De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloof en zekerheid 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloof en zekerheid 2

Pastorale overwegingen

5 minuten leestijd

Wezen en welwezen des geloofs

Deze onderscheiding heeft men gemaakt, omdat men besefte, dat geloof en gevoel lang niet altijd samengaan. Het geloof kan zich soms in zéér benarde omstandigheden bevinden. Er kan geloof op de puinhopen zijn zonder de minste straal van Gods vertroostende nabijheid (Abraham, Job). Dan is er het zich komen uitleveren en wagen aan het Woord, een hangen aan het Woord (Kohlbrugge). Vandaar, dat men in de theologie van de Nadere Reformatie (vooral in de latere tijd) een onderscheiding ging aanbrengen tussen het wezen en welwezen van het geloof. Ook wel genoemd: de uitgaande daad des geloofs (actus directus) en de wederkerende daad des geloofs (actus reflexus). Men zag het eerste als een geloof, waarmee de gelovige tot Christus uitgaat en Hem als Zaligmaker begeert en aanneemt, en het laatste als de daad, waarmee hij tot zichzelf terugkeert en zich van zijn'gemeenschap aan Christus en al Zijn weldaden vergewist.

Dr. H. Bavinck zegt hiervan in zijn Geref. Dogmatiek (IV, blz. 107): 'Deze onderscheiding was op zichzelf niet verkeerd, maar leidde er spoedig toe, om de beide daden des geloofs temporeel (in tijd) op elkaar te laten volgen, om tussen het toevluchtnemend en het verzekerd vertrouwen het zelfonderzoek in te schuiven, om de verschillende werkzaamheden des geloofs op te vatten als zovele trappen en stadiën in het geloof, en alzo de gelovigen in een aantal groepen en klassen in te delen, die in de stichtelijke lectuur en in de toepassing der predicatie ieder in het bijzonder werden toegesproken en behandeld. In één woord, het herstel door de Reformatie van de religieuze natuur van het geloof, de ontdekking, dat het geloof iets gans anders was dan het historisch voor waar houden van enige godsdienstige voorstellingen, het diepe inzicht, dat het echte geloof een bijzonder vertrouwen was met een speciaal object, n.l. de persoon van Christus (Gods genade in Christus, de goddelijke welwillendheid jegens ons), dit alles deed in de historie hoe langer hoe duidelijker in het licht treden, dat men in het geloof niet met een enkelvoudig, maar met een zéér gecompliceerd verschijnsel te doen had. Het was geen zaak van het verstand alleen maar ook van de wil; het zetelde niet in één, maar in beide vermogens; het was kennis in het verstand, toestemming in de wil, liefde, verlangen, vreugde in aandoeningen (gemoed); tal van eigenschappen vallen daarin op te merken; tal van werkzaamheden lopen daarin samen'. Daarom ging Comrie van al de daden en werkzaamheden tot de 'hebbelijkheid des geloofs' terug, waardoor wij Christus worden ingelijfd. Volgens Comrie geeft God aan Zijn kinderen allereerst het geloofsvermogen (hebbelijkheid) en daarna de daad des geloofs. Eerst wordt het geloofsvermógen ingeplant en daarop volgt het omhelzen van Christus en Zijn weldaden. Wat deed hij dus? Hij trachtte na alle onderscheidingen, nuances en omschrijvingen, weer de éénheid van het geloof naar voren te brengen. Tot het wezen van het geloof behoort volgens Comrie: kennis, toestemmen en vertrouwen.

Daarom lijkt mij de term: welwezen van het geloof niet erg gelukkig gekozen. Immers, zo gemakkelijk wordt het de 'zekerheid des gevoels'. Geloof en gevoel moeten we niet zo nauw aan elkaar verbinden.

Het is een dankbaar feit, dat de bekende gebroeders E. en R. Erskine daar al voor gewaarschuwd hebben. Het kan geen kwaad even een paar gezegden van hen dóór te geven:

1. Velen bouwen hun geloof niet op hetgeen God gezegd heeft, maar op hetgeen zij zelf gevoeld hebben. Doch de vrouw met de vloed des bloeds had geen gevoel van de kracht die van Christus uitging, totdat zij in het geloof de zoom van Zijn kleed had aangeraakt.

2. De bevinding of het gevoel strekke niet tot grond, maar tot aanmoediging en aanvurig van het geloof.

3. Velen zijn meer genegen om te sterven op het aangename gevoel, waarmee een belofte tot hen gebracht wordt, dan op de belofte zelf. De zodanigen kunnen niet rusten op het blote Woord van God, dat brood, waarvan de ziel alleen moet leven; maar zij moeten, net als de kleine kinderen, er enige suiker of zoetigheid op hebben. Deze gesteldheid in de gelovigen is een wettisch overblijfsel, dat hen meer een grond van het geloof doet zoeken in zichzelf en hetgeen dóór of in hen gedaan en gevoeld wordt, dan in uit te gaan uit zichzelf tot hetgeen de Heere in Zichzelf is en wat Hij voor hen gewrocht en tot hen gesproken heeft. Het geloof is dan het sterkst, wanneer het leveu kan op een blote belofte, zonder de ondersteuning der zinnen. Zoek derhalve geen rust in de beekjes der vertroosting, die van God uitvloeien, en nu hier, dan derwaarts zich heenkronkelen, maar zoek ze in God Zelf, als de Bron, Die altijd dezelfde is.

4. Door een gevoelsleven ontvangen wij meer tróóst, maar door een geloofsleven ontvangt God meer éér; want het geloof werkt door de liefde en de liefde is het hart en de ziel van alle evangelische gehoorzaamheid.

Uit deze enkele citaten blijkt hoe deze gezegende evangeliedienaren in hun tijd tegen een zg. objectieve subjectiviteit, dat wil zeggen een opgezet schema van allerlei gevoelsaandoeningen, die dan tot het zg. welwezen van het geloof zouden behoren, verzet hebben. Daarom moet men 'oude schrijvers' altijd met onderscheid lezen en toetsen aan de Heilige Schrift en de bronnen der Reformatie. De bevinding is géén zaak, die als wet vóór het geloof gesteld wordt, maar volgt op het geloof. Dan is het ook Schriftuurlijke bevinding. Dan wordt de Heere bevonden een hulp in benauwdheden (ps. 46). God de Heere oefent de Zijnen niet zozeer in een gevoelig leven, als wel in een geloofsleven. Het gevoelsmatige wil zien, tasten en genieten. Daarom is een gevoelsmatig leven ook doorgaans zo aan wisselingen onderhevig. Het is waar wat iemand eens schreef: 'Zo in de wolken, zó in de kolken'. Daarom ligt de ware vastheid in de onbezweken liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.

P.

' J. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Geloof en zekerheid 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's