Het gebed van Christus en zijn gemeente
Het gebed
De biddende Christus
Wanneer we na het Oude het Nieuwe Testament opslaan, ontmoeten we in de evangeliën in de eerste plaats de biddende gestalte van de Heere Jezus Christus Zelf en we doen goed met aandacht op Zijn bidden te letten.
Eigenlijk is dat een zeer wonderlijke zaak dat Hij, van Wien wij belijden, dat Hij is 'God geopenbaard in het vlees' (1 Tim. 3 : 16) en Die als waarachtig God alleen aangebeden kan worden en tot Wien alleen gebeden kan worden. Zelf bidt. Als er één ding is waarin uitkomt, hoezeer de Heere waarachtig mens is geworden, ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, dan is het daarin, dat Hij bidt. God kan niet bidden. Het bidden, waarvan in 2 Cor. 5 sprake is ('alsof God door ons bade') in alleen maar een dringend appèl der liefde, dat Hij doet uitgaan tot verloren mensen. Maar bidden in de zin van afhankelijkheid, onderworpenheid en gehoorzaamheid, verwachting en dankzegging, neen dat kan niet.
Des te opmerkelijker is, dat Jezus' leven telkens gekenmerkt wordt door het gebed. Soms bidt Hij op een berg alleen (Matth. 14 : 23) en dan weer zoekt Hij eenzame woeste plaatsen op (Marc. 1 : 35, Luc. 5 : 16). Soms onderbreekt Hij Zijn spreken of handelen met een kort gebed. Hij dankt de Vader zomaar, spontaan, dat Hij naar Zijn welbehagen dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft, die Hij de kinderkens openbaart (Matth. 11 : 25). Bij het graf van Lazarus dankt Jezus, dat de Vader Hem altijd hoort (Joh. 11 : 41, 42). Bij de genezing van de doofstomme ziet Hij op naar de hemel en zucht (Marcus 7 : 34). Soms leren we, dat Hij een nacht overblijft in het gebed (Luc. 6 : 12). Maar vooral de grote gebeurtenissen in Zijn omwandeling op aarde worden gedragen door het gebed. Toen Hij gedoopt werd in de Jordaan ontving Hij biddende de zalving van de Heilige Geest, opdat Hij de Christus, de Messias zou zijn (Luc. 3 : 21, 22). Zo was het ook, toen Hij Zijn 12 discipelen ging kiezen (Luc. 6 : 12, 13). Toen Hij in gebed was, werd Hij verheerlijkt op de berg (Luc. 9 : 28, 29). Gethsemane en Golgotha worden biddend doorleden: Gethsemane in Zijn worstelen om de aanvaarding van de drinkbeker van het lijden. En op Golgotha zijn het eerste en het laatste kruiswoord een gebed tot de Vader (zie ook Hebr. 5:7).
Het priesterlijk gebed
Maar nergens wordt ons zulk een blik gegund in het gebedsleven van de Heiland als in het zg. 'hogepriesterlijk' gebed (Joh. 17). Daar ziet de Heere heel Zijn werk in eeuwigheidslicht. Er was heerlijkheid bij de Vader, eer de wereld was. Maar Hij heeft de uit de eeuwigheid stammende opdracht aanvaard en vervuld terwille van degenen, die de Vader Hem gegeven had. Nu staat Hij op het punt heen te gaan, na de voltooiing van het werk, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft. Maar Hij bidt voor degenen, die in de wereld achterblijven, doch niet meer van de wereld zijn. Hij bidt om hun bewaring van de wereld evenzeer als voor hun onderlinge eenheid in de liefde, opdat zij en degenen, die door hun woord in Hem geloven zullen, eenmaal Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen en delen in die liefde, waarmede de Vader de Zoon liefheeft en in Hem, degenen, die Hem kennen.
Dit gebed heet terecht het hogepriesterlijk gebed. Wel heeft de Heere Jezus ook voor Zichzelf de gebedsgemeenschap nodig met de Vader, om uit de verstikkende moerasdampen, uit deze door de zonde vergiftigde atmosfeer, adem te halen en kracht te ontvangen om het pad der gehoorzaamheid ten einde toe te lopen. Maar het diepste is toch het priesterlijke bidden, waarin het voorspel ligt van de hogepriesterlijke bediening van het gouden reukaltaar in Zijn heerlijkheid, waarin Hij altijd leeft om voor de Zijnen te bidden (Hebr. 7 : 25). Daarover spreekt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis in het buitengewoon mooie artikel 26. Wanneer we willen weten, wat die verheerlijkte Hogepriester daar bidt, dan geeft Joh. 17 ons daarin enigermate een blik. De inhoud van Zijn bidden mag niet versmald worden tot een gebed voor de eenheid van Zijn gemeente. Hij bidt niet minder voor de bewaring van degenen, die de Vader Hem gegeven heeft en die niet van de wereld zijn. In vers 17 klinkt het: Heilig ze in Uwe waarheid; Uw Woord is de waarheid. Hij bidt ook voor degenen, die door hun woord in Hem geloven zullen. Hij trekt een scheidslijn tussen de wereld, die Hem niet gekend heeft en degenen aan wie Hij de Naam Zijns Vaders heeft geopenbaard en die eenmaal zullen zijn waar Hij is, om de heerlijkheid te aanschouwen, die de Vader Hem gegeven heeft.
Overste Leidsman
Ook in Zijn bidden is Jezus Christus de overste Leidsman. Ook daarin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten (1 Petr. 2 : 21). En dan valt ons op, dat hier geen ogenblik de spontaniteit van Zijn bidden belemmerd wordt door Zijn wetenschap omtrent de raad Gods en de noodzakelijkheid van het 'moeten' van al de dingen, die Hem wachten. Als de Zone Gods weet Hij alle dingen. Als de Zoon des mensen heeft Hij de Geest ontvangen en dat niet met mate. Maar dat neemt niet weg, dat Hij uit de beleving van de onmiddellijke situatie spreekt tot de Vader en dankt en bidt.
Wij moeten zo vaak oppassen, dat de stroom van ons bidden niet gestremd wordt door onze theologische overleggingen. Want dan gaat de spanning van de levenswerkelijkheid eruit.
In Zijn spoor trekt de Heere Jezus Zijn gemeente mede. Voortdurend wekt de Heere Jezus Zijn discipelen op om te bidden. Hij doet dat met directe woorden, waarin Hij vermaant om voort te gaan van bidden tot zoeken als naar iets kostbaars, dat we kwijt zijn en niet missen kunnen, en tot kloppen, waarvoor gesloten deuren opengaan. Maar Hij doet het ook met tal van gelijkenissen, die er op aandringen in het bidden niet te vertragen. Zelfs een onrechtvaardige rechter, die God en geen mens ontziet, zal een arme weduwe, die bij hem aanhoudt, recht doen; en midden in de nacht zal iemand opstaan om zijn buurman aan brood te helpen voor zijn gast, bezwijkende voor de niet aflatende vraag om hulp. Als aardse vaders, die een boos hart hebben, hun kinderen geen stenen voor brood geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader goede gaven geven, in het bijzonder de Heilige Geest, aan degenen, die Hem bidden (Lucas 18 : 1—8; 10 : 5—8; 11—13).
De uitstorting des Heiligen Geestes wordt voor de discipelen en hun medegelovigen niet een beredeneerd volgend punt van Gods programma, maar een zaak van eendrachtig gebed, dag in dag uit. Die Geest gekomen op het Pinksterfeest doet ook daarna volharden in de gebeden (Hand. 1 : 14; 2:42).
Temidden van de eerste vervolgingen van de zijde van de Joodse Raad, verheffen zij hun stem tot God, Die antwoordt door de plaats van hun samenkomst te bewegen en hen te vervullen met de Heilige Geest (Hand. 4 : 24—31). De eerste diakenen worden met gebed en handoplegging tot hun dienstwerk ingeleid (Hand. 6:6). Voordat Petrus en Cornelius elkander ontmoeten zijn beider gebeden in Joppe en. in Caesarea reeds opgezonden tot de levende God (Hand. 10:4; 11 : 5). De uitzending van Paulus en Silas, het begin van het grote zendingswerk der christelijke kerk, wordt gedragen door gebed en vasten. En eveneens met gebed en vasten institueren de apostelen de jonge gemeenten in Klein-Azië, en dragen ze op aan de Koning der Kerk, Die blijft ook als Zijn dienaren voortgaan (Hand. 11:3; 14 : 23). Daarbij onderstreept het vasten de concentratie van het hele gemeenteleven op het gebed. Alle andere deuren worden gegrendeld, opdat niets zal storen, wanneer zij in deze grote ernst en aandacht tot God naderen.
Dat bidden heeft allerminst een strak rituele, ceremoniële vorm. Het klimt telkens uit geheel verschillende omstandigheden op tot God en geeft aan Paulus de rust om temidden van storm en doodsgevaar de leiding te nemen op het schip, dat bij Malta schipbreuk leidt (Hand. 27:35).
In Paulus' eigen leven wordt de grote ommekeer aan Ananias bekend gemaakt met de woorden: Zie, hij bidt (Hand. 9 : 11). Geen wonder, dat de wederzijdse verhouding tussen hem en de gemeenten, wier geestelijke vader hij is, wordt gekenmerkt door een levendige wederkerige voorbede. Hoe vaak zegt Paulus het tot de gemeenten, dat hij gedurig in zijn gebeden aan haar denkt (Rom. 1 : 10; Fil. 1 : 9; Efeze 1 : 16; Col. 1 : 3, 9; 4:12; 1 Thess. 3 : 10; 2 Thess. 1:11; Filemon:4). Omgekeerd heeft hij er behoefte aan, dat de gemeenten voor hem bidden (1 Thess. 5 : 25; 2 Thess. 3:1).
In dat bidden ziet Paulus niet alleen zichzelf nauw betrokken bij het leven der gemeenten, maar ook omgekeerd. Hij vraagt de gemeente in Rome om met hem te strijden in de gebeden tot God (Rom. 15 : 30). Van de Corinthiërs is hij overtuigd, dat zij mede-arbeiden voor hem door het gebed (2 Cor. 1 : 11).
De waarde van het gebed
Merkwaardig is wat Paulus aan Filemon schrijft: Hij vraagt hem, om zo te zeggen, de logeerkamer vast voor hem in orde te brengen, want hij hoopt, door hun gebeden aan Filemon en de zijnen, waaronder ook Onesimus, geschonken te zullen worden. Zo hoog slaat de apostel de waarde van het gebed aan (Filemon:22). Jacobus verwijst naar het gebed van Elia als bewijs hoeveel het gebed des rechtvaardigen vermag (Jac. 5 : 16—18). Dezelfde apostel ziet als oorzaak van geestelijke armoede en onderlinge strijd het gebrek aan gebed. Men bidt niet, of men bidt verkeerd met vleselijke bedoelingen (Jac. 4:2, 3). Of men bidt wel, maar zonder het rechte vertrouwen in die God, tot Wien men bidt (Jac. 1 : 5, 6).
Het gebed zit helemaal ingeweven in het levenspatroon, niet alleen van het individuele leven, maar ook van het gezinsleven. De omgang tussen man en vrouw wordt beïnvloed door het gebed. Terwille van een intens gebedsleven zal de intieme omgang onderbroken kunnen worden (1 Cor. 7:5). Omgekeerd zal een liefdeloze omgang tussen man en vrouw een rem betekenen voor het gebed (1 Petr. 3:7). Het nuttigen van spijs en drank, de seksuele omgang, heel het gebruik van Gods goede schepping, wordt, in het gebed voor Gods aangezicht gebracht, in rechte wegen geleid (1 Tim. 4:5).
Niet alleen het leven van gezin en gemeente, maar ook het wereldleven, wordt naar de Schrift aan God opgedragen. Hij wil immers de wereldgeschiedenis dienstbaar maken aan de komst van Zijn Koninkrijk. Daarom spreken Israels profeten niet alleen tot de enkeling, maar ook tot koningen en vorsten. Zij hebben een boodschap ook van Egypte en Babel (waarvoor Israël in zijn ballingschap geroepen wordt te bidden). Daarom neemt de keizer van Rome zijn plaats in in de geboortegeschiedenis van de Koning der joden; en zijn stadhouder in, die van het lijden van de Heere Jezus. God heeft deze verloren wereld ter wille van de uitvoering van Zijn raadsplan niet aan haar eigen chaos overgegeven, maar Hij geeft overheden om haar te regeren en ordeningen te bestellen. Hij gordt hen, ook al kennen ze Hem niet (Jes. 45 : 5). Voor alle mensen, maar dan in het bijzonder voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, wil de apostel, dat wij smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen (let op deze veelheid van uitdrukkingen) zullen doen, opdat wij een stil en gerust leven zullen lijden... Neen, zo eindigt de zin niet. Het gaat er niet om, dat wij hier de vreemdelingschap zouden vergeten, omdat het zo goed wonen hier is, maar om de godzaligheid en eerbaarheid. Maar het tekstverband in 1 Tim. 2 laat zien, dat de apostel veel verder ziet dan ons rustig leventje en zelfs ons persoonlijk behoud. Hij ziet die wereldgeschiedenis door God geregeerd om 'dienstbaar te zijn aan de komst" van Zijn Koninkrijk, dat mensen uit allerlei kring vergadert..
Tenslotte: De wereldgeschiedenis blijft ondanks de verkondiging van het evemgelie onder alle volken (Matth. 24:14), een donkere, bewogen geschiedenis, die niet geleidelijk zich oplost in een ideale samenleving, maar na-allerlei zwaargeladen akkoorden vol dissqnanten afgesloten wordt door het geweldige slotakkoord van de verschijning van de grote God en Zaligmaker (Titus 2 : 14). Vooral in het laatste bijbelboek richt zich het bidden der gemeente op die machtige ontknoping in haar gebed: om, Heere Jezus ja, kom haastig.
Daarna zal er niet meer gebeden worden. In de verlorenheid niet. Daar is wel de kloof, maar geen brug. In de heerlijkheid niet. Daar is geen kloof meer. Daar blijft alleen de aanbidding over. Ook daarvan is de Openbaring van Johannes vol (zie Openb. 5 en 7). (wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's