijk, wat er onmiddellijk op volgt: nl. hetwelk wij God noemen. Dat laatste mag er geen ogenblik van weg-gedacht worden. Want daar gaat het nu juist om. De belijdenis aangaande God is de belijdenis van de Naam van God. En nu kan deze God wel omschreven worden als een enig en eenvoudig geestelijk wezen, maar waar het om gaat is, dat wij dit enig en eenvoudig geestelijk Wezen God noemen. Dat is Zijn Naam. Want wij noemen Hem God. Wij mogen hem dus de Naam geven van God,
Nu wordt er over die Godsnaam in onze tijd heel verschillend gedacht. Er wordt zelfs heel nonchalant en oneerbiedig over gedacht. Ik heb wel eens een predikant horen zeggen, dat die naam God alleen maar een kwestie is van drie letters. Maar als wij zo over God spreken, kennen wij Zijn Naam niet (meer). Dan horen wij Zijn Naam er niet meer in doorklinken. Dan wordt God een Wezen zonder Naam. Maar dat wil dan tegelijkertijd zeggen, dat deze God een wazige nietszeggende vaagheid gaat worden. Zo'n God kan dan met recht worden dood verklaard of gedegradeerd worden tot de grond van het Zijn.
Maar Gods kerk mag er meer in zien, in deze naam van God. Zij belijdt deze Naam, zij roept deze Naam aan, zij roept deze Naam uit, want zij bemint deze Naam. Die Naam van God is een sterke toren, een schuilplaats om geborgen te zijn in leven en in sterven.
Wat die Naam van God dan inhoudelijk betekent? Daarover hopen wij een volgende keer iets te schrijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's