De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

En....

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

En....

6 minuten leestijd

En het Woord des Heeren geschiedde tot Jona, de zoon van Amittai... Jona 1 : 1

Hebt u er weleens over nagedacht hoe eigenaardig het is, dat dit bijbelboek begint met het voegwoord 'En'? Wij beginnen in onze correspondentie toch nimmer een brief met dit woord! De Heilige Schrift doet het hier onbekommerd. Wat voor zin zit daarachter?

Laten wij allereerst vaststellen, dat het een algemene formule is. Het woord smeedt openbaringen Gods en geschiedenissen tot één groot geheel aanéén. Wanneer wij de Hebreeuwse taal raadplegen, zo blijkt ons dat het woordeke 'en' voortdurend wordt gebruikt aan het begin van zelfstandige bijbelboeken. Ten bewijze daarvan noemen wij de boeken Jozua, Richteren, het eerste boek Samuel, Esther en Ezechiël. In de Statenvertaling is dat niet immer even klaar, maar wel in de oorspronkelijke taal.

De Godsopenbaring van het Oude Testament wordt daardoor aangeduid als een ononderbroken voortgaande stroom. Na het een komt het andere. Gods stem zwijgt niet, maar spreekt voort... 'En' — het verbindt het heden aan het verleden, en hecht het verleden aan het heden. De goddelijke boodschappen staan niet alleen; zij worden aan degene, die tevoren gezonden zijn gebracht. Zo gebeurt het nu ook met de goddelijke boodschappers. Het Woord van God kwam tot Abraham, Mozes, Elia — 'en' nu ook tot Jona! Wat lijkt hij intussen armelijk vergeleken met de genoemden. Toch was óók hij in het goede gezelschap der profeten.

Daaruit mogen wij al direct een grote vertroosting opmerken. Misschien hebben wij kleine gaven, en smalle kansen — nochtans kunnen wij Gods dienstknechten wezen en verkeren in de lijn van de groten uit het verleden, als we maar in gehoorzame onderwerping aan het Woord des Heeren verkeren. De Heere vraagt niet in de eerste plaats hoeveel gaven wij hebben ontvangen, maar wat wij met die gaven doen. Denkt u maar eens aan de gelijkenis van de talenten. De ene dienstknecht had er vijf, de andere tien, en een derde één — maar ze ontvangen allen dezelfde vermaning: doet er winst mede! Handelt ermee in verantwoordelijkheid aan de goddelijke gever. 

Tertius, de secretaris van Paulus, bij het schrijven van de brief aan de Romeinen, had maar een heel eenvoudig werk te doen, maar dacht u ook niet, dat hij zijn hart en ziel in het handschrift heeft gelegd? De verblijdende gedachte mag daarin schuilen: ook het werk der eenvoudigheid is waard gedaan te worden. Want hoe zouden wij nog ooit van de brief aan de Romeinen hebben gehoord, wanneer Tertius niet als secretaris was gebruikt? En wat dunkt u: moest het Israëlitische slavinnetje van Naaman niet worden gehanteerd als middel ter genezing.Zij wees de weg, die haar heer moest gaan. En alzo was zij degene, die de richting in het leven van Naaman veranderde. Ge weet nooit of te nimmer welke eeuwige vrucht uw stille arbeid in het Koninkrijk Gods nog heeft. Zij dat tot bemoediging voor stille arbeiders. Hun namen worden niet bekend. Hun roem niet gehoord. Maar indien zij slechts trouw worden bevonden, is hun dienst van niet minder waarde dan die der groten.

God heeft de gewone arbeiders niet minder lief dan de buitengewone. De gewone arbeiders zijn verreweg het grootst in aantal. Daar ligt in deze vergelijking: kometen vallen op door hun duizelingwekkende vaart in het luchtruim. Toch stralen de sterren het getrouwst. Want kometen doen uw adem stilstaan van ontzag. Maar vergis u niet: ge hebt als zeeman de sterren nodig om uw weg door de golven met zekerheid te bepalen. De sterren....maar niet de kometen.

En het Woord des Heeren geschiedde tot Jona — neen, onze profeet bracht het in die dienst van God er niet zo bijzonder goed af. Het was maar een kreupele profeet, die vluchtte voor zijn werkgever en opdracht. Maar hij verkeert ook hierin niet als een uitzondering. Daarin verschilde Jona niet in het minst met de groten als een Abraham, een Mozes en een Elia. Zij zuchtten onder hun last. Ze beefden en weerstreefden menigmaal om te gaan. Begrepen Gods bedoeling niet. Verkeerden in den blinde. Steigerden ertegen op. Net als wij, wij doen liever wat wij zelf willen. Of ge nu een grote zijt in het Koninkrijk of een simpele ziel in een achtergebleven gebied — deze les leren wij allen. God neemt altoos mensen in Zijn dienst, die aanvankelijk weigeren. Ze zien er de zin niet van. Ze vinden zich te jong als een Jeremia, ze kunnen niet spreken als een Mozes, ze zijn moedeloos als een Elia. Ze vrezen voor mensen. Wij cirkelen rond in het doolhof van onze uitvluchten. De Heere moest eigenlijk zeggen: ga heen! Ga maar weg!

Maar weet u, wat dan het grote wonder is? Dat God nooit zegt: stop, maar altijd weer 'en'. Want als het ene woordje 'stop' had weerklonken, lagen wij in de reddeloosheid, buiten God en Zijn Woord. Maar dit is Gods grote verrassing: God spreekt op ons 'halt', altijd opnieuw: 'en!'
Het Woord Gods kwam na Jona's ongehoorzaamheid opnieuw. Met onweerstaanbare kracht en leven. Met ons gaat het in eigen kracht op een einde. Maar God weet altijd 'en' te spreken. Omdat Hij dwars door onze onmogelijkheid heen het kruis van Christus in de wereld heeft geplant. Daar hebt ge Gods hand ons toegereikt in al onze verlorenheid! En nu scheen het daar in Christus' verzoeningsarbeid ook uit te lopen op een 'uit'. Maar het werd toch 'en', want Christus stond ten derden dage op uit het graf. De schuld was verzoend, de zonde geboet. Maar nu moet ook het leven worden aangebracht. Zo alleen komt Christus' kracht ons ten goede.

En die kracht uit de opstanding van Christus is nooit uitgeblust. De dood zegt uit, af, weg, stop! ... Maar het leven roept: en, vóórt, dóór... naar de ere Gods. Lieve vrienden, de Schrift waarschuwt ons dringend, dat het met al het onze ten einde loopt. Onherroepelijk en absoluut. Trouwens, de Geest onderwijst ons door het Woord telkens opnieuw van ons tekort. Zien wij wèl, dan is het werk des Geestes nooit anders dan zeggen: uit is het met u. Uit, met uw hersenspinsels.. Uit, met uw willen en kunnen. Uit, met al het uwe voor God. Maar de Geest overtuigt niet alleen dodend en afbrekend het onze. De Geest doet meer.

Hij zegt: En.
Wij staan in deze haveloze wereld naakt voor God. Wij hebben het vonnis verdiend. Daar willen wij wel niet aan. Maar daar zullen we toch onder komen. Tenzij, tenzij dan, dat ook in uw leven dat 'En' een diepe zin vervult.
Goddeloos in onszelf. En toch Gode levende in Christus Jezus. Veroordeeld èn nochtans vrijgesproken.
Straks het graf in èn toch met Christus in het paradijs. En... dat is het evangelie. Gods voortgang. Kinderen, het is Pasen geweest! Doodgeweest is Christus. En ziet Hij leeft in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

En....

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's