De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De aanspraak bij het gebed

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De aanspraak bij het gebed

Het gebed

10 minuten leestijd

Het hoogste niveau

Wanneer we tot iemand gaan spreken, dan zegt de manier waarop wij hem of haar aanspreken reeds heel veel over de betrekking, die er bestaat tussen die persoon en ons.

Soms zullen we iemand tutoyeren. Dat wijst als het goed is op een vertrouwelijke omgang als tussen kinderen van één huis of tussen vrienden. Ongepast tutoyeren (dus met 'je' en 'jou' aanspreken) doet denken aan de uitdrukking: uitjouwen. Dan halen we daarmee iemand naar beneden.

Omdat die aanspraak zo gevoelig ligt geven we ons, wanneer we ons mondeling of schriftelijk tot iemand wenden, zoveel rekenschap van de manier waarop we ons tot iemand richten. Een minister van de Kroon noem ik, als ik geen familie of bijzonder vriend van hem ben, niet bij zijn voornaam, maar ik spreek hem aan met 'Excellentie'. Daar zit een erkenning in van zijn hoge functie, al druk ik daarmee nog niet uit, of ik hem gaarne in die hoge positie zie. Er zit nog niets persoonlijks in.

De mens, die gaat bidden, gaat spreken tot de Koning der koningen. Geen wonder, dat het een bloedernstige vraag is, met welke woorden hij zich tot de hoge God zal wenden. Nu zitten in de naam, waarmee de Heere Jezus Zijn discipelen God leert aanspreken twee elementen. In de eerste plaats de erkenning van Zijn hoogheid en heerlijkheid. Hij is in de hemelen en wij zullen naar het woord van onze Heidelberger van Zijn hemelse Majesteit niet aardselijk d.w.z. niet naar onze aardse maatstaven denken.

Maar daar zit in de tweede plaats bovendien die persoonlijke betrekking in. Het is niet alleen een erkenning van Zijn goddelijke Majesteit. Maar er zit in al z'n kortheid een geweldige geloofsuitspraak in. 'Vader', dat is een naam, die alleen gebruikt mag worden door degenen, die Zijn kinderen zijn. Zij erkennen niet alleen Zijn hemelse heerlijkheid, maar doen dat ook gaarne. Die heerlijkheid is de eer huns Vaders en duizendvoudig de troost Zijner kinderen.

In de openbaring Gods gaan eenvoud en majesteit vaak samen. De zon aan de hemel is maar één enkel hemellichaam. Maar zij bevat een onuitputtelijke bron van licht en warmte. De zee — alleen maar water, en toch hoe machtig bij storm en stilte. Onze Vader — twee woordjes. Vader — één woordje! En toch hoe geweldig beslissend en alomvattend.

Daarom is het te begrijpen, dat een mens er zijn strijd mee kan hebben om die naam te gebruiken. Want het is de allerhoogste Naam. Er zijn hoge en heerlijke namen in de bijbel, waarmee God aangesproken wordt. De Verbondsnaam 'Heere' is wel de meest gebruikte. Dan is het weer: , 'o Heere, onze God' of: 'Heere der heirscharen', of: 'o heilige en waarachtige Heerser', of: 'Gij zijt de God, Die gemaakt hebt...', of: 'och Heere, Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden'. Maar — Vader — dat is de top van de berg. Het is 'de kroon van Zijn heerlijke namen'. Daar is de verloren zoon weer thuis. Maar daar ligt een hele geschiedenis achter. Hier wordt de verhouding met die grote God en die nietige mens, die Hem aanspreekt, van de heilige God en de onheilige mens, van de rechtvaardige God en de schuldige mens gesteld in het volle licht van Gods vergevende zondaarsliefde in Christus.

Daar zit het werk van Christus achter, om Wiens wil verloren zondaren tot kinderen Gods worden aangenomen. Hier gaat het over mensen, die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, maar die uit God geboren zijn. Hier zit het werk des Heiligen Geestes achter, de Geest der aanneming tot kinderen, waardoor wij roepen: Abba, Vader. Het gebruik van deze heerlijke naam is dus geen vanzelfsprekende, maar een wonderlijke zaak. We kunnen zelfs zeggen, dat wie deze twee woordjes 'Onze Vader' bewust in het geloof uitspreekt, eigenlijk niets meer te wensen heeft. Wat zal een zondig mensenkind, die alles verbeurd en het oordeel verdiend heeft, meer begeren, dan dat de grote God van hemel en aarde zijn Vader wil zijn en daarmee alle dingen, die zijn geestelijk en stoffelijk welzijn betreffen, voor Zijn rekening neemt. We denken onwillekeurig aan de mooie uitlegging van de eerste woorden van de Apostolische Geloofsbelijdenis in zondag 9, waarin deze alomvattende zorg aan die Vadernaam verbonden wordt — een uitlegging, die eindigt met de woorden: dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader. Zelfs Zijn kastijding krijgt hier een vaderlijk karakter. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. .. In die aanspraak zit de samenvoeging van de allerhoogste verhevenheid met de allergroot­ ste liefde. Geen naam is met deze te vergelijken. Gods onbegrensde macht stelt zich voor het geloof in dienst van onpeilbare liefde.

Wie mag deze naam gebruiken?

Met de volkomenheid van deze naam vol genade en majesteit is de vraag gegeven: Wie mag deze naam gebruiken? Het is duidelijk, dat deze naam alleen in het geloof op de lippen genomen kan worden. Hier wordt niet alleen erkend, dat de Heere God is. Maar ook dat Hij onze God is. Zelfs een God, Die ons tot een Vader wil zijn.

Als de catechismus spreekt van een gebod van Christus om God zo aan te spreken, dan is dat vanzelf niet een formeel, uiterlijk bevel, dat met het eenvoudig uitspreken van deze woorden is vervuld. Neen, de gehoorzaamheid aan het 'gij dan spreekt aldus' is geloofsgehoorzaamheid, zoals ook heel de catechismus staat in het teken van het oprechte geloof. Het pure feit, dat God de Schepper is ook van ons leven, is niet voldoende om ons het recht te geven die naam te gebruiken, wanneer ons hart zich niet tot Hem bekeert. Dan komt de terechtwijzende vraag van Godswege: en Ik een Vader. Waar is Mijn eer? (Mal. 1 : 6).

Ik las eens de opmerking, dat God als het ware liever een klap in het aangezicht heeft, dan dat wij zomaar de Vadernaam Hem nabauwen (naroepen, nagalmen). Het wereldleven om ons en ons eigen innerlijk leven met al z'n onrustige bewogenheid en donkere diepten, ziet er allesbehalve uit als behorende tot het huisgezin Gods.

Maar in die bewogen wereld spreekt God en roept ons tot Zich. Zijn Woord gaat voorop. Het is een Woord van Goddelijke radicaliteit. Het spaart ons niet. Het dringt met z'n licht door in de kelderverdieping van ons leven. Door de kracht des Geestes overtuigt het van zonde, gerechtigheid en oordeel. Maar dat Woord is even radicaal in de verkondiging van Jezus Christus als de Weg tot den Vader. In Hem en door Hem is er een toegang tot het Vaderhart. Verloren zonen, die tot zichzelf gekomen zijn, worden in Hem aangenomen niet als huurlingen, maar als kinderen, ofschoon zij belijden moeten niet waardig te zijn Gods kinderen genoemd te worden. Waar het Woord ontsloten en het hart geopend wordt, beginnen zij, al is het van verre, het aangezicht des Vaders te zien.

Zelfs het ver afgezworven Israël, waarvan de geestelijke hoererij met striemende woorden gehekeld wordt, wordt teruggeroepen opdat het zal zeggen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd (Jeremia 3:4 en 19). Want God is een God, Die de afkeringen Zelf geneest, wanneer afkerige kinderen tot Hem wederkeren.

Het is duidelijk, dat hier de roepstem Gods klinkt in het kader van het verbond. Dat maakt Israels ontrouw des te schuldiger. Maar terugkerende mag het met de verloren zoon zeggen: ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan.

Onze oude schrijvers maakten onderscheid tussen de uitgaande en de wederkerende daden des geloofs. Dat zijn termen, die ons vreemd geworden zijn. Zij verstonden eronder, dat het iets anders is, wanneer ons hart vertrouwend de toevlucht neemt en dus uitgaat tot God; of dat het tot zichzelf terugkeert en daarbij van zichzelf verzekerd is: ik ben een gelovige, ik ben een christen, ik ben een kind van God. Nu staan deze oude schrijvers op het standpunt, dat ook al is het nog niet gekomen tot deze innerlijke zekerheid omtrent ons kindschap, het geloof, dat in oprechtheid tot God uitgaat, deze Vadernaam mag gebruiken, omdat het zeker mag zijn van Hem krachtens Zijn Woord. Een kind, dat door een aanzienhjk iemand geadopteerd wordt, zal misschien moeite hebben om 'vader' te durven zeggen. Het'leert dit alleen, omdat hij; die het aangenomen heeft, zelf gezegd heeft: zeg maar 'vader' tegen mij. Vanzelf gaan onze gedachten naar het Doopsformulier, waarin gezegd wordt, dat God de Vader, wanneer we in Zijn Naam gedoopt worden, ons betuigt en verzegelt, dat Hij ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt. Dat spreken Gods gaat voorop. 'Gij dan zegt .aldus: Onze Vader. ..', zegt Jezus tot de discipelen, die dan heus nog niet zover gevorderd zijn op de weg des geloofs en wat betreft het inzicht in de weg der verlossing.

Van Luther is bekend, dat hij er soms moeite mee had de Vadernaam te gebruiken. Hij spreekt dan van een stamelen en stotteren van die Naam. Maar hij wil het toch niet laten gelogen zijn. Bij Calvijn is deze aarzeling er veel minder. Zijn bidden is mannelijker, dat van Luther vaak kinderlijker.

Het valt wel op, dat, als wij de liturgie onzer kerk uit de tijd van de Reformatie raadplegen (de formuliergebeden achterin onze kerkboekjes) er eigenlijk geen enkel gebed is, waarin de Vadernaam niet, hetzij in de aanspraak, hetzij in de loop van het gebed, gebruikt wordt. Onze Vaderen zien én gemeente én huisgezin altijd vanuit het wezen des geloofs, hoe klein en aangevochten pok.

Evenwicht

Ik wil niet voorbijgaan aan het juiste evenwicht van grondstemmingen, die de catechismus aan de Vadernaam verbindt, nl. kinderlijke vrees en kinderlijk vertrouwen. Wij leven in een samenleving, waarin kinderlijke vrees in het gezinsleven een onbekende zaak dreigt te worden. Wat er vroeger weleens teveel was en de vertrouwelijke omgang van ouders en kinderen schaadde, is er nu te weinig. Daarmee hangt samen het ondermijnen van alle ontzag voor het gezag van hen, die God gebruiken wil om ons te regeren. Nu wil men alles zetten op de persoonlijke kwali­ teiten van de gezagdrager. Maakt hij zijn gezag niet waar (naar onze mening althans), dan verwerpen we zijn gezag. Afgezien van de roeping van de gezagsdrager om het hem door God Zelf toevertrouwde gezag inderdaad hoog te houden, is de gesignaleerde houding tegenover het gezag, in dit geval, van de vader, niet juist. Bij het vaderschap past altijd het element van gezag. Hoe oneindig veel meer dan, wanneer het gaat over die Vader, Die in de hemelen is.

Bij het vaderschap past ook het vertrouwen. Er kan een zware schuld op ons drukken, wanneer wij beseffen, dat onze kinderen ons hun vertrouwen niet schenken. Dat kan onze schuld zijn. Dat kan in het gebed nooit Gods schuld zijn. Hij vraagt vertrouwen. Hij is dat vertrouwen waard. Dat ontzag en dat vertrouwen houden elkaar in evenwicht. Het ontzag bewaart voor onheilige gemeenzaamheid. Het vertrouwen bewaart voor een afstand, die het toevlucht nemen belet of belemmert.

Psalm 103 zihgt van de hoogheid van Gods troon boven de aarde; maar ook van Zijn vaderlijke ontferming boven die van ons vaders, die boos zijn. (Ps. 103 : 11—13; Matth. 7:9—11).

Meervoud

Niet 'mijn Vader' maar 'onze Vader' leert Jezus bidden. Zoals heel dit gebed een correctie is op het lage niveau, waarop ons gebedsleven zich beweegt, zo ook al dadelijk dit eerste woordje. Ons bidden is vaak al te egocentrisch. We doen alsof wij er alléén zijn met onze persoonlijke nood en die van degenen, die aan ons verbonden zijn. Christus verlegt het zwaartepunt naar Hem, tot Wien wij bidden. En dan gaat het bovenal om Hem en om degenen, die aan Hem verbonden zijn.

Bovendien versterkt dat 'onze' de gemeenschap des geloofs, het gezamenlijk behoren tot het verbond der genade; het vermeerdert de vrijmoedigheid om tot God te naderen, het verbreedt onze blik en het wordt door Jezus gehandhaafd in de laatste drie beden van het allervolmaaktste gebed, al gaat het 'Uw' van de eerste drie daarboven uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De aanspraak bij het gebed

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's