De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

De invloed van het gereformeerde volksdeel in de E.O.

Onder deze titel publiceerde de heer E. Hofman een artikel in het Kerkblad van de Geref. Gemeente van Gouda van 26 mei. De aanleiding ertoe ligt in het feit dat de schrijver een lans wil breken voor het streven van de Evangelische Omroep evangeliserend bezig te zijn in de Nederlandse samenleving. Ook al deelt de heer Hofman de bezwaren die er in de gereformeerde gemeente leven tegen de tv, hij is het niet eens met de negatieve opstelling van velen uit zijn kring tegen de E.O. Hofman is van mening dat juist het gereformeerde volksdeel een bijdrage zou kunnen leveren in de vormgeving van de E.G. Hij meent dat vele E.O.-programma's lijden onder een zekere onvolwassenheid, te zeer uit een methodistische hoek komen en te weinig aandacht schenken aan de zonden in de maatschappij. In dit vérband schrijft hij:

Behalve dit is het eveneens hoogst noodzakelijk, dat de maatschappij in al haar structuren doorgelicht wordt. De zonde in de maatschappij moet aangewezen worden. De strijd tussen Christus en de duivel moet zichtbaar gemaakt worden. De christelijke gemeenschap heeft behoefte aan antwoorden op maatschappelijke problemen, op vragen over het christelijk onderwijs.

Er moet aandacht besteed worden aan: gezagsproblemen, democratisering, maatschappijkritiek, vakbewegingen, politieke stromingen, de taak van de overheid enz. Wij moeten weten wat onze roeping is in onze maatschappij. Vroeger meende mén te kunnen volstaan met het handhaven van tradities. Tegenwoordig moeten de ouders het nut, het waarom van de traditie aan hun kinderen duidelijk maken. kunnen

Dit alles vraagt om meer dan wat kritische commentaren. Het vraagt om een grondige doorlichting van al die problemen, zoals dat b.v. onlangs gebeurde in de E.O.-programma's over homofilie. Met dit programma ging het de goede kant uit. Het moet een vanzelfsprekende zaak worden om de problemen grondig en veelzijdig te benaderen.

Zolang de E.O. zich niet met haar volle gewicht werpt op bezinning, bestudering en belichting van de opdracht die christenen in de maatschappij hebben, zal ze de kinderschoenen niet ontgroeien. Men krijgt soms de indruk dat de E.O. Nederland als een soort ontwikkelingsland ziet. Maar dan vergeet men, dat we een volk zijn met een eigen geschiedenis en cultuur. Deze zijn geworteld in het denken van elke Nederlander. Laat de E.O. ernaar streven een christelijke cultuur te bevorderen die stoelt op de rijke gereformeerde traditie van ons vaderland.

Zijn de bovenontwikkelde gedachten een haalbare kaart? De E.O. is zo opgebouwd, dat het merendeel van haar leden voortkomt uit de gereformeerde bevolkingsgroep (de Geref. Bond in de Ned. Herv. Kerk, de Chr. Geref. Kerk, de Geref. Gemeenten, Verontruste Geref. enz.).

Juist in deze kringen is er in de laatste decennia een diepgaande bezinning geweest over de roeping van christenen in het maatschappelijk leven. Als uitingen hiervan kunnen gezien worden de verhoogde activiteiten in het stichten van scholengemeenschappen (het Ref. Atheneum in Rotterdam, de pogingen om tot een Geref. Sociale Academie te komen enz.). Deze ontwikkelingen moeten voortgezet worden.

Wij moeten er onze krachten voor beschikbaar stellen. Ook in onze plaatselijke gemeente zijn er mensen die met gaven voor hoofd en hart toegerust zijn om te kunnen meehelpen de E.O. te maken tot een reformerende kracht in onze samenleving, niet alleen wat de vertolking van de bijbelse boodschap betreft, maar evenzeer met betrekking tot de doorwerking van Gods Woord in onze ontkerstenende maatschappij. De gehele gereformeerde gezindte moet hier haar roeping verstaan en haar tijd en gaven besteden aan het welzijn van kerk en maatschappij in ons vaderland.

Men kan de vraag stellen of het reëel is' op te roepen tot deelname aan de E.O. en tegelijk te adviseren zelf de tv buiten de deur te houden. Is dit geen meten met twee maten. De door Hofman bepleite doorlichting van de maatschappij in al haar structuren zal toch ook via de tv moeten geschieden. Ongetwijfeld heeft de auteur gelijk als hij waarschuwt voor de gevaren van de tv. Maar de oprichting van de E.O. beoogde toch mede om dit medium te gebruiken voor uitzendingen die verantwoord zijn, opbouwend en zo ons volksleven mogen dienen vanuit een bijbels-reformatorische visie. Niettemin menen we dat de schrijver waardevolle gezichtspunten aan de orde stelt en terecht wijst op de brede aandacht die het calvinisme altijd gehad heeft voor de roeping van de christen in staat en maatschappij.

Een teken aan de wand

Het volgende is overgenomen uit de Persschouw van Waarheid en Eenheid van 29 mei. Het is afkomstig uit het P.C.B.O.blad, het orgaan van de Prot.-Chr. Bond van Onderwijzers, t.w. een artikel van ds. Barthold van Ginkel, Pasen feest of geloofsgetuigenis. Van Ginkel geeft hier een moderne visie op de opstanding, zoals we die regelmatig tegenkomen in de huidige theologie. We citeren uit zijn artikel enkele passages:

Het Paasfeest van de kerken sterft in de harten van de westerse mensheid. Twee houthakkers a la Bonifacius doen de Boom van de Bijbelse Boodschap trillen. Als eerste verschijnt de natuurwetenschap met haar methode om een causaal ordeningsnet te leggen over de verschijnselen. Zij rekent niet met een 'hogere wereld', ' een wereld van God als oorzaak. Zij zoekt de oorzaak binnen de werkelijkheid waarin wij leven. Deze wetenschap weet door te dringen tot in het micro-mechanisme van de evolutie: het codeschrift van de erffactoren in sperma en ei. Nu wordt een menselijk ingrijpen in het rad der geboorte mogelijk. Denk u in: mensen programmeren de mens die nog geboren moet worden. Dat is een bijlslag die aankomt. (...)

De wetenschap van de historisch-kritische methode keek de bijbelschrijvers strak aan en vroeg: Zijn uw verhalen inzake zichtbaar ingrijpen en wonder­ bare uitreddingen een verslag van een historische toedracht? Men analyseerde (om één voorbeeld te noemen) het verhaal van de muren van Jericho. Het bleek dat ter plaatse ingestorte muren konden worden opgegraven. Alleen... een nauwkeurige analyse kwam tot de slotsom: die muren van Jericho zijn vier eeuwen eerder ingestort dan de eeuw, waarvan de verteller zijn verhaal dateert.

Éérst waren er de ruïnes. Deze ruïnes dienden als illustratiemateriaal voor een Geloofsgetuigenis in de vorm van een vertelling. En zo geschiedt dit slag op slag. Het gaat om het Bróód: het geloofsgetuigenis. Als het geloof ervan overtuigd is: 'Zó zou het hebben kunnen gebeuren', dan vertelden zij in hun geloofs-verhaal: 'Zó is het gebeurd!' Dat is voor de oosterse verteller geen fraude; het is zijn 'geestesoog', zijn pathos. (...)

Velen dachten: de vier Evangeliën zijn ooggetuigeverslagen. Later heeft de kerk op grond van die verslagen een christologie gebouwd. Eerst het verslag, daarna het dogma. Het analytische onderzoek toonde aan, dat het precies andersom ging. Eerst was er de jonge kerk onder de Eucharistische maaltijd. Eerst was er de geloofsvisie, de kerkelijke geloofsvisie op Jezus (waarbij Paulus een belangrijke rol speelde) en vanuit de kerkelijke geloofsvisie zijn de vier Evangeliën geschreven. Het is een brede visie waarin de toen reeds aanwezige geloofs-visievarianten werden samengebonden. Vier Evangeliën: vier kerkelijke geloofsnuanceringen. De 'ooggetuigen' keken met een geloofsoog.

Indien het een kerkelijk geloofsgetuigenis is: Jezus is overwinnaar! dan komt (evenals bij Jericho) de vraag op: Maar hoe zit het met de historische toedracht? ' Als we lezen: Jezus zei dit of dat, is dat dan Jezus Zélf of is dat de gelovige kerk, die Jezus de woorden in de mond legt met de overtuiging 'dat had Hij, de Verwachte der eeuwen, kunnen zeggen!' Bijvoorbeeld de instelling van het Avondmaal, de instelling van de Doop (compleet met trinitarische doopformule, Mattheüs 28 : 19), is dat nu Jezus Zelf of de kerk via de mond van Jezus? (...) Van Gethsemané naar de rechtzaal... Marcus, het eerstgeschreven Evangelie, geeft verslag van een nachtelijk proces, compleet met schuldigverklaring. De historicus Mommsen betwijfelt dit. Bij de Romeinen mocht men nl. een verdachte niet uit de nachtrust houden. Wanneer wij nu goed lezen in de goede volgorde: Marcus, Mattheüs, Lucas, Johannes, dan bemerken wij, dat de vertellers het Marcus-verslag afzwakken. Het nachtelijk 'proces' wordt een 'verhoor' in de vroege morgen... het verhoor wordt bij Johannes een 'privé-gesprek' met de hogepriester.

Och, zouden de vertellers zeggen: de historische toedracht is maar deeg... het gaat om het Brood der verkondiging! Jezus, overwinnaar... en dat begrepen de joodse leiders niet, helaas. (...)

Van Ginkel tekent voorts twee soorten Paasfeestvierders. De ene groep:

Zij zeggen: Ik stel mezelf de vraag niet: Komt de engel, die Jezus in Gethsemané ondersteunde uit de geloofskoker van de kerk? ', ik stel mezelf de vraag niet: Zijn er werkelijk Jeruzalemmers op het Jeruzalemse kerkhof mét Jezus opgestaan, vanachter hun zerken? ' (Matth. 27 : 53). Het gaat hen om de Boodschap, het geloofsgetuigenis! Zij geven zich over aan de Melodie van verzoening en verlossing en eten op Goede Vrijdag het Brood der overwinning. (...) Andere gelovigen, ook christelijke opvoeders, hebben de bijlslagen gehoord en de Boom zien trillen. Zij vragen zich af: ls het primair gaat om een geloofsgetuigenis, waarom moet ik dit kerkelijke geloofsgetuigenis als een onfeilbare, indiscutabele visie op Jezus aanvaarden? Omdat de kerk dit zegt: Ja knikt tegen haar eigen geschriften? Omdat ik in mijn hart het 'testimonium' voel: Zó is het! Maar als mijn hart wel luisteren wil, maar ook de bijlslagen hoort, is er dan ruimte voor PASEN ? (...) Ik dacht: Er is altijd ruimte voor de vraag: Gij dan, wie zegt gij dat ik ben? ' Sommige gelovigen antwoorden in 1973: Opstanding is voor mij: een ervaring. De ervaring dat Jezus opstaat in elk gebaar van mededogen, dat Jezus opstaat in elk gebaar van protest ten bate van verdrukten. Opstanding wordt dan: een steeds doorgaand gebeuren! Op Goede Vrijdag eten wij dan het brood dat naar dit doorgaande gebeuren heenwijst.

Zo vieren wij, in meer dan vier nuancen, Pasen. Wij vormen een wonderlijke, warrige, maar toch Geestelijke stoet langs maanlicht en ritselende wilgeblad'ren, langs kruis-staties en derde-wereldwinkels! Je kunt het ook exclusiever zeggen, maar dan zeg je minder.

Het is wat laat voor een paasbijdrage. Dat ben ik met u eens. Dat we toch uw aandacht hiervoor vragen is niet omdat de inhoud zo verrijkend zou zijn. Maar omdat we dit signaleren als een teken aan de wand. Zonder commentaar en zonder protest wordt dit in een blad van de chr. onderwijzers overgenomen. In het orgaan van de Vereniging van Chr. Onderwijzers, 'De School met de Bijbel' wijst de heer R. Rintjema daar terecht op:

In het officiële orgaan van de grootste organisatie van christelijke onderwijzers wordt dit zonder commentaar als Paasbijdrage opgenomen. En daarmee spreekt de P.C.B.O. in feite uit, dat ook deze 'nuance' een waardevolle plaats mag innemen binnen de muren van het onderwijs op de Scholen met de Bijbel. Of, neen, men heeft daar maar een bijbel (zonder hoofdletter), die immers slechts zegt, hoe het zou hebben kunnen zijn. Niemand weet natuurlijk, hoe het wérkelijk geweest is. Paulus suggereert zo wel het één en ander in 1 Corinthiërs 15, maar die man indoctrineert dan ook verschrikkelijk. De P.C.B.O. waagt het liever met Barthold van Ginkel. Onbegrijpelijk! Waar blijven de protesten van al die duizenden christelijke onderwijzers, die toch ook vandaag nog naar de Schriften willen leven? Mogen we hen met Paulus toeroepen: 'Misleidt uzelf niet... Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God.' ?

Ieder die de zaak van het chr. onderwijs een goed hart toedraagt moet hier toch van schrikken. Beschouwingen als van Van Ginkel zijn in wezen een brok oud-modernisme, negentiende-eeuwse vrijzinnigheid waar onder meer ook de schoolstrijd van de vorige eeuw tegen gericht was. In die strijd ging het erom de kinderen van ons volk in het onderwijs met de Schrift en de Christus der Schriften in aanraking te brengen. Nu, in 1973 bevat een toonaangevend blad van een van de organisaties van het chr. onderwijs een dergelijk vrijzinnig artikel, dat vierkant indruist tegen de bijbel. Dat noemen we een teken aan de wand. Is Van Ginkels visie volgens het P.C.B.O. legitiem op de chr. scholen? Of een alternatieve mogelijkheid? Of is het zo niet bedoeld? Er is reden naar mijn mening deze vragen te stellen. En er is reden waakzaam te zijn. Laten allen die enige verantwoordelijkheid dragen in dit opzicht, ouders, schoolbesturen, personeel erop toezien opdat ons niet de bijbel in het chr. onderwijs ontnomen wordt en we terugvallen in het modernisme van een vorige eeuw.

Handoplegging door een ouderling?

Het gebeurt meerdere malen dat bij de bevestiging van een kandidaat tot predikant ook ouderlingen aan de handoplegging deelnemen. Behoort dit tot de bevoegdheden van een ouderling ? Deze vraag werd prof. dr. G. P. van Itterzon, specialist in kerkrecht, voorgelegd en in het Hervormd Weekblad van 17 mei gaat deze erop in.

Volgens de kerkorde mag dit niet. Ord. 3-21-5 luidt: 'De bevestiging van hem, die voor de eerste maal in het ambt van dienaar des Woords bevestigd wordt, geschiedt met oplegging van handen, waartoe de bij de bevestiging aanwezige dienaren des Woords mede worden geroepen'.

Ze sloot zich hierin aan bij de Dordtse kerkorde van 1618-'19, art. 4, die zich uitsprak voor 'oplegging dr handen door de dienaar, die de bevestiging doet, of enige anderen, als er meer dienaren zijn'.

De nieuwe kerkorde van de Gereformeerde Kerken voerde in zekere zin een beperking in, door in art. 7-3 te stellen: 'De bevestiging zal geschieden met oplegging der handen van de dienaar des Woords, die de beroepene in zijn ambt bevestigt'.

Bij deze wijziging heeft de synode der Gereformeerde Kerken blijkbaar niet naar prof. Nauta geluisterd, want hij schrijft in zijn Verklaring, bladz. 66: 'Er staat niet bij, dat ook andere dienaren des Woords, die bij de bevestiging tegenwoordig zijn, aan deze oplegging der handen moeten deelnemen, zoals artikel vier van de oude kerkorde zegt. De synode heeft er de voorkeur aan gegeven een dergelijke bepaling niet op te nemen. Persoonlijk ben ik van oordeel, dat er alle aanleiding was om haar in stand te houden. De praktische bezwaren, die men meende te moeten aanvoeren, zijn voor mijn besef niet van overwegende aard. De bedoeling is evenwel niet geweest het deelnemen aan de oplegging der handen door andere predikanten dan door hem, die de bevestiging verricht, te verbieden en geheel uit te sluiten. Waar men dit gebruik dus gewoon was te volgen, zal men er niet van behoeven af te wijken. Met dit al is het minder fraai, dat in de kerkorde over deze mogelijkheid niet wordt gerept'.

Intussen zijn er stemmen opgegaan, die bij de handoplegging van een jonge predikant in zijn eerste gemeente ook ouderlingen willen betrekken. Ze beroepen zich dan op 1 Tim. 4:14, waar Paulus zegt, dat Timotheüs de gave niet mag veronachtzamen, die hem 'krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten'.

Prof. Lekkerkerker schreef: Men kan er moeilijk principieel bezwaar tegen maken, dat bij de eerste bevestiging in het ambt ook een ouderling deelneemt aan de handoplegging. Al ware het alleen vanwege de 'gezamenlijke oudsten' in 1 Timotheüs 4 : 14. En als teken van aanvaarding namens de gehele gemeente. Overigens ligt voor ons het zwaartepunt van de handeling bij de aanvaarding door de dienaren in de regio: Die toewijzen, zegenen en uitzenden tot het ambt van 'de verkondiging'. 'Daarom lijkt het toch verstandiger de handoplegging te laten geschieden alleen door hen, die ook zelf onder handoplegging geordend zijn tot het ambt'. (Oorsprong en functie van het ambt, blz. 186).

Het ambtsrapport van prof. Van Ruller gaat verder en luidt: 'De aarzelingen, die er thans bestaan ten opzichte van een bevestiging van de ouderlingen en diakenen met handoplegging, en van een handoplegging door de ouderlingen bij de bevestiging van predikanten hebben geen principiële. Schriftuurlijke grond en moeten derhalve ook overwonnen worden'.

Veel genuanceerder is het rapport van prof. Berkhof, dat stelt: Werd het ambt met handoplegging verleend? In de brieven van Paulus lezen we daarover niets. In de Handelingen komt handoplegging herhaaldelijk voor, maar met zeer verschillende bedoeling. In sommige gevallen gaat zij gepaard met het verlenen van een ambtelijke opdracht, namelijk aan de zeven (6:6), aan Paulus en Barnabas (13 : 3), aan de oudsten in Klein-Azië (14 : 23). Volgens 2 Timotheüs 1 : 6 legde Paulus aan Timotheüs de handen op, volgens 1 Timotheüs 4 : 14 legde het college van oudsten hem de handen op, in 1 Timotheüs 5 : 22 wordt hij gewaarschuwd niet te gauw iemand de handen op te leggen. Meer weten wij niet'. Prof. Berkhof eindigt met de zin: Mogelijk was de handoplegging een specifiek joods gebruik, dat later ook bij de heiden-christelijke gemeenten ingang vond'. (Wat is er aan de hand met het ambt, blz. 30, 31).

Ook prof. Bavinck schreef over de handoplegging tamelijk gereserveerd. Zijn betoog kwam op het volgende neer: Jezus stelde Zijn apostelen alleen aan met het woord, zonder enige ceremonie. Bij de aanstelling van Matthias, Paulus, Barnabas, Silas, Lucas enz. wordt nergens van een handoplegging melding gemaakt; een algemeen gebruik bij de inleiding tot een kerkelijk ambt was zij zeker niet. Maar de handoplegging had plaats bij genezing, bij meedeling van de gave des Geestes, bij de aanstelling van diakenen. Volgens 1 Tim. 4 : 22 was zij bij de ordinatie tot een kerkelijk ambt algemeen in gebi'uik, doch een werkelijke mededeling van de geestelijke ambtsgaven was zij niet. Ze is geen wezenlijk element van de ordening, want noch bij Jezus zelf, noch bij de apostelen, noch ook bij de ouderlingen wordt er enige melding van gemaakt. De Statenvertalers plaatsen bij 1 Tim. 4 : 14 de kant­tekening, dat de handoplegging van Timotheüs was geschied 'van de vergadering der ouderlingen, of de opzieners der gemeente, in wier naam en tegenwoordigheid Paulus de handen Timotheüs had opgelegd'. Ook prof. Smelik schrijft: 'Aan deze handoplegging heeft Paulus deelgenomen of hij heeft het namens de oudsten gedaan'.

Samengevat: Volgens de kerkorde nemen alleen predikanten aan de handoplegging deel en is dit aan de ouderlingen niet toegestaan. Als de kerk hierin wijzigingen wil aanbrengen, zal zij met name 1 Tim. 4 : 14 nog eens goed moeten bestuderen. In zijn dissertatie wees prof. Bronkhorst er reeds op, dat in de pastorale brieven (aan Timotheüs en Titus) de woorden 'oudste' en 'opziener' dezelfde betekenis hebben, en dat juist in deze brieven gesproken wordt van tweeerlei ouderlingen, dus heel bijzonder ook van die ouderlingen, die zich belasten met prediking en onderricht (1 Tim. 5 : 17).

De vragen blijven: Namen alle ouderlingen aan de handoplegging van Timotheüs deel of alleen de ouderlingen, die met prediking en onderricht waren belast? Er is een grote variatie van mensen, die de handoplegging ontvingen en niet ontvingen. Heeft de handoplegging van Timotheüs rechtstreeks betekenis voor de handoplegging van predikanten?

Het is zoals u ziet geen antwoord in de zin van een duidelijk ja of neen. Heb ik Van Itterzon goed begrepen dan zegt hij: Kerkordelijk kan het niet. Bijbels valt er t.a.v. 1 Tim. 4 : 14 over te praten.

Deze wat gereserveerde opstelling hangt m.i. samen met de moeilijke vraag naar de betekenis van de handoplegging. In een voor de studentenvereniging 'Voetius' in 1957 gehouden lezing betoogde dr. H. Schroten destijds dat de betekenis van de handoplegging gelegen is in de bevestiging van een belofte die de schenking van de H. Geest geldt. De handoplegging is geen sacrament, niettemin acht Schroten ze een teken en zegel van de belofte van Gods Geest die bekwaam maakt tot het ambt. En deze belofte, waar wij biddend op pleiten mogen, geldt levenslang. Schroten laat zich hier niet uit over de deelname van ouderlingen aan de handoplegging bij de bevestiging van een predikant. Maar hij wijst er wel op dat wie bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen de handoplegging wil invoeren dan ook de consequentie moet aanvaarden dat men deze mensen bevestigt voor hun leven. Worden zij voor een bepaalde zittingstijd bevestigd, dan dient de bevestiging zonder handoplegging te geschieden. Tot zover Schroten in een zeer lezenswaardig artikel in Kerk en Theologie van 1958. We zien hieruit hoezeer rondom het ambt allerlei vragen meespreken die niet zo gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar die nietemin onze aandacht ten volle waard zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's