Verbond en belofte 2
Het Verbond Gods
Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinnning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van drs. A. de Reuver, predikant te Tholen
Volkomen in de Zoon
Onder de volkomenheid van de belofte in de Zoon zijn twee zaken te verstaan. Ten eerste heeft God in Christus het onuitwisbare uitroepteken gezet achter het geheel van Zijn beloften. Ten tweede heeft de Zoon ais de Borg van het verbond die beloften beaamd en verzegeld.
Achtereenvolgens willen we beide componenten confronteren met ons uitgangspunt: Ik zal u tot God zijn. Onderstreepten we in het eerste gedeelte de woorden 'Ik zal', nu leggen we de vinger bij '(u) tot God'.
God onderlijnt jegens de Zoon zijn belofte: tot God zal Ik u zijn. Maar dat gaat paradoxaal toe. God neemt Zijn Zoon, Die toch doelwit en hoofdsom 8) van de heerlijkste beloften was, uit Zijn schoot, legt Hem in de schoot van zondaressen als Eva, Thamar, Rachab, Ruth, Maria. Ja, moeder van de Ene Levende. Maar vlees. Werd het Woord uit zulk vlees? Niet alleen. Het werd vlees. Daar is de kruisgestalte van de belofte ten teken van de ballingschap een type van. Hier gaat alle glorie teloor. Zó is de Heere tot God! Op dit (heils)handelen preludeert de schepping reeds: licht uit duisternis!
Christus wordt gebaard uit Maria's schoot. Neergelegd in een kribbe. In de schoot van een paar balken. Nog even en de kruisbalk wordt opgericht. Geen plaats voor Hem. Bij Zijn doop gaan alle baren van de Jordaan Hem over het hoofd. Het zijn de wateren van Gods oordeel. God? Ja, zo is God Zijn God. Zo is God God. Hij wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. De straf op de Zoon. Zondeloos en smetteloos gaat het Lam de weg van de Vader. Nochtans algeheel veroordelenswaardig, verwerpelijk. De wateren (oudtestamentisch beeld van demonische vernietiging) stijgen als bij springtijd. Storm wakkert het vuur van Gods gramschap aan. De vlam blakert Christus' ziel. Waar is de belofte van Jes. 43 : 2: ls gij door het water zult gaan, zal Ik bij u zijn, en de vlam zal u niet aansteken? Waar is de belofte 'God zal Ik zijn', nu de wereld zijn handen wast in onschuld, de godsdienst Hem naar het kruis hoont, de Zijnen Hem verlaten èn de Vader Hem verlaat? Waar, als de Middelaar in de schoot der aarde sterft als tarwegraan? Waar? Juist daar! Gods belofte is niet volkomen ten koste van Zijn heilige toorn. God gaat recht door zee. En Zijn belofte gaat erin mee. En Zijn Christus gaat erin onder. Waarom is de belofte dierbaar (2 Petrus 1:4)? Omdat zij bloed kost. God is God voor Zijn Zoon. Maar dan ook geheel. Door gericht en dood heen, is de belofte volkomen. De God van de belofte is die God die de zonde dodelijk haat en straft. Maar ook die God die de doden verwekt. Het graf springt open. Ik ben u tot God, luidde de belofte. En 't is volkomen waar. 'Gij zijt Mijn Zoon', hoort Christus uit Zijns Vaders mond (Hd. 13 : 33). En God is God gebleven. God is voldaan. De belofte volkomert.
Waar klinkt nu Christus' amen op de belofte? Over dit borgtochtelijk geloof samen (de uiterste spits van het Borgwerk) is de Schrift sober, maar niet vaag. De Middelaar houdt Zich van meet aan bij en aan het Woord. Hij zei amen op de belofte aangaande de Knecht des Heeren: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld" (Lc. 4). Hij ontbindt de wet niet, maar vervult die (Mt. 5). Gaande naar de Olijfberg, zingt Hij de Lofzang (Mt. 26). Zijn gevangenneming geschiedt opdat de Schriften vervuld worden (Mt. 26, vgl. ook Lc. 22 : 37). In de doodsnood van de kruisiging verlaat Hij Zich op het Woord. Tot en met Zijn laatste kruiswoord. Voleinder van het geloof is Hij, d.w.z. volkomen-maker (Hb. 12). Verbazender naarmate belofte op belofte leugen schijnt. In de Borg is de grond gelegd voor het nochtans-karakter van het geloof. Waar de belofde de kruisgestalte aanneemt, kan zij als nauwe verbinding daarmee nog slechts het naakte 'nochtans' hebben.
God zal Ik voor u zijn! Wat zag Hij daarvan als Kruiseling? Hel en duivels. Wat voelde Hij ervan? Spijkers en vloekhout. Wat ervoer Hij ervan? De immense last van Gods toorn. Wat geloofde Hij? Dat de belofte volkomen was in de Zoon. Hoe? Nochtans! Amen!
Volwaardig door de Geest
Het Nederlandse woord belofte (beloven) is verwant aan geloof (geloven). Gewichtiger is dat deze woorden theologisch nauw samenhangen. Samen, getweeën hangen ze aan de Heilige Geest. Daarom hangen ze onderling samen.
De belofte is aangelegd op geloof. Daar wordt ze pas helemaal (trinitarisch) vol. Ze was al tweevoudig vol (volstrekt en volkomen). Maar ze wil drievoudig vol zijn: ook nog volwaardig door de Geest. Waar het ons nu vooral om te doen is, is dat anderzijds het geloof is aangelegd op de belofte. En het heeft er genoeg aan. Dat betekent drie dingen.
Het Ik zal-karakter
Het geloof op zich is even onbeduidend als een broodkorf zonder brood. Alleen wat daarin ligt kan verzadigen. Het geloof is niet verdienstelijk. Evenmin scheppend. Veeleer schepping, geschapen. Wel verstaan: niet als inplanting, of kiem, maar als het toeëigenende amen van de ziel, dat wordt meegebracht door de scheppende kracht van de Geest in en met de belofte. Deze exclusieve alleenheerschappij van de belofte hangt nauw samen met het roemloze karakter van het geloof. Wij blazen met ons geloof de belofte (en onszelf) geen leven in. Maar de Geest blaast ons door de belofte leven in. Dat de Heilige Geest onmisbaar is, ligt niet aan de belofte. Zij is niet dood. Maar wij zijn dood. Hiermee zitten we middenin de verhouding Woord-Geest. Voor Calvijn lijdt het geen twijfel of het Woord is altijd het levende Woord Gods. Maar om zondaren onder het beslag van dat Woord te brengen is het getuigenis van de Heilige Geest nodig. 9). Deze overtuigt niet alleen van de goddelijkheid der Schriften, maar doet ook de beloften voor mij rechtsgeldig zijn en daardoor behoeven we 'voor het gevaar dat ze teruggenomen worden niet te vrezen, niet omdat Gods beloften op zich slechts krachteloos zouden zijn, maar omdat wij er nooit ons steunpunt in vinden, als wij niet door het getuigenis van de Geest worden ondersteund' (Calvijn). 10) Het Geesteswerk in onze harten legt niet de grond voor de zekerheid van het Woord. Die grond ligt in het Woord zelf. Maar wel: de Heilige Geest verwekt de subjectieve zekerheid ervan in onze harten. 11) Derhalve: wij doen niets met de belofte. Het 'doen' dat binnen de grens van onze mogelijkheden ligt, is: verwerpen. Voor wie waarachtig gelooft dat hij verkeerd wil en doodloopt, is er geen vrolijker evangelie dan: 'Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods' (Rom. 9). Onze onmogelijkheid heeft als keerzijde maar niet de mogelijkheid van Gods belofte, maar de Geestelijke volwaardigheid ervan.
8. J. Calvijn, Zie C. Veenhof, Calvijn en de prediking, in Zicht op Calvijn, Amsterdam 1965, blz. 77;
9. C. Veenhof, a.w., blz. 67. Vgl. ook Graafland, a.w., blz. 62;
10. J. Calvijn, commentaar op Ef. 1 : 14;
11. W. Krusche, Das Wirken des Heiligen Geistes nach Calvin, Göttingen 1957, S. 208, 212. Vgl. ook Graafland, a.w., blz. 62;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's