De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uitvaagsel en afschrapsel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uitvaagsel en afschrapsel

5 minuten leestijd

Wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. 1 Cor. 4 : 13

De titel van deze meditatie lokt bepaald niet uit tot lezing. Wanneer we het immers hebben over uitvaagsel en afschrapsel, dan gaan onze gedachten naar de asemmer, de ashoop, of naar het gemeenste soort van mensen, dat we ons maar denken kunnen. De vunzige lucht van bederf en verrotting walmt u al tegen en met een ruk van uw gezicht geeft ge uw afkeer van deze vuilhoop te kennen.

Welnu, zegt Paulus, zulk uitvaagsel en afschrapsel zijn wij geworden. Als vuilnis en verrotting worden wij behandeld. Men gaat niet minzaam met ons om. We worden met vuisten geslagen, gescholden, vervolgd en gelasterd.' Ik acht, dat God ons tentoongesteld heeft als tot de dood verwezen. Want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en der engelen en der mensen. Paulus ziet hier op de gewoonte der heidenen, die de misdadigers in de openbare schouwplaatsen tevoorschijn brachten om hen tot vermaak van anderen voor de wilde beesten te werpen of hen tegen deze beesten tot de dood toe te doen vechten. Dat lot viel de oude christenen vaak ten deel.

Sommige uitleggers denken bij het woord uitvaagsel aan de mensenoffers, die door de Grieken op een bepaald feest aan de goden ter verzoening werden gebracht. Voor deze offers vroeg men dan vrijwilligers uit de diepstgezonkenen der samenleving. Wie zich aanmeldde werd een jaar lang weelderig gevoed en gekleed, zonder dat het hem ook maar iets kostte. Hij kreeg dan een voortdurend galgemaal. Maar wanneer het jaar om was, wachtte hem de dood; u kunt wel denken, dat zich voor deze ofjferdood alleen de allerellendigsten aanmeldden, mensen, die niets meer van het leven te wachten hadden en door armoede en honger tot radeloosheid waren gedreven. Hun leven had geen waarde, noch voor de wereld, noch voor henzelf.

Wij kunnen niet met zekerheid aantonen, dat Paulus inderdaad op dit ongelukkig mensentype heeft gedoeld, maar de gelijkenis bestaat wel en zij is zeer treffend. De apostel verklaart: ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, in de dienst welke ik van de Heere Jezus heb ontvangen om te betuigen het evangelie der genade Gods. Vrijwillig heeft deze man zijn leven voor zichzelf waardeloos geacht, opdat het als offer zou dienen voor de gemeenschap. Er is alleen een opmerkelijk verschil. De waardelozen in de Griekse gemeenschap profiteerden tenminste een jaar van de bereidwilligheid tot het offer. Ze konden eerst genieten en moesten daarna sterven. Paulus zoekt zelfs deze vergoeding niet. Hij blijft tot aan het einde een ellendig mens. Daarna komt de weelde. Het uitvaagsel krijgt de kroon des levens.

Ziedaar in een kernpunt samengevat het leven van de oprechte christen, inzonderheid dat van de getrouwe ambtsdrager. Zij blijven ellendige mensen tot aan het einde en dat in tweeërlei opzicht. In de eerste plaats, omdat zij optreden met een boodschap, een woord, dat de mens het doodvonnis aanzegt voor hem zelf. Het wekt ergernis, weerstand. Het Woord Gods is immers wel voor de mens, maar niet naar de mens. Het dringt tot in de diepste lagen van ons mens-zijn door, het legt bloot de verborgen weerstand en vijandschap tegen God. Wij willen niet aangesproken, doch met rust gelaten worden. Wij begeren het zelf de baas te zijn in ons leven, we willen niet van de overzijde worden gekritiseerd. Geen wonder derhalve, dat wie dit Woord Gods moest brengen, of ervan spreekt terstond al op verachting en boycot rekenen kan. Men kan persoon en woord nu eenmaal niet scheiden. Heel de afweer van de natuurlijke mens tegen God komt hierin openbaar. De geheiligde ondervindt hetzelfde wat zijn Meester is wedervaren. Hij werd vergeleken met een vraat en wijnzuiper.

In de tweede plaats blijven zij ellendig, omdat zij — zelf door het Woord aangesproken en voor God geplaatst — heel de Godontledigdheid, de onteeuwiging van deze wereld proeven en er hun leven niet meer in kunnen vinden. Zij hebben alles losgelaten, ook de waan dat er in hen enig beginsel van rechtvaardigheid of wijsheid is, bestaanbaar voor God. Ze worden nederig en verbroken van hart, ze verstaan hun, nietigheid, hebben een klein gevoel van zichzelf, maar steunen alleen op de genade Gods in Christus Jezus. In al hun armoede is de Heiland hun rijkdom.

En zie... daar opent zich nu het uitzicht dat hun deel is. Afgebracht van al het hunne, zinken ze op Zijn gerechtigheid en Zijn verdienste. Ze geven Hem hun schuld en ontvangen van Hem vergevig. De Geest heiligt hen en zo worden ze de Vader voorgesteld zonder vlek en rimpel. Na het kruis wacht hun de kroon. Dwars door de grauwheid van de wereld van nu, zien ze reeds iets schemeren van de wereld van straks. Het zijn dwazen, maar vervuld van een hemelse wijsheid, kinde­ren met de glans van een eeuwige verrukking op hun bezoedeld gezicht. Uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. Hier beneden is het zwaar te verduren. O, Paulus, wat hebt ge het goed verstaan. Maar een flonkerstraal van het gekroonde leven hierboven maakt de kruisweg hier beneden vol van eeuwig licht.

In dat schier vergeten boek Oostloorn van Ulfers, komt een tere passage voor van het gesprek van de oude klokkenluider met zijn dominee. Dan zegt die oude wijze man opeens tegen zijn voorganger: Zonder de smart gaat het niet. Hij bedoelt, dat zonder de kerving van het leed de diepte niet in het ambt komt. Dat is ook wat Paulus bedoelt.

Wij kunnen het niet een ieder naar de zin maken. De kerk heeft een boodschap tegen de rriens. Dat brengt teweeg weerzin, afkeer, opstand. Het ambt bloeit juist in de tegenspraak. Het gaat anders te glad, te schoon, te plooiend; het is geen spelevaren, maar een strijd.

Uitvaagsel en afschrapsel... wel ja! En toch koningen en priesters.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uitvaagsel en afschrapsel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's