Voortgezet gesprek over Karl Barth 2
Vermenging van openbaring met wijsgerige begrippen
Nu wij de aard van de verandering in Barths theologie hebben vastgesteld, en op grond daarvan zijn groots opgezette Dogmatik menen te moeten karakteriseren als een nieuwe tak aan de boom van de speculatieve theologie, moeten wij ook iets zeggen over het daarmee onvermijdelijk verbonden verschijnsel van de vermenging van de openbaring met wijsgerige, wetenschappelijke, algemene begrippen. Want die zijn duidelijk aanwijsbaar. Al in juli 1957 schreef prof. Van Niftrik in Kerk en Theologie, dat 'Barth zwaar onder invloed van het huidige anthropologische denken staat'.
Wij wezen er in ons voorafgaand artikel op, hoe Barth in zijn rede te Aarau in 1956 de nadruk is gaan leggen op het verbond, het partnerschap, de lotsgemeenschap tussen God en mens. Krasse uitspraken daarover komen wij ook tegen in een opstel van zijn hand in de bundel Philosophie und christliche Existenz uit 1960. 'Het evangelie van Gods vrije genade betekent, dat God de mens vrijheid schenkt voor Hem'. In de daad van Gods neerdaling is gegrond en besloten: de elevatie (verheffing) van de mens. Het verbond is daarom 'der Kondeszendenz des Schöpfers und der Elevation des Geschöpfs; de vernedering van de Schepper en de verhoging van de mens'. Eigenlijk zou de theologie volgens Barth daarom beter theanthropologie, dat wil zeggen Godmensleer kunnen heten.
In het vierde deel van de Dogmatik worden deze gedachten verder uitgewerkt. Wat erbij opvalt, is de steeds nauwere verbinding van verbond en geschiedenis. 'God is niet de gevangene van Zijn eeuwigheid', zegt Barth. En op die zonderlinge uitspraak, die aandoet als op zijn kop gezet platonisme, volgt dan: 'God is op weg; God komt en gaat; God is de held van de geschiedenis'. De apodictische schrijftrant van Barth zou ons werkelijk doen geloven, dat wij hier met pure Schriftwaarheden te doen hebben. Origenes, de vader van alle speculatieve theologen, had nog de gewoonte, om bij zulke uitspraken te zeggen: 'Wat hier gesteld wordt, is meer een slotsom van de rede, dan een geloofsuitspraak'. Maar bij Barth mist men dat pijnlijk; daarom laadt hij telkens weer opnieuw de schijn op zich van te lijden aan de ergste theologische beroepsziekte: alles van God te weten.
In de uitwerking van zijn gedachten over verbond en geschiedenis, sluit Barth zich nauw aan bij Coccejus, die veel meer dan Calvijn 'een waarlijk grootse visie had op de geschiedenis van God en mens. Bij hem is de gestolde lavastroom der openbaring opeens weer een levend en dynamisch gebeuren geworden'. Overigens was ook de kijk van Coccejus op de geschiedenis nog te eng en benepen! Barth wil de dynamiek van de openbaring wijder en universeler zien. Het gaat niet meer om openbaring èn geschiedenis. Neen, openbaring is geschiedenis. 'Es ist gerade die besondere Geschichte dieses Einen (n.l. Jezus Christus) im konkretesten Sinn des Begriffs Weltgeschichte; juist de bijzondere geschiedenis van deze Ene is in de meest concrete zin van het woord wereldgeschiedenis'. En elders: 'Offenbarung ist nicht ein Pradikat der Geschichte, sondern Geschichte ist ein Pradikat der Offenbarung: openbaring is niet een nadere bepaling van de geschiedenis, maar geschiedenis is een nadere bepaling van de openbaring'. In de verbondsgeschiedenis is dus de nieuwe werkelijkheid van de wereldgeschiedenis gegeven.
En hier ligt nu ook de oorsprong en wortel van die passage over de al-verzoening in Barths brochure over Die Menschlichkeit Gottes, waar ds. Spijkerboer geen raad mee weet. Door de verbinding van verbond en wereldgeschiedenis krijgt het heil bij Barth een universeel en kosmisch karakter. 'Heil ist Erfüllung des Seins; het heil is de vervulling van het zijn'. En: 'Die Endzeit ist die Zeit der Welt, der Menschheitsgeschichte, der Geschichte aller Menschen. ..; de eindtijd is de tijd van de wereld, van de mensheidsgeschiedenis, van de geschiedenis van alle mensen .. .' Zo krijgt de leer van Christus bij Barth een steeds grotere uitbreiding. Het is immers het wezen van de verkiezing, dat zich daarin uitwerkt; namelijk dat God Zich al van vóór de schepping had voorgenomen Zich niet in Zijn eigen innerlijke wezen op te sluiten, maar de mens als bondgenoot op te nemen in Zijn eeuwig, Goddelijke bestaan. Mens, schepping, geschiedenis krijgen dus naar het inzicht van Barth een plaats in het wezen Gods! Zó ver durft het speculatieve denken te gaan! In die pulchritudo, die geschouwde heerlijkheid, worden wij door de Dogmatik binnengevoerd!
Ik kan het me indenken, dat een dergelijke visie voor vele theologen en predikanten bekoorlijk en aansprekend is. Zij worden er een ogenblik door opgetild boven de grauwe nuchterheid van de dagelijkse plichten en het verkeer met kleine mensen. Maar de weg van het geloof is anders! Abraham was geen schouwend genie, geen speculatieve wijsgeer. 'Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou' (Hebr. 11 : 8). En tot die Abraham-gehoorzaamheid heeft Luther ons willen terugroepen.
Daarom zou ik nu ds. Spijkerboer en alle Barthianen willen vragen: Waar vind ik bij Luther, bij Calvijn, of bij één der andere reformatoren uitspraken, die ook maar enigszins op de speculaties van Barth lijken? Waar komt u bij hen een taal, een lyriek, een passie tegen, die er ook maar in de verte aan herinnert? Niet dat zulke uitspraken in de 16de eeuw ook niet voorkwamen. Zeer stellig! Maar dat was aan het hof van de Italiaanse Renaissancevorsten. Dan denk ik aan de werken van Ficino en van Mirandola. De laatste heeft een studie geschreven, waarin gedachten staan, die treffend overeenkomen met Barths visie. 'De mens is door God geschapen als een levend, groeiend, zich evoluerend wezen; aldus schept God nog voortdurend door ons, en wij scheppen door Hem'. Maar dat zijn allemaal woorden, die wezenlijk vreemd zijn aan Luther en Calvijn. Voor hen is de mens niet meer, dan een 'mannetje uit het stof verrezen'. Zij kennen zulk een hoge gedachtenvlucht niet. Zij zijn als Abraham 'niet wetende, waar hij komen zou'.
Daarom is het voor mij een onoplosbaar raadsel, hoe bij de Barthianen zich hun liefde en bewondering voor Barth rijmen laat met hun geloofsverbondenheid met de hervormers. Naar mijn bescheiden besef moet het immers de gaafheid en waarachtigheid van de persoonlijkheid aantasten en ondermijnen, om zó tegengestelde theologische meningen met zich mee te dragen. Om er maar van te zwijgen, hoe dat op den duur het gezag en de geestelijke kracht van hun prediking en ambt ondermijnen moet. Men kan niet Luther en Calvijn liefhebben en tegelijk Barth vereren. Wie meent het te kunnen, is naief. Hij heeft óf Luther nooit goed verstaan, óf hij vat de draagwijdte van Barths gedachten niet. Waar ik dus tegen opkom, is, dat men door de Reformatoren met Barth te verbinden, hun een Evangelie toedicht, dat zij nadrukkelijk nooit als Evangelie hebben willen aanvaarden.
In de nabijheid van het moderne denken
Wij moeten tot een afsluiting komen. In de voorafgaande regels hebben wij erop gewezen, dat de omslag in Barths denken hem gebracht heeft in de nabijheid van de Renaissance. Wat echter actueler en belangrijker is, is dat hij daardoor ook in de nabijheid is gekomen van het moderne denken, dat immers de rijpe vrucht van geen vreemdeling is in het wetenschappelijke Athene onzer dagen, is die nabijheid duidelijk aanwijsbaar in Barths verbondsbeschouwing en in zijn benadrukking van het historische proces.
En daarmee staat Barth dus in de onmiddellijke nabijheid van een humanistisch en atheïstisch denken, dat radicaal gebroken heeft met de klassieke en traditioneel christelijke onderscheiding van hemel èn aarde, van tijd èn eeuwigheid, van de werkelijkheid Gods èn de geschapen werkelijkheid. Hij staat vlak bij een denken, dat het heil niet meer stelt in een werkelijkheid boven en buiten de tijd, buiten deze bestaande wereld, maar als aardse toekomst in het historisch proces. Want het voldragen Renaissance-denken is historisch denken, dat de mens centraal stelt. De Duitse filosoof Hegel is er de grootste vertegenwoordiger van. En na hem Marx. En in onze eeuw wordt dat denken verder opgestuwd door Teilhard de Chardin en Sartre en Heidegger.
Dat moderne, atheïstische, humanistische denken is een vloedgolf van Arianisme, dat over de kerk heenspoelt. Want zoals Arius de goddelijke natuur van Christus ontkende, zo ontkent het moderne humanisme het eeuwige, hemelse, goddelijke, metafysische merg van het christelijk ge loof. Het laat ons alléén de mens, het menseliike!
Tegen de achtergrond van dat immense gevaar vraag ik nu aan ds. Spijkerboer: Is hij niet met mij van mening, dat gezien de reformatorische inzet van Barths theologie, de zwenking in zijn denken een grote verzwakking van de kerkelijke positie heeft betekend? En niet zonder aarzeling moet ik daar ook de vraag aan toevoegen: Is daarom Barth niet mede schuldig aan het verdriet, dat in het Getuigenis tot uitdrukking is gebracht over de weerloosheid, meegaandheid en karakterloosheid van zovelen in de kerk ten opzichte van die steeds driester opdringende tijdgeest? Heeft Barths bazuin, die in de dertiger jaren zo krachtig heeft geklonken, tegenover dit gevaar, dat de essentie van de christelijke boodschap aantast, geen onzeker geluid gegeven?
Maar ik heb er geen behoefte aan, om stenen te werpen naar eventueel schuldigen, zelfs niet als zij op de meest vooraanstaande plaatsen stonden, en daarom een veel groter verantwoordelijkheid droegen. Ik wil alleen proberen, om over de machtige en verleidende stem van Barth heen wat gehoor te verkrijgen voor de stem van Luther en Calvijn, van Kierkegaard en Kohlbrügge, als vertolkers van het Abraham-geloof, dat niet wandelt door aanschouwen. 'Theologia crucis dicit quod res est; de theologie van het kruis zegt wat werkelijkheid is', zei Luther. En hij voegde daaraan toe: 'Want door het kruis worden de werken afgebroken en Adam wordt gekruisigd' (Heidelberger Disputatie, 1518). Wie daar bovenuit wil stijgen, wordt verstrikt in lege begrippen en ijdele dromerijen, die het Evangelie verduisteren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's