Verbond en belofte 3
Het Verbond Gods
Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van drs. A. de Reuver, predikant te Tholen.
Het onvoorwaardelijke karakter
God zal Ik voor u zijn. Dat is de belofte. De Geest doet het 'voor u' tot Zijn volle recht komen. Voor mij, d.w.z. voor deze ik. Niet voor mijn opgesmukte ik. Maar voor mijn ik dat vleselijk is en verkocht onder de zonde. Voor mijn ik dat niet meer wil en loopt. Ontferming. De keerzijde van Gods soevereine alleen-werkzaamheid is de onvoorwaardelijkheid van de belofte. En deze onvoorwaardelijkheid hangt samen met het pro me-karakter (voor mij) van het geloof. Nu God Zijn belofte eenzijdig en onvoorwaardelijk aan mij vervult (en wie zal op de vrije genade afdingen? ), behoef ik mij niet eerst in de vorm te gieten waarin de belofte past. Ik snijd me niet op de maat van het evangelie. Jk behoef me niet eerst uitverkoren te weten, ook niet ontdekt of boetvaardig. Wie dat stelt, neemt het wel ogenschijnlijk voor de verkiezing op, maar niet metterdaad en radicaal. Geen 'gestalte' gaat aan de belofte vooraf. Alleen onze natuurlijke wanstaltigheid. Iedere andere gestalte komt uit de belofte voort, dus ook de gestalte der 'ontdekking' (de Geest zal overtuigen, niet ik). Of is het niet waar, dat de geringste fractie van een voorwaarde in ons, afbreuk doet aan het welbehagen Gods? Zo ja, dan ben ik uitgepraat. Ik vraag niet naar geschiktheid. Ook niet naar ongeschiktheid. Maar God is niet uitgepraat. En Hij vraagt naar mij In de belofte! Hij zegt: voor u (zonder toevoeging). Dan zit er niets anders op dan dat ik geloof: pro me, voor mij (zonder kwalificering). Niet automatisch, want elke vanzelfsprekendheid krijgt hier de genadeslag, maar nochtans, overweldigd door de Geestkracht van de belofte. De schijnbare rechtzinnige klacht 'maar dat is niet voor mij' is zoals Woelderink signaleert tot een chronische ziekte geworden. 12) Nergens las ik hier bevrij dender over dan bij Kohlbrugge. Als er lieden menen de waarschuwende vinger te moeten heffen wanneer hij een vinger uitsteekt naar de belofte, reageert hij: 'Ik heb daarbij in alle eenvoud steeds gedacht: ik ben immers toch verloren. Ik kan toch niet meer als verdoemd en verloren zijn. Zo neem ik dan het Woord aan, alsof het helemaal alleen voor mij was'. 13) Wie bang gemaakt is de belofte te stelen, bedenke: een dief ben ik toch.
De kruisgestalte
Wat ervoer de Middelaar in Zijn lijden van de belofte? Het tegengestelde. Met die Hem liefhebben kan het niet anders gaan. Wat Graafland schrijft over het Woord is evenzeer van toepassing' op de belofte: 'Deze heilsopenbaring door het Woord kan zelfs in flagrante strijd zijn met wat er gebeurt'. 14) Bedoelde kruisgestalte van de belofte hangt samen met het nochtans van het geloof. Dit geloof leeft niet van aanschouwen, maar van de 'loodrechte' belofte. Dit geloof 'weet' niet in de zin van experimenteel constateren, maar 'weet' in de zin van 'horen zeggen' uit Gods mond. Daarom is het een veeg teken dat de vraag 'Hebt ge daar weet van? ' hier en daar veel geestelijker klinkt dan 'Gelooft ge dat? '. Daarmee geen kwaad woord over wat Spurgeon vertelt van een oude christin die een belofte en waarheid in de kantlijn van haar bijbel placht te zetten bij beloften die ze beproefd en waar had bevonden. 15) Bijzondere beloften t.a.v. Gods leiding in het privé-, gezins-en gemeenteleven kunnen vaak wonderlijk vervuld worden. Daar zijn ook vandaag frappante voorbeelden van te geven. Het gaat er ons alleen om, vast te stellen, dat het leven uit de belofte geen minderwaardig stadium van het geloof is. Integendeel. De Reformatie heeft zich met kracht gekeerd tegen de roomse idee van de ingeschapen werkelijkheid van de genade, waarbij men de belofte achter zich laat. De gedachte is verwerpelijk, dat het geloof af moet van zijn grond in de belofte om een nieuwe wortel te ontvangen in de ingestorte wederbarende genade. Houden wij het bij Calvijn, die van het geloof zegt: 'Eigenlijk begint het toch bij de belofte, daarop berust het, daarin eindigt het'. 16) En over de afzwakking hiervan bij sommige nadere reformatoren, zouden we bijna zeggen: van den beginne is het alzo niet geweest, maar om de hardigheid. ..
Speciale beloften krijgen zal wel een extraordinaire genade zijn; de vrijheid van de Geest laat zich niet beknotten. Maar extraordinair betekent in genen dele 'betrouwbaarder'. Komt het verlangen daarnaar niet al te gemakkelijk op uit de bron van onze hoogmoed? Schouwen en hebben, i.p.v. bedelaar zijn! En waarom zouden we, daar immers voor zulke bedelaars de beloften a.h.w. rond hoofd en oren vliegen, zoals Erskine schrijft.
Wat gelooft dus een christen? Al wat in het evangelie beloofd wordt. (H.C 7)! Dat is ons genoeg. (Dat het geloof omringd is door de liefde met haar ontmoetingen, genietingen en voorsmaken is een andere zaak). Genoeg, want volwaardig door de Geest. En ook: op de wijze van de Geest. Dw.z. in de kruisgestalte. Want juist de Geest is de Geest der belofte. Dat betekent enerzijds: Hij is gekomen zoals Hij beloofd is. Door Hem is de belofte ons reeds algenoegzaam, want vol van de drieëne God. Anderzijds: de Geest doet ons 'kruiselings' leven uit de belofte, want Hijzelf is nog 'slechts' eersteling en onderpand. En Hij doet ons hijgen naar de Dag van onze Koning. Hij komt. Aangekondigd door tekenen. Geflankeerd door oordelen en gerichten. Hij komt. Die het beloofd heeft, is getrouw. Zie, Ik kom haastig. 'Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere'. 17)
12. J. G. Woelderink, a.w., blz. 33. Vgl. in dit verband ook Thomas Boston, Beschouwing van het Verbondt der Genade, Leiden en Amsterdam 1741, blz. 454;
13. H. F. Kohlbrugge, Lass dir an meiner Gnade genügen, Stuttgart 1959, S. 112;
14. C. Graafland, a.w., blz. 73;
15. C. H. Spurgeon, Alles uit genade, 5de druk, Franeker, z.j., blz. 81. Vgl. het citaat van ds. L Kievit in Gereformeerd Weekblad, 72ste jaargang, No. 15, blz. 120. Vgl. ook C. Graafland, a.w., blz. 67;
16. Institutie III, 2, 29;
17. Slotregel N.G.B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's