Uit de pers
25 jaren Staat Israël
In deze meimaand was het vijfentwintig jaar geleden dat de staat Israël werd gesticht. Een merkwaardige gedachten: een staat die een 25-jarig jubileum viert. We koppelen dat eerder aan familiegebeurtenissen dan aan statenvormingen. Dat we niettemin aan deze herdenking niet voorbij kunnen gaan, zal wel samenhangen met het feit dat het hier Israël betreft. En als die naam valt, kan men er niet slechts politiek over spreken, dan komt ook de theologie meespreken. Vijfentwintig jaar de staat Israël betekent dat we gedurende deze periode telkens weer bemerkt hebben hoe dit volk en deze staat nog altijd de geesten verdeeld houdt. Het betekent ook telkens weer een vraag aan onszelf, een oproep tot bezinning en oriëntatie.
In het blad Ter Herkenning van april '73 schreef onder meer prof. dr. H. Berkhof in verband met deze herdenking een artikel waarin hij niet slechts teruggrijpt naar het verleden, de stichting van de staat in hetzelfde jaar waarin ook de Wereldraad van Kerken werd opgericht, maar ook inhaakt op het heden. Wij willen uit dit artikel overnemen wat Berkhof opmerkt over Israël en de Wereldraad:
Maar in de bezinning op de zesdaagse oorlog bleek, hoe de geesten in de zestiger jaren uiteen waren gedreven. De tijd van de omvattende greep en de brede visie in de theologie was voorbij. Een nieuwe generatie groeide op, die niet zozeer bijbels-theologisch wilde denken als wel existentialistisch en ethisch, ook empiristisch, zelfs pragmatisch. Men ging zich toeleggen op ontmythologisering en op sociologische analyses. Voor vrie zo dachten was het onverteerbaar, dat men politieke en theologische oordelen zou 'dooreenmengen'. Of Israël een staat mag stichten in Palestina, is een probleem van de politieke ethiek. God heeft daar alleen mee te maken als Degene uit Wiens openbaring men zekere ethische uitgangsstellingen kan afleiden. De mensen maken de geschiedenis. Het zou vreemd zijn dat God naast een ethisch interesse bovendien een geografisch interesse zou hebben en daarbij één volk zou voortrekken.
Deze golf werd onmiddellijk door een tweede gevolgd: de neo-marxistische. In dat perspectief was de staat Israël een verlengstuk van het westelijk kapitalisme en waren de verdreven Palestijnen de verdrukte slachtoffers van dat systeem. Wat een paar jaar tevoren nog volstrekt ondenkbaar had geleken, gebeurde nu: het ging tot de goede toon behoren om anti-Israël te zijn. Niet, dat men antisemiet was, o nee, men was alleen maar 'anti-zionist'. De zesdaagse oorlog heeft die mentaliteit zeer versterkt. Israël werd een bezetter en had dus ongelijk; de Arabieren waren verliezers en hadden dus gelijk.
Men kan niet zeggen, dat de Wereldraad zich door die stemming liet meeslepen. Hij hield krampachtig vast aan een middenweg: enerzijds de staat Israël erkennen (ja, dat doet de Wereldraad, in tegenstelling tot de paus) en anderzijds opkomen voor de rechten van de verdreven Palestijnen. In al zijn uitspraken mikt hij op een evenwicht. De Arabische afgevaardigden proberen steeds met moties en vooral emoties dat evenwicht te verbreken. Dat lukt soms wel, soms niet, vaak een beetje. De uitspraken van de Wereldraad zijn op dit gebied een trieste vertoning. Met de uitspraak in Amsterdam over 'de morele en geestelijke kwestie, die een zenuw van het religieuze leven raakt' is nooit iets gedaan. Noch over oudtestamentische landbelofte noch over de rol van de Islam in het conflict is door de Wereldraad ooit iets gezegd. Hoewel hij juist op deze twee punten iets eigens naast het geschipper van de Verenigde Naties had kunnen bijdragen. Ik ben al die tijd lid van het Centrale Comité van de Wereldraad geweest. Ook ik heb bitter weinig gedaan en ik weet nog steeds niet wat ik zou kunnen doen. Een Arabisch medelid zei eerlijk tegen me: 'Als ik zo niet optreed, verbranden de moslems mijn huis als ik terugkom'. De meerderheid begreep niet wat wij meer voor Israël konden willen. Men gaf de Arabieren maar wat toe zonder hen serieus te nemen. Toen onder hun druk een soort steunfonds voor de propaganda van de rechten der Palestijnen werd gesticht, kwam daar nauwelijks geld voor binnen. Maar politieke steun heeft ook Israël nooit echt van de Wereldraad gekregen.
Ook Berkhof ziet Israël als het ergernisgevende punt, waar de geesten zich scheiden. Het verschijnsel Israël zal ons moeten blijven bezighouden, zeker en juist, in zijn relatie tot de bijbelse boodschap. De God van Israël is immers de God en Vader van Jezus Christus. Hem te belijden betekent ook ons uitspreken over plaats en toekomst van het volk van deze God.
Vrijzinnige verklaring
In het blad 'Kerk en Wereld' werden onlangs de doelstellingen en uitgangspunten gepubliceerd van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Wij laten ze hier voor u volgen, zoals ze in Opbouw van 5 mei waren overgenomen:
'De Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland is de organisatorische vorm van de vrijzinnige beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk.
• Zij spreekt als haar overtuiging uit, dat de kerk leeft van het bevrijdende handelen Gods, waarvan getuigd wordt in de geschriften van het Oude en het Nieuwe Testament. Dit houdt voor de kerk en haar leden onder meer in: in prediking, catechese en zielszorg, in woord en geschrift, in bezinning en leven wegen te wijzen en te banen, die leiden tot de voortgaande bevrijding van de mens.
• De Vereniging van Vrijzinnige Hervormden is van oordeel dat de kerk daarbij in de tegenwoordige tijd bijzondere aandacht behoort te geven met een open oog voor politiek, cultuur en wetenschap aan het overwinnen van die maatschappelijke structuren in nationaal en internationaal verband, die de mens in zijn mogelijkheden tot samenleven belemmeren: waarbij de bijbelse noties omtrent liefde en gerechtigheid tot richtsnoer mogen dienen bij het zoeken naar vernieuwde menselijke verhoudingen.
• De Vereniging van Vrijzinnige Hervormden stelt zich ten doel binnen de Hervormde Kerk de ruimte te bewaren en ook in de kerkorde te waarborgen voor een kritisch doorlichten van de bijbelse verkondiging en de theologische overlevering naar haar wezenlijke motieven, voor de grootst mogelijke verscheidenheid van geloven en belijden voor verschillende christelijke overtuigingen, voor pluriforme gestalten van gemeentelevén en eredienst. In dit licht wil zij de ontmoeting met andere kerken en stromingen bevorderen om te komen tot een kerk, die één is in Christus. Daarbij dient de mogelijkheid tot vorming van gemeenschappen, die de bestaande grenzen van kerk en gemeente overschrijden, te worden opgenomen. Zij pleit ook voor een onbevooroordeelde ontmoeting met andere godsdiensten en levenshoudingen uit verlangen naar een wereld, waarin vrede en gerechtigheid heersen.'
Terecht wijst prof. Veenhof erop, dat deze verklaring ons confronteert met de problematiek in onze kerk. En zijn vraag: 'Hoe zal dit ter sprake komen in het overleg met de Gereformeerde Kerken? ' is terzake. Duidelijk blijkt immers uit deze verklaring dat ze het belijden der kerk op wezenlijke punten in de mist laat of weerspreekt. Het is alles horizontaal en maatschappelijk gericht. Als zodanig vertolkt ze wat velen ook buiten deze vereniging beweegt. Van een modaliteit kan men hier niet spreken. Het is heel duidelijk een richting die door haar uitgangspunten zich verwijdert van de essentie van het reformatorisch belijden. En wat men dan verstaat onder een kerk die een is in Christus, blijft volkomen in de mist.
Theologie aan de VU
Tenslotte geven we het woord aan Waarheid en Eenheid van 15 mei, waarin kritisch wordt ingegaan op de informatie die aan de VU geboden wordt over de theologische opleiding. Deze informatie is geschreven door prof. Augustijn uit naam van de faculteit. De kritiek in W. en E. spreekt voor zichzelf, ' zodat we hier het stuk zonder commentaar laten volgen:
Terzijde is in ons blad al enige aandacht besteed aan het boekje dat onder deze naam aan alle Geref. kerkeraden in veelvoud (naar verhouding) is toegezonden. Het is geschreven door prof. dr. C. Augustijn maar in naam van de theol. faculteit. Het ziet er keurig uit en geeft zakelijk en uitvoerig informatie over de theologische studie.
Het is niet volledig. Het loopt achter. Het vertelt alsof we dertig jaar terug zijn, toen de theologische faculteit zich hield aan de geest en inhoud van onze belijdenis en aan Gods onfeilbaar Woord. Daarom is het een bedrieglijk boekje. Het vertelt de waarheid niet. En dat in die kringen waar men anderen zo fel op 't lijf zit om de waarheid openbaar te maken!
Even komt Augustijn op het kardinale punt, als hij schrijft, 'dat in de kring van de Geref. Kerken een soms zeer forse kritiek gehoord wordt op sommige docenten van de faculteit en ook op de hele geest, waarin wij werken'.
Maar hij leutert over die 'soms zeer forse kritiek' heen. De kerken hebben eigen verantwoordelijkheid b.v. door middel van de kerkelijke examens, zegt hij. Veel classisvergaderingen hebben gezucht en gemanipuleerd om een 'onvaste' kandidaat — bekoord door de V.U .-theologie — dan toch maar toe te laten om bonje (leertuchtproces) te voorkomen, zeg ik. Er is spanning tussen theologie en kerk, zegt Augustijn, maar de verhouding tussen de faculteiten en kerken moet wel goed zijn. En dat is alles.
Waarover is die forse kritiek? Tegen wie? Wat doet de faculteit eraan? Heeft de synode er ook wat over gezegd? Ik weet zeker als Augustijn daarover wat informatie had gegeven de meeste kerkeraden die boekjes niet verspreid zouden hebben; of zulks ten nadele van de faculteit.
Trouwens een eerlijk boekje had Augustijn niet kunnen schrijven omdat hij per geschrift de belijdenis van de kerk voor onwaarde verklaard heeft.
Maar wie had het dan moeten schrijven, ik bedoel met instemming van heel de faculteit? Jammer dat de waarheid niet gezegd kan worden! Jammer dat de theol. faculteit van de V.U. dat niet doet. Dan moet de synode dat maar doen, omdat het om niet minder gaat dan de opleiding der aanstaande predikanten.
Het is wel diep tragisch dat nu de Vrije Universiteit zo groot is geworden — het nieuwe gebouw van enorm volume, en honderd procent regeringssubsidie — juist de theologische faculteit haar in opspraak brengt vanwege het loslaten van de gereformeerde belijdenis en het loslaten van het Schriftgezag. De hele faculteit laat dit toe en is dus mede aansprakelijk.
En dus juist de theologische faculteit die in het begin de V.U. mogelijk gemaakt heeft.
Volgens een krantebericht zal dr. J. Veenhof (zoon van de bekende prof. C. Veenhof) de opvolger worden van prof. Berkouwer die binnenkort zeventig jaar wordt en dan zijn katheder beschikbaar stelt. Aannemende dat het juist is, doet ons dat goed, want Veenhof jr. heeft b.v. door zijn extra volumineuze proefschrift: ('Relevatie en inspiratie') uitvoerig nagegaan hoe Herman Bavinck Gods Woord aanvaardde tegenover de ethische opvatting. Nu, over het Schriftgezag zal geen wijze ooit een sluitend oordeel kunnen geven — 'het dwaze Gods is wijzer dan de mensen' —. Maar om deze zaak draait toch wel alles wat waarlijk theologie mag heten.
En om met een laatste V.U.-opmerking te eindigen: we kregen van het 'instituut voor praktische theologie aan de V.U. het verzoek om een oproep te publiceren die de lezers uitnodigt om een enquête te houden, kortgezegd over het geloof. 'Wat verstaan we onder geloof' is de eerst te beantwoorden vraag. Welke plaats neemt het in ons leven in?
Welke wijzigingen hebben zich in ons geloofsleven voorgedaan?
Na alles hierboven verwacht men van ons toch niet dat wij eraan zouden meewerken om over hartsgeheimen te schrijven aan een sociologische instantie die bij een (tegenwoordig) beslist ongereformeerde theologische faculteit behoort?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's