Voortgezet gesprek over Karl Barth 1
'Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen'. (II Cor. 5 : 7)
Begin maart schreef ik voor dit blad een artikel over Karl Barth en het Getuigenis. Enkele weken later publiceerde ds. Spijkerboer een antwoord: Is Karl Barth de schuldige? Als alle artikelen over het Getuigenis in die toon waren geschreven, zou het kerkelijke klimaat minder bedorven zijn. Zo lazen wij met grote dankbaarheid de uitspraak van ds. Spijkerboer: 'Ik kon het verdriet, waaruit het Getuigenis geboren is, te goed begrijpen'. Leg dat nu eens naast de uitspraak van prof. Berkhof: 'Wij zijn zo boos geworden op de mensen van het Getuigenis omdat wij nooit hebben willen ontkennen, wat zij positief te belijden hadden. Maar we moesten het in onze situatie a.h.w. klein drukken. ..' Of naast de karakterisering door prof. Hasselaar van 'de getuigenissers' als 'een orthodoxie, die op adhaesie gesteld is', en als 'een rechtzinnigheid, die terugvalt in een religieuze repristinatie en die daarin de kracht van haar belijden zoekt'. Als we dan ook nog denken aan het onwaardige geschrijf van minder geëleveerde geesten, dan moeten we ds. Spijkerboer wel zien als een pothoofdplant in het kamp der Barthianen. Het is duidelijk, dat hij met ons wil staan op de bodem van de Reformatie, en dat het zijn verlangen is om te komen tot eenheid in het belijden. Daarom grijp ik met dankbaarheid de gelegenheid aan om met hem, en via hem met alle volgelingen van Barth, het gesprek voort te zetten over Barth en het Getuigenis.
Dat wil echter niet zeggen, dat het mij makkelijk valt om met mijn jongere collega over Barth in discussie te treden. Zijn verering van Barth is immers bekend, en in zijn artikel spreekt hij dat nog eens uit. Hij stelt zelfs de vraag: 'Het is toch niet verboden om van Barth te houden? ' Ik voel mij nu tegenover hem min of meer in de situatie als wel eens na een kerkdienst kan voorkomen, dat men onthutst en gebelgd is over een preek vanwege haar onschriftuurlijke en oppervlakkige tekstbehandeling; en men treft dan een goede kennis, die zich geestdriftig over dezelfde preek uit. Moet men dan maar niet zwijgen, om een ander zijn ontvangen zegen niet te ontnemen?
Omdat de bijbel in een soortgelijke situatie ons echter het voorbeeld van Aquila en Priscilla tegenover Apollos voorhoudt, nl. 'hem den weg Gods nauwkeuriger uitleggen' (Hand. 18 : 26), wil ik hier daartoe in alle bescheidenheid ook een poging ondernemen.
De lezers zullen zich herinneiren, hoe ik met dankbaarheid en waardering sprak over de reformatorische inzet van Barths theologie. Maar ook, dat ik naar aanleiding van het geschrift Die Menschlichkeit Gottes repte van een ongelukkige wending. Nu stelt ds. Spijkerboer, dat 'het oppassen geblazen is met het signaleren van wendingen in Barths theologie'. Volgens hem is het juister om te zeggen, dat Barth voortdurend onderweg is, luisterend naar de Schrift en in gesprek met de kerkvaders. Ik ben het met hem eens, dat er bij Barth telkens sprake is van verschuivingen, b.v. in de opeenvolgende drukken van de Römerbrief, en in de eerzulke verschillen zou ik willen rangschikste en tweede inzet van Dogmatik. Maar ken onder wat Gunning eens genoemd heeft het verschil tussen 'meningen' waarbij niettemin het 'beginsel' gelijk blijft. Bij de publikatie van Die Menschlichkeit Gottes is echter sprake van de overgang tot een ander beginsel! Wie daaraan twijfelen mocht, zou ik dringend willen vragen om nog eens het stenografisch verslag te lezen van Barths vragenbeantwoording op de internationale studentenconferentie in La Chataigneraie in 1934. Het heeft indertijd gestaan in het N.C.S.V. blad Eltheto. Ik citeer eruit: 'In de vele discussies, die ik de laatste twintig jaar heb meegemaakt, was er eerst een vriendelijke toestemming en dan kwam het 'maar', de achterdeur, waardoor alles weer naar binnen kon sluipen. In de Schrift staat het zo, dat het menselijke subject slechts daardoor geholpen worden kan, dat een geheel ander subject voor hem intreedt. Daarom kan men niet zeggen: 'Ja professor, rnaar de mens!' Waartoe deze hartstocht? Waartoe deze passie? Vindt gij in de bijbel ook ergens deze situatie, dat iemand deze passie toont? U vindt mij zo streng, zo eenzijdig. Maar schuif toch niet de verantwoording op mij af. Want hoe verhouden zich in de bijbel God en mens? Ik verzeker u: het begint met christelijk leven en het eindigt met heidendom! Want als men eenmaal binnengelaten heeft: 'niet alleen God, maar ook de mens', dan is er geen ophouden meer. Dan opent men de deur voor de daemon. ..' Wie mij na deze indringende woorden van Barth uit 1934 gaat lezen in het geschriftje Die Menschlichkeit Gottes uit 1956, waant zich in een andere wereld! Zahrnt spreekt in zijn boek over de theologie van Barth dan ook van 'een ommezwaai, een breuk'. En nog typerender is, wat de remonstrantse hoogleraar G. J. Heering schreef in zijn boek Geloof en openbaring: 'Wij hadden dergelijke uitspraken van Barth niet verwacht!', En ofschoon de remonstrantse hoogleraar er zich over verheugt, meent hij toch de waarschuwende woorden te moeten spreken, dat Barth met zijn veranderde spreken over de mens tekort doet aan de ernst van de zondeval en de grootheid van de verlossing. Dat moet Heering aan de gereformeerde Barth zeggen! Om nu toch te blijven doorstrijden over de vraag, of hier bij Barth sprake is van verandering van een 'mening', of van de overgang tot een ander 'beginsel', zou onze discussie doen ontaarden in ijdel woordgebruik.
Welke verandering de vijftiger jaren? voltrok zich na de vijftiger jaren?
Belangrijker lijkt me daarom de vraag, welke verandering zich sinds het midden der vijftiger jaren in Barths theologie heeft voltrokken. Om nu niet alle bewijskracht te stellen op de brochure uit 1956, put ik uit een ander geschrift, nl. Dank und Rever enz uit 1963. Dit opstel is een afscheid aan Kierkegaard. In de twintiger jaren stelde Barth deze Deense denker naast Luther, Calvijn, Paulus en Jeremia. Hij noemde hem toen: 'Der gröszte christliche Denker im letzten Jahrhundert'. In 1963 distantieert hij zich echter nadrukkelijk van hem. Hij verklaart dan, er niet mee te kunnen doorgaan de negaties (ontkenningen) tot het thema der theologie te maken. Men kan de arme stakkers, die christen willen zijn of worden, niet steeds weer de bitterheid van Kierkegaards geschriften te smaken geven. Men moet ze het evangelie van Gods vrije genade verkondigen. Kierkegaard gaf een theologie des kruises. Barth zegt: 'Merkwaardig hoe gemakkelijk men daarbij onder de raderen van de dodende wet geraakt, en zuur, duister en treurig wordt'. Wij moeten via het kruis naar de opstanding! Hier karakteriseert dus Barth zelf de wending, die zich bij hem voltrokken heeft, als een afscheid van de theologia crucis, de theologie des kruises. Hij wil méér, hij wil verder, hij wil er bovenuit! Hij wil uitstijgen boven de eerste beweging van het geloof; hij wil levenswijsheid uit het kruis putten! Kierkegaard heeft dat voorvoeld, , toen hij schreef: 'Deze tijd blijft niet bij het geloof staan; en evenmin bij het geloof swonder om water in wijn te veranderen. Deze tijd gaat verder: hij verandert wijn in water'.
In dezelfde lijn liggen nu ook de uitspraken van Barth over Kohlbrügge. In de twintiger jaren roemt hij de prediker uit Elberfeld als één der weinigen, die in een tijd van theologisch verval de apostel Paulus nog begreep, en die wist wat het Woord Gods betekende. Maar in de latere jaren stelt hij Calvijn boven Kohlbrügge, ohidat die over de heiligmaking zoveel meer wist te zeggen. En nog later richt Barths kritiek zich tegen beiden, omdat alle twee meer van boete dan van vreugde, meer van het afsterven van de oude mens dan van de opstanding van de nieuwe mens geweten hebben. Ook hier blijkt weer, dat Barth boven het geloof uit wil. Hij wil heiligmaking; hij wil ethiek; hij wil geschiedenis.
Van beslissende betekenis voor het verstaan van Barths veranderde theologie is het weinig bekende, maar fundamentele boek Fides quaerens intellectum uit 1931. Het is een studie over de vader van de middeleeuwse, scholastieke theologie: Anselmus van Canterbury. Met deze kerkvader ziet Barth het als de opgave van de theologie, om vanuit het geloof tot schouwend inzicht te komen. Ziehier nu het 'meer' en 'verder', dat Barth nastreeft! Het geloof moet gebruik maken van het speculatieve, het theoretische denken., Maar weet Barth dan niet van de onheilen, die de scholastiek in de theologie heeft aangericht? Weet hij niet, hoe bange worsteling Luther heeft moeten doorlijden, eer hij uit de doolhof van de speculatieve theologie weer de weg van het geloof terugvond?
Hoe zou Barth dat niet weten! Maar hij meent erdoor gewaarschuwd te zijn, en zal het daarom beter doen! Een strengere fundering op de openbaring, op het openbaringswoord Christus, zal de speculatieve rede in toom houden. Maar - zo heeft in zijn tijd Hegel ook geredeneerd; zijn hele filosofie is begonnen als een leer van Christus. En de wijsbegeerte van Schelling, Hegels tegenvoeter, voerde de pretentie van niets anders dan een filosofie der openbaring te zijn. En de Russische denker Solovyov heeft ook zijn wijsgerig systeem op de Schrift en het evangelie willen gronden. Wat is er in feite van terechtgekomen? Niets dan een Godsverduistering! En dat is nu, wat Luther vanuit bittere ervaringen waarschuwend gezegd heeft: de speculatieve rede mag geen toegang krijgen in het geloof! Want dat gaat altijd gepaard met gebruikmaking van onchristelijke begrippen, die het evangelie verbasteren. De schouwende rede maakt de werkelijkheid van het geloof tot ijdele dromerijen en een leeg begrippenspel.
De ganse geschiedenis van de theologie. tot op vandaag is er het bewijs van, dat wie wil uitstijgen boven het geloof om inzicht te verwerven, zó in bezit genomen wordt door dat filosofisch inzicht, dat het zich schuift vóór de Schrift, vóór de openbaring, en de plaats van het Woord Gods gaat innemen. Alleen een smartelijke en ingrijpende bekering kan een mens uit dat net van de vogelvanger verlossen; zoals dat bij Solovyov is gebeurd. Een mens eet niet ongestraft van de vrucht van de boom der kennis...
De dringende waarschuwing van Luther was schriftuurlijk! En de Reformatie is daarom geweest een terugkeer tot Abraham, die in God geloofde, en dat is hem tot rechtvaardiging gerekend. Het is een terugkeer tot Job, tot Paulus. De openbaring laat zich niet met het speculatieve denken verzoenen. Is er dan geen waarheid, geen systeem? Ja zeker, maar in de verlossing: En Hij zal alle tranen van hunne ogen afwissen' (Openb. 21 : 4). Hier in dit leven boven het geloof van Abraham uitstijgen is onmogelijk!
(slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's