Belijdende kerk in onze tijd
Sydonaal gesprek over nota dr. Weijland
Tijdens de gemeenschappelijke vergadering van de hervormde en de gereformeerde synode, die vorige week in het Lucas-centrum te Utrecht gehouden werd kwam de eerste dag de vraag van het belijden aan de orde. Het gesprek werd gevoerd naar aanleiding van een nota van dr. H. B. Weijland, gereformeerd predikant te Arnhem, waarvan de titel luidde: 'Belijden 1973'. Het is een goede zaak te noemen dat een historische gebeurtenis als deze inzette bij het belijden. Daarom volgt hier eerst iets uit de nota.
De nota zet in met de opmerking dat een samenzijn als het onderhavige alleen zin heeft als er beleden wordt: schuld beleden en geloof beleden. Schuld beleden vanwege het geestelijk verschralingsproces, waarbij we ons af moeten vragen 'hoeveel kerk-zijn van óns in feite een verminkt christendom en onherkenbaar geloof is'. En gelóóf beleden, want kerkzijn begint op de knieën bij het kruis. Belijden, zegt dr. Weijland, houdt in: toestemmen, namelijk instemmend betuigen van het evangelie, dan getuige zijn en tenslotte leven. Bij het getuige zijn haalt dr. Weijland aan dat Paulus het hemels gezicht niet ongehoorzaam mocht zijn (Hand. 26 : 19). In dit 'het hemels gezicht niet ongehoorzaam mogen zijn' ligt hét motief tot belijden van de kerk.
Het hemels gezicht van de kerk van alle tijden is, zo vervolgt de nota, het Paasgebeuren: Hij leeft en Hij komt'. Hij, Christus heeft het belijden zelf waargemaakt. Hij is de getrouwe getuige (Openb. 1 : 15) die de goede belijdenis beleden heeft (1 Tim. 6:13).
Wie in navolging van Christus belijdt dient de gehele inhoud van de Schrift op zichzelf toe te passen. Men is dan niet klaar met verstandelijk ja zeggen op een 'zuvere waorheid'. Maar belijden is een reveil, het is hemel en aarde bewegen om anderen voor Christus te winnen, het is ook bewogen zijn met de naaste in zijn nood en verdrukking.
Het reformatorisch belijden
Over het reformatorisch belijden van de 16de eeuw zegt dr. Weijland dat daarin naar voren komt het bevrijd zijn van geestelijke bevoogding door de Rooms-Katholieke Kerkorganisatie. Het kindschap Gods werd weer 'gevierd'. Men bleef zo blijmoedig staande in het aangezicht van marteling en dood.
Guido de Bres schreef aan zijn vrouw, kort voor zijn executie: 'Ik ben verheugd. Mijn hart is opgewekt, in mijn bezoekingen ontbreekt mij niets. Ik ben vervuld met de overvloed van de rijkdom van mijn God... Ik breng nu in practijk wat ik anderen gepredikt heb. En zeker, ik moet het belijden, namelijk dat ik, toen ik predikte sprak als een blinde over de kleuren, zo ik het vergelijk met wat ik nu door bevinding gevoel... Ik heb de Heilige Geest, die mij voortdurend bezielt'.
'Men zal moeten erkennen', zo stelt de nota dan, 'dat in de reformatie beslissingen zijn gevallen, die ook voor onze tijd een diepe geldigheid hebben behouden. Zeer veel is toen door onze vaderen uit de Schriften naar boven gebracht, waar wij niet omheen kunnen, centrale punten waar onze kerken met overtuiging achter willen blijven staan. In de belijdenissen worden antwoorden gegeven op de diepste vragen van de gelovige van alle tijden en een houvast voor de meest eenzame ogenblikken van de mens, wanneer hij staande voor de dood klaar moet komen met God en zichzelf. Als wij nu in onze tijd belijden dan moet dit biddend gebeuren vanuit een samen beleefd geloofsbeleven. Voorwaarde voor een gezonde leer is de broederschap, méér dan dat uit het hebben van de gezonde leer de broederschap voortkomt. Belijden in deze tijd betekent dan , de souvereiniteit van Gods genade uitzeggen over het gehele leven en de proclamatie van Christus Kurios, Christus is Heere. Zulk belijden betekent intussen ook belijden met de handen, namelijk lenigen van nood en betrachten van gerechtigheid. In dit verband merkt dr. Weijland op: 'Inhaken op allerlei politiek-progressieve ideeën is op zichzelf nog niet 'to the point' omdat daardoor een ander nog niet uit zijn eenzaamheid wordt gehaald. Hij wordt pas geraakt en tot geloof bewogen door een stuk offervaardigheid en zelfverloochening voor hém'. Ook pleit dr. Weijland daarbij voor 'meer hardheid' bij het ontmaskeren van de zonde. Hij vraagt': 'Zijn wij de laatste tijd niet te lief geweest voor onszelf en voor de ander, waardoor de duidelijkheid van het evangelie schade leed? Christus beminde wel de zondaar maar niet zijn zonde'.
Inzake een nieuw belijden voor onze tijd — waarbij de auteur overigens niet pleit voor een nieuw belijdenisgeschrift, zegt hij dat de kernen die thans in het geding zijn zijn het Schriftgezag, het Godsbeeld, en de toekomst. Wat het Schriftgezag betreft: 'God Zelf spreekt ons in de Schrift persoonlijk aan door Zijn Geest. Voor de uitlegger van de Schrift betekent dit grote behoedzaamheid bij interpretatie en ook waardeoordeel. Wat het Godsbeeld betreft: 'de triniteit (de Drieëenheid) is wezenlijk voor het Godsbeeld'. En wat de toekomst betreft: 'Wij menen dat het boek Openbaringen niet onduidelijk over een catastrofaal einde van deze wereld spreekt, waarna Christus Zijn heerschappij op de nieuwe aarde vestigen zal'. In verband met het actueel belijden zegt dr. Weijland ook dat duidelijk positie gekozen moet worden tegen datgene wat de gemeente bedreigt.
De kerk zal nee moeten zeggen tegen de geest van autonomie van de mens (waarbij de mens zelf bepaalt wat goed en kwaad is), tegen de geest van rationalisme (de mens met zijn kennis heeft het laatste woord), tegen het syncretisme (vermenging van godsdiensten), het historisch materialisme (de marxistische visie op de maatschappij), het kapitalisme en het egoïsme.
Binding aan de belijdenis
In een tweede hoofdstuk gaat dr. Weijland in op de kwestie binding aan de belijdenis. In de Ned. Hervormde Kerk is dat in de loop van de tijd anders verstaan dan in de Gereformeerde Kerken. In de hervormde kerk legde men de nadruk op de 'geestelijke en medische wijze', waarop de belijdenis moest functioneren. Het belijdend spreken droeg daar een ontspannen karakter. Het 'samen ziek, samen gezond' van Hoedemaker was bepalend voor het samen kerk-zijn. In de gereformeerde kerken betekende binding aan de belijdenis eenstemmigheid in de leer. Na de Doleantie viel de ontwikkeling in de hervormde kerk — zo zegt Weijland — confessioneel bezien (door gereformeerde ogen bezien) zonder meer mee. 'Daartegenover kon niet ontkend worden dat de ontwikkeling in de gereformeerde kerken na de hereniging in 1892 wellicht wat is tegengevallen'. Uitgesproken ketterse elementen konden lange tijd worden geweerd. Maar hierover bestaat juist in de laatste tijd twijfel. Er is in beide kerken een zekere afstand gekomen ten aanzien van de belijdenis. Maar een gemeenschappelijk distantie-nemen betekent nog geen eenheid. Wil men samen op weg gaan dan zal toch het reformatorisch kernbelijden uitgangspunt moeten zijn.
Dan vervolgt dr. Weijland echter met de opmerking dat wij in onze tijd de belijdenis die vierhonderd jaar geleden werd opgesteld wel met omzichtigheid moeten hanteren, omdat die belijdenis werd opgesteld in een tijd van verdrukking en inquisitie. 'Het maakt verschil of men de vergeving uit genade om Christus' wil belijdt met de rug tegen de brandstapel of in hemdsmouwen tussen de slaplanten'. Zo komt hij dan tot deze conclusie: Niet door het slaafs-letterlijk eindeloos te herhalen, maar door er — als een getrouw getuigenis — mee op de geestelijke barricaden van deze tijd te gaan staan, doen wij recht aan wat er staat. Dan zullen de opstellers ervan — uit de wolk der getuigen (Hebr. 12 : 1) — ons bemoedigen bij de wedloop die vóór ons ligt. Dan wordt het ons gaarne vergeven, wanneer de optelsom van het geheel (bij de opstelling waarvan zij grote zorgvuldigheid betracht hebben; bedoeld is dus de totaal-inhoud van de belijdenis) door de lange tijdsafstand geleidelijk plaats maakt voor een optimaal aantal kernen van belijden, waarin de geestelijke verwantschap met het reformatorisch bedoelen maximaal tot uitdrukking komt'.
Weijland waarschuwt dan voor een orthodoxie die de belijdenis stijf aan het hart drukt en tegen het liberalisme dat vlucht voor de religie en van de tegenstelling tussen zonde en genade niet meer weet en het kwaad nog uitsluitend ziet in de structuren.
Wanneer het er dan om gaat dat beide kerken zullen hebben te weren wat het belijden weerspreekt dan zullen de gereformeerden iets moeten prijsgeven van de gedachte dat door voortdurend te schorsen leergeschillen kunnen worden opgelost, en de hervormden zullen iets moeten prijsgeven van de gedachte dat door algemene uitspraken een concrete ketterij voor het oog van de gemeente afdoend kan worden ontmaskerd.
Tot zover de nota van dr. Weijland. Voor verdere commentaar zie men elders in dit blad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's