De Middelaar van het Verbond 3
Het Verbond Gods
Begaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinnning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van ds. H. G. Abma, em. predikant te Gouda.
Ik maak in deze laatste bijdrage nog een vijftal notities. Ten eerste over het Verbond als mensvormig spreken in gelijkenis en betrekking tot de Middelaar; ten tweede over de plaats van de Middelaar in het Verbond, de positie, die ons noopt zo te denken en te spreken dat allerlei aspecten van de leer des heils gezien worden in één groot verband; ten derde over de betekenis van de Wet met betrekking tot de functie van de Middelaar van het Verbond; ten vierde iets over het werk van deze Middelaar in het kader van het Verbond en tenslotte een slotopmerking over wat Boston verrassend noemt de 'inhuldiging in het Verbond'.
Beeld en gelijkenis
Wanneer we eerder de opinie hebben afgewezen, dat het Verbond iets zou zijn als een Idee, zodat dientengevolge het Verbond, op die manier opgevat, zich als een storend en scheidend element zou indringen in het waarachtig levende Verbondsleven, dat gekend wordt in de geloofsverhouding tussen de Drieënige God en Zijn uitverkoren kind, betekent dat in feite dat we openstaan voor de gedachte dat het gebruik van gelijkenissen ontleend aan verbondsbetrekkingen bestaande tussen volken, groepen en personen (b.v. huwelijk), valt onder het mensvormig (antropomorf) spreken Gods. Gods verkondiging ontleent beelden aan het menselijk leven. We mogen ons daarbij echter nog wel afvragen in hoeverre God, als Hij op deze beelden beslaglegt, verklarend teruggrijpt op het Zijne, te weten Zijn beeld en gelijkenis, waarnaar de mens is geschapen. Dat opent belangwekkende perspectieven inzonderheid wanneer we daarbij de gedachte aan de Middelaar van het Verbond betrekken in Zijn kwaliteit als Tweede Persoon, als het Woord Gods. Immers het simpele woord dat heen en weer gaat tussen mensen verbindt en onderstelt een verbond. Ik moet het helaas bij deze wegwijzer laten.
Samengevoegd in één geheel
De voornaamste teneur van mijn bijdrage was tot hiertoe een waarschuwing tegen een geïsoleerde benadering van het hele complex, dat wordt opgeroepen wanneer we het woord Verbond laten vallen. We mogen het Verbond niet isoleren. Vereist wordt wat ergens genoemd is een inclusief denken, dat wil zeggen, denken van het geheel van de bijbelse gegevenheden. Inclusief denken en spreken in het geloof, dat volstrekt in de geest en naar de aard van het Verbond allerlei elementen verenigt. Misschien kan ik het op de volgende manier het gemakkelijkst duidelijk maken. Ik veronderstel dat u weet wat Comrie bedoelde te zeggen in zijn bekende boekwerk: Het A.B.C. des geloofs'. Te weten: Verhandeling van de benamingen van het zaligmakend geloof volgens de letteren van het alphabet'. Welnu, hoewel het niet is gebeurd, zou onder de verschillende verhandelingen als aankleven, geven van hart en hand, kiezen, komen en kussen niet misstaan hebben onder de letter V een beschouwing over Verbond-maken. M.a.w. onder de 'veel meer andere woorden' van Handelingen 2 : 40 hoort ook het woord Verbond, trouwens in het: 'U komt de belofte toe' verschijnt buiten twijfel dit Verbond. Immers in art. 17 van de N.G.B, getiteld: Van de wederoprichting van de gevallen mens, lezen we in wezen de oprichting van het Genadeverbond. Toen de mens al bevende vlood, heeft God Zichzelf begeven om hem te zoeken en dan staat er: belovende hem Zijn Zoon te geven. Die worden zou uit een vrouw, om de kop van de slang te vermorzelen en hem gelukzalig te maken'. U zietl Als het gaat over de gave van Gods Eniggeborene, over aanbieding van het heil, over Verkiezing, over oproep tot bekering, vermaning tot geloof, over de beloften Gods en tenslotte, wat ons onderwerp aangaat, over het Verbond dan moeten we dat allemaal integreren (tot één geheel samenvoegen) en niet tegen elkaar uitspelen. Dat laatste gebeurt wanneer we bijvoorbeeld Verkiezing en Verbond scherp tegenover elkaar plaatsen en suggereren dat we gelet op de Verkiezing nauwelijks durven geloven, terwijl we dank zij het gegeven van het Verbond dat uiteindelijk toch nog wel gaan doen. Hier is te denken aan het 'wel... maar ook' van antw. 11 van de catechismus, een uitdrukking die we ook elders in de belijdenis aantreffen, waardoor het ene niet in mindering komt op het andere, maar waardoor het ene het andere luister bijzet. Geen van de woorden of gedachten mag het hele veld tiranniseren. Dat gebeurt echter wel, wanneer we de opvatting van ons verduisterd verstand aangaande de Verkiezing (iets anders dan Verkiezing als stuk van het geloof) het ganse geloofsgoed laten overheersen, en waardoor, met beste bedoeling doch in feite vanuit dezelfde fout, wordt uitgelokt dat wij de Verbondsgedachte als verweer daartegen aanrollen. Wat voor ons verstand tegenstrijdig en onverenigbaar lijkt is dat voor het geloof niet. De samenvoeging van vele bestanddelen tot één harmonisch totaal betekent een optelsom van de hoedanigheden.
De trouw van God
Het Verbond brengt naar voren de onvoorstelbare en onbezweken trouw Gods, die openbaar komt in al Zijn heilswerk. Toen het volk Israël volkomen vervreemd was in Egypte, waar het zuchtte onder de harde dienst, en toen het van ellende, wie weet, beloften en toezeggingen vergeten was of vergeten achtte, gedacht God aan Zijn verbond. Toen — hier geldt het een vergelijking — David lang en breed en hoog en heerlijk koning was, vroeg hij of iemand van het huis van Saul was overgebleven, opdat hij weldadigheid aan hem zou doen. Om Jonathans wil. Vanwege het verbond met Jonathan gesloten. Het fs steeds weer na algehele afmaking, na langdurige afsterving en dood, na rechtmatige toornverwekking en na schier eindeloos en onveranderlijk oordeel de vonk van het Verbond. 'Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond; laat dat Uw hart tot ons in liefd' ontvonken'. Zie ook psalm 106 om de onbegrijpelijke en unieke betekenis en rijkdom, de verrassende reserve van het Verbond, te beseffen. 'Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veel heid Zijner goedertierenheid'. Nademaal ook deze een dochter Abrahams is, sprak Christus. Het Verbond geeft mateloze dimensien aan de lengte van de lankmoedigheid en de hemelhoogheid van Gods trouw. Te denken is aan Romeinen 11. Dit is hun een Verbond van Mij, lezen we èn voorts: De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. In die gadeloze trouw leeft de Verbondsmiddelaar Zich geheel en al uit. Hij betoont Zich de Getrouwe. De meerdere David en diens grote Zoon vraagt: Is er nog iemand van het huis van Saul? Dank zij de inbreng van het Verbond gaat de belofte en gaat de heilsboodschap tot de allerverste einden. Al loopt het allemaal ten dode, al gaan alle wegen dicht en verdwijnen de laatste mogelijkheden, zodat verwachtingen ten gronde gaan, dan is het Verbond nog niet uitgeput. Zo Hij mij doodde, zoude ik niet hopen? Dat is taal van het Verbond. Zo wij ontrouw zijn. Hij blijft de Getrouwe. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij houdt trouw tot in eeuwigheid en laat niet varen de werken van Zijn handen. Hierin zien we de onbeschrijfelijke troost van het Verbond en de stralende heerlijkheid van de Verbondsmiddelaar.
Nogmaals: het Verbond is niet een alternatieve weg naar het heil, die wat gemakkelijker is. Het Verbond zegt, dat er hoop is in het meest hopeloze geval, doch tevens dat de wraak geducht is aangezien het indringend en vast wordt verzekerd van kind tot kind. Het mes snijdt naar twee kanten. Het absolute genadekarakter wordt vlijmscherp toegespitst, maar niet minder de onontwijkbare verantwoordelijkheid. Want dan kunnen we onze fundamentele, vaak in de verste verte niet besefte vijandschap zelfs niet kwijt via een schijnvroom en lui beroep op het heilgeheim van de uitverkiezing. Het valt op dat in Romeinen 11 de wondere geheimenissen van Verbond en Verkiezing tegen elkaar tot op het hoogst worden opgedreven tot beider uiterste roem.
Ik ben niet tevreden over het gemak, waarmee het Verbond der werken als verbroken wordt opzij gegooid. Het Verbond der werken opent geen weg ter zaligheid, maar de eis blijft levensgroot en onontkoombaar overend. Doet God geen onrecht, dat Hij eist, dat wij niet kunnen doen? Dit Verbond wordt als het ware opgelost in het Genadeverbond. Tot glorie van de Middelaar daarvan. Hij draagt immers de heilige Wet in het binnenste van Zijn ingewand. Tenslotte heeft de wet een onvervreemdbaar recht. Dank zij de Middelaar van het Genadeverbond wordt het recht der wet vervuld in allen, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest. Wanneer we in de Verbondstheologie terecht gebruik maken van termen als: beter — b.v. in beter Verbond — hoeft dat stellig niet te betekenen, dat het betere dan ook per definitie de vijand behoort te wezen van het goede.
De tweeëenheid van Christus' Middelaarswerk
De Middelaar van het Verbond is God ten overstaan van de mensen en volkomen en rechtvaardig mens voor het aangezicht Gods. Hij is God zonder dat dat in mindering komt op zijn mens-zijn, en Hij is mens zonder dat dat in mindering komt op Zijn God-zijn. De tweeëenheid van Zijn Middelaarswerk gaat ons klein begrip ver te boven. We zien en ervaren de zoetste vruchten, doch doorgronden geenszins. Hij verwerft. Hij deelt uit en past toe. Hij is Goël, Borg en Priester van het Verbond. Hij is de Testamentmaker maar ook de Executeur, de Getuige en Uitlegger, de koninklijke Bestierder en de priesterlijke Voorspraak,
Hij is de Insteller en ware Bedienaar van de sacramenten, opdat wij vast zouden geloven dat we tot het Genadeverbond behoren. Hij is Alfa en Omega, Begin en Einde van het ganse Verbond der genade. Vandaar ons verlangen om ter afwisseling en ter verheldering te spreken van het Verbond van de Middelaar. Het Verbond, dat tot de volheid van de tijd opgaat tot Hem en sedertdien van Hem uitgaat tot deze dag.
Uitzicht
Tenslotte is de grote vraag of wij mogen behoren tot dit Verbond. Het komt in wezen neer op de vraag of wij Zijn eigendom zijn, de vraag naar de enige troost. Het gij zijt van Christus en Christus is Gods is een bondige hoofdsom van de voorname hoofdinhoud van het Verbondsgeheim. Het Verbond staat wijd open en is present in de Middelaar. Het is vast en welgeordineerd. Er is niets in, dat we eruit zouden willen hebben en er in niets uit, dat er noodzakelijk in is. Het Verbond biedt schitterende voordelen, die gratis zijn. Voor dorstigen ja juist voor dwazen, die zich afbeulen geld uit te geven voor wat nimmer verzadigen kan. Uitzichtloze activiteit, die tot niets voert. Aan het einde van al onze wegen vangt Hij op. In Zijn armen beduidt: eeuwig in Zijn Verbond. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig Verbond maken. We lezen dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David. Door het Woord des levens bewerkt de Tweede Adam, de levendmakende Geest dat de ziel van de verloren zondaar verbonden wordt aan de ziel van de Verbondsmiddelaar. Dat is contact maken, dat is verbond maken.
Is er enig middel, waardoor... ? Ik ken geen middel, weet van geen middel, o ongetrooste, maar hoort er is een Middelaar, het Verbond Zijns volks. Hoort Hem, neigt uw oor en Hij maakt een eeuwig verbond met u.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's