Vlucht of toevlucht*
De kerk biedt vandaag veel moeilijkheden, veel zorg! Maar die moeilijkheden en zorg komen over haar van de mensen. De kerk biedt vandaag veel vastheid en troost! Die vastheid en troost zijn in haar, komen over haar van God. De kerk heeft altijd aan zich een menselijke zijde en een Goddelijke zijde. God stichtte haar. God bouwde haar en onderhield haar, maar Hij deed dit altijd met mensen. Uit zondige, gevallen mensen bouwde Hij Zijn kerk. Uit zwakke, kleine mensen bouwde Hij haar. De Heere Jezus zegt: 'Laat de kinderen tot Mij komen, want derzulken is het Koninkrijk Gods.' Hij zegt daarmee dat Hij met kleine kinderen, met pasgeboren kinderen Zijn Koninkrijk begint te bouwen. Als ergens vrije genade blijkt, dan blijkt ze hieruit. Zondige mensen mogen tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed zijn, in kinderen is geen kracht, geen kennis. Dan ook heeft de Heere het zwakke, het verachte dezer wereld uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij het geen iets is. beschamen zoude. Daar komt bij, dat de kerk in aanzijn geroepen wordt in een wereld, die in het boze ligt, en tegenover het aanschijn van Gods grote wederpartij der, die Satan heet. Bedenken wij dan nog, dat de Heere Zijn kerk bouwt in de tijd. De tijd heeft haar hoogten en diepten gekend. Tijden van diepten waren Noachs dagen, Egyptes dagen. Babels dagen, de vervolgingen uit de Handelingen. Hoogten waren van Abraham af de patriarchale dagen, Mozes' dagen, Davids en Salomo's dagen, de wederkeer uit Babel, de volheid des tij ds bij Jezus' geboorte, de dagen van de uitstorting van de Heilige Geest. Zo golven ook in de geschiedenis der kerk de tijden der kerk voort in hoog en laag.
Voorzegd is dat het eind der tijden zal zijn als de dagen van Noach. Voorzegd is dat dan veler liefde zal verkoelen. Voorzegd is, dat dan over de kerk zal komen een geest der dwaling, zó dat indien dat mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleid zouden worden, zó dat als God dat niet verhoedde: geen vlees zoude behouden worden. Nu willen wij niet profeteren, dat het eind der eeuwen nu al reeds gekomen is. Wij willen ook niet doen, alsof elke tijd even boos is, om dan altijd en over alles behalve over ons zelf ach en wee te roepen. Neen, wij willen zelfs in de barste tijden gedachtig zijn aan het woord van Paulus: 'Wij hebben dan altijd goeden moed'. Wij willen ook in de donkerste tijden gedachtig zijn aan het Woord onzes Heeren: 'Vreest niet'. Wij zullen zelfs tot in de eindtijd gedachtig zijn aan Zijn Woord: 'Vrees niet, want Ik heb de wereld overwonnen'.
Wij behoeven niet tot de altijd zwaarmoedigen te behoren, om toch open oog te hebben voor de geweldige afval van deze tijd en voor het grote verval van de kerk althans in deze werelddelen. Al is het dat Koning Jezus op het witte paard rijdt door deze wereld, overwinnend en opdat Hij overwonne, dan is toch het verval der kerk een duidelijk zichtbare zaak. Daar zijn al de grote kerken in dit werelddeel de duidelijke bewijzen van. En de kleine kerken bloeien niet op naar dat de grote kerken hun bloesem, hun blad en hun takken, vaak zelfs de stammen laten vallen! Ook daar openbaart zich de geest van de tijd, ook daar verstart veel in wetticisme en vormelijkheid in plaats van een krachtig opbloeien in geestelijk leven door de kracht van het evangelie. Ook daar leeft niet de volheid van het belijden en komt niet aan het bod de totaliteit van het geloof.
Hier staat tegenover dat de Heere aan de kerk zoveel gegeven had. Als de kerk naar de naam des Heeren genoemd is (kerk betekent toch: dat des Heeren is) dan heeft Hij Zichzelf aan haar geopenbaard, aan haar gegeven. Hij is haar God, Hij is haar Schepper, Hij is haar Koning. Hij woont tussen haar gebeden. Hij woont tussen haar lofzangen. Hij is bij de nederigen van geest, bij de gebrokenen van hart. Daar is Hij, daar woont Hij. Ook heeft de Zoon Gods, de Heere Jezus Zichzelf gegeven aan de gemeente, aan de kerk, aan haar ambten, aan haar ambtsdragers, aan Zijn Woord, aan Zijn sacramenten, aan haar lering, aan haar leden. Heeft Hij niet gezegd: 'Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u ge-.boden heb. En zie. Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld'? Dan ook is de Geest Gods, de Geest des Vaders en des Zoons, aan de gemeente gegeven en Die zal bij haar blijven als de Trooster tot in der eeuwigheid, al is het wel mogelijk die Geest te bedroeven, die Geest te blussen, de onvergeeflijke zonde tegen Hem te begaan.
De HEERE is toch de Schat van de kerk, haar enige, maar ook haar onuitputtelijke Rijkdom, haar Erfdeel, haar Eer. En in Hem zijn dit de schatten der kerk: Zijn Woord, Zijn wetten. Zijn evangelie. Zijn inzettingen. Zijn rechten. Kortom: Zijn verbond en woorden. Deze liggen binnen haar muren, aan haar deuren, ze liggen nabij haar, aan haar mond, voor haar voet, aan haar hart. Zij liggen zelfs in de mond van de kerk: in haar belijdenissen, in haar gebeden, in haar liederen. Daarom zegt de HEERE: 'Nabij u is het Woord'. Daarom zegt de HEERE: 'Uit uw mond zal Ik u oordelen'. Deze dingen alle, deze onnoemelijke schatten, zijn er ook in de kerk. Dat is Gods zijde. En nu is het maar de vraag wat men in de kerk zoekt, wat men van de kerk maakt, wat men van de kerk verwacht: wat der mensen is of wat des HEEREN is! Men mag in de kerk wel wat zoeken vóór de mensen, maar dan toch bij de HEERE.
En nu is er zo'n vlucht uit de kerk, in plaats dat men daar zijn toevlucht neemt, om daar Hem, Zijn verbond. Zijn woorden als zijn eigen schatten gade te slaan. Velen verlaten de kerk en geven bij de volkstellingen op: geen godsdienst. Dat bij elk decennium groeiend getal betekent dan bij velen: geen godsdienst méér. Men behoeft maar één, twee, of drie geslachten (een geslacht gerekend op dertig jaar!) terug te gaan om bij de ouders en grootouders nog te vinden: wèl godsdienst. Men mag zich wat groot houden door te zeggen: zij die de kerk verlieten hebben de kerk wel vaarwel gezegd, maar de bijbel niet, maar veel meer dan groothouderij is dat toch niet. Van de arbeid onder de onkerkelijken — al noemt men die ook verzachtend buitenkerkelijken -hebben wij bij de gespecialiseerden weinig of geen resultaat gezien. Wel moet ik zeggen, dat als de kerk in ontkerkte gebieden weer het gewone Woord Gods ging spreken en weer gewoon het bij de dingen der kerk ging houden, dat daar wat opleefde, wat ieder verbaasd deed staan. Overigens geldt toch voor allen, die God, Zijn Woord, Zijn kerk verlaten: 'Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen!' Daar is in de kerk en daarbuiten zelfs geen dageraad, nog minder een middaghoogte te verwachten voor wie het niet houden bij de Wet en bij de getuigenis. Het sluiten van kerken, het afbreken van kerken, het een andere bestemming geven aan kerken — museum, gehoorzaal, cultureel centrum — is doorgaans begonnen met het opheffen van avonddiensten. Het houden van dubbele diensten 's morgens heeft meer de gemakzucht in de hand gewerkt dan de avonddienst vervangen. En met al is het avondoffer ermee vervallen. Aan God is een recht en een inzetting ontnomen. Het korter preken is meer een wens van de predikers geweest dan van het volk. De gedachte, dat het volk zijn aandacht niet langer kan spannen dan een uur, drie kwartier, een half uur, wordt gelogenstraft door de urenlange schooltijden der kinderen zelfs, door de tijd die men aandachtig geeft aan sport en televisie. Terloopse preekjes maken terloopse kerkgangers. En waar de predikers nalaten het degelijk en lijvig onderwijs geven in de prediking, daar sta men niet verbaasd als de gemeente niet de moeite neemt om te komen.
Naar de waar, die aan de markt gebracht is, zullen de kopers zijn. En al zouden ze niet komen, dan zal God nog zegenen, waar de kerk en haar dienaars maar hun plicht vervullen. Daar is ook een wederkeren van de vrede in de afgewezen bediening des Woords. Het is intussen heel erg als de gemeente verdwijnt. Daar mogen wij als predikers, als kerkeraadsleden, als ouders, daar mogen onze jonge mensen, onze kinderen wel al onze zorg aan geven. Een trouw pastoraat, trouwe prediking zijn daartegen wel de beste middelen. Trouw aan de kerk is voor jongeen oudere gemeentenaren wel een geboden zaak, maar ook een rijke zaak. De gemeente, die stand houdt in geestelijk arme tijden en onder slappe prediking zal dubbel gezegend zijn, mits zij wel blijft hopen op geestelijk rijke tijden en op krachtige prediking. Twee dingen zijn te veroordelen, namelijk mede verslappen èn de kerk verlaten. Daar is veel verloop geweest vanuit onze kerk naar andere kerken. Dat was die kerken, die wij toch altijd als zusterkerken zagen, wel gegund, maar het loste de nood van de verlaten kerk niet op en de heengaanden vonden toch soms op den duur elders de gebreken, die men in de eigen kerk had achtergelaten. Het schaadt ons als hervormden niet als andere kerken de leer dieper verstaan dan wij, en ook hoger en ook breder. Maar daarom zullen wij onze post en onze plaats niet verlaten. Het zal ons slechts genoeg zijn en een genoegen om de kerk te houden aan het rijke goed, dat zij heeft (zoals straks opgesomd!) en haar ook te bepalen bij wat zij heeft. Dit is wat wij zoeken. Dit is wat wij doen.
Een vlucht uit de kerk nemen wij ook waar bij hen die in sekten en stromingen verzadiging van hun begeerten hopen te vinden. De kerk met haar ouderdom zal moeilijk het enthousiasme van de doorgaans jonge sekten kunnen opbrengen. Begrijpelijk is het aantrekkelijke van zulk enthousiasme. Maar de Geest, die werkt als de dauw, doorvochtigt Gods hof niet minder dan de stromende regen des Geestes. Mij trekt altijd boven het aanlokkelijke van welke beweging ook de totaliteit van de leer, het aan alle kanten bezien der dingen in de kerk. Het is in de kerk altijd zo massief, zo blijvend, door de geslachten heen. Het is ons zo kostbaar om zo in de loop van heel je leven de dingen Gods zo te leren verstaan. Waar God Zijn voet gezet heeft, waar Hij Zijn kerk in de ambten en in het Woord en in de inzettingen gegrond heeft, daar willen wij zijn, daar willen wij blijven, wat winden dat er waaien. Niet vluchten! Nergens heenvluchten!
Een van de boosheden in de lucht is ook de vlucht uit het ambt. Het begint al als men ambities, liefhebberijen erop nahoudt in en naast zijn ambt. De roeping Gods is een totale roeping. De visnetten verlaten. De handen vrijmaken: zelfs geen buidel, zelfs geen male, zelfs geen tweede rok. Laat staan een nevenambt. Geen twee ambten in één hand, want die mislukken allebei. Niemand kan twee pijlen op één boog zetten. Hadden wij ons niet onder ede verbonden aan Zijn dienst? Was het ambt niet hoog genoeg? Geen ander ambt is hiermee te vergelijken. Was de arbeid, het onderzoek van Gods Woord en het dragen daarvan, het uitdragen daarvan op de catechisaties en in de huizen niet vullend genoeg? Niet afwisselend genoeg? Niet vluchten uit wat ons de Heere geboden heeft. Wij hebben geen Jona's te zijn. Die vluchtte ook al via Mallorca naar Spanje.
Tenslotte: die kerk! Die is als een toevlucht. Omdat God daar woont. Hij Zelf. Omdat Zijn heil daar verkregen wordt. En het leven tot in eeuwigheid. Waar de HEERE woont, daar zal Zijn waarheid wonen. En Zijn waarheid is een rondas en een beukelaar. Onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen. 'Hij zal u dekken met Zijn vlerken. Gij zult niet vrezen voor de schrik des nachts, voor de pijl, die des daags vliegt, voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, voor het verderf dat op de middag verwoest. Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand: tot u zal het niet geraken. Alleenlijk zult gij het met uwe ogen aanschouwen, en gij zult de vergelding der goddelozen zien. Want Gij, HEE RE, zijt mijn toevlucht, de Allerhoogste hebt gij gesteld tot Uw vertrek. U zal geen kwaad wedervaren, en geen plaag zal Uwe tent naderen.'
Ziet zulk een toevlucht is ons onze God in al onze noden, ook in al onze kerkelijke noden. Als God een Vader is, dan kunnen wij daar ook terecht met al de kerkelijke zonden, met al onze kerkelijke zonden. En Hij is niet 'een' Vader, maar Hij is 'de' Vader. Daarom vergeeft Hij menigvuldiglijk.
En als God de Vader is, de Vader van Zijn kerk, dan mag de kerk wel een moeder heten. De kerk ontvangt de vergeving der zonden, naar onze belijdenis der apostelen. En de kerk heeft van onze Heere, Jezus Christus, te bidden geleerd: 'En vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.' Als het dan tot de aard der kerk behoort om ook harerzijds zonden te vergeven, dan is zij ons in God en om Gods wil een schuilplaats voor de vromen. En dat is deze Nederlandse kerk geweest van geslacht tot geslacht en dat is zij nog.
Openingswoord op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 16 mei te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's