De legerpredikant in onze tijd
Situatie
Er is wel enige reden om over de legerpredikant in onze tijd te schrijven. Hij timmert niet zozeer aan de weg en het blijkt dat veel oudere lezers nog denken aan hun diensttijd met de 'veldprediker' van toen. De situatie is dan nu wel heel anders. Vroeger enkele veldpredikers met een tamelijk wankele rechtspositie, nu naast de ongeveer vijf en zeventig legerpredikanten nog een vijftigtal predikanten bij marine en luchtmacht, van wie de positie keurig is geregeld.
Tegelijkertijd echter is de legerpredikant van nu wel behoorlijk op de tocht komen staan. Dat geldt van twee kanten: zijn predikantschap en het zijn in de krijgsmacht van vandaag.
Als predikant in het leger heeft hij geen kerkeraad naast zich, hij is niet beroepen door degenen onder wie hij werkt en er is geen gemeente in de gewone zin van het woord. Wat dat betreft is een legerpredikant eerder zendeling of evangelist. Met bij zich ook nog enkelen, die hem gaarne als voorganger van een hechte gevestigde gemeente willen zien.
Daarnaast treft hem de wind van verzet tegen en critiek op de krijgsmacht. En in de publiciteitsmedia, bij een aantal jongeren en uit verschillende hoeken van de Kerk waait die wind stevig. Mogelijkheden om iets recht te zetten, ontbreken vaak en er wordt ook in de kerk veel over hem gezegd en geschreven, waarbij hij zelf niets mag zeggen.
Dat is de situatie.
Het zijn in de krijgsmacht
De critiek op de legerpredikant als behorende tot een organisatie die geweld zou voorstaan, treft de legerpredikant natuurlijk niet alleen. Hij deelt die met vele anderen: beroepsmilitairen, de vrijwilligdienenden, en ook de dienstplichtigen.
Meer dan ooit wordt de vraag gesteld: behoort een Christen wel te dienen, mag hij wel deelnemen aan een apparaat, waar geweld en dodelijke wapenen gebruikt kunnen worden? Die vragen komen uit de kerk, maar ook enigszins hypocriet van buiten de kerk.
De argumenten die naar voren komen zijn deels oude, deels ook nieuw van onze tijd, o.a. het atoom-pacifisme. Het is hier niet de plaats daar uitgebreid op in te gaan. Theologisch moet gezegd worden dat veel redenaties opkomen uit een onberedeneerd optimisme over de mensen en de samenleving. Terwijl overal geweld en agressie, hebzucht en egoïsme, zichtbaar en aangewezen worden, meent men dat een instantie die defensie en gezag moet dienen wel gemist kan worden. In dit verband kan men toch. wel spreken van de krijgsmacht als een noodzakelijkheid, zij het dan een kwade noodzakelijkheid, waarbij het kwaad dieper zit dan alleen bij de krijgsmacht, namelijk bij ons allen.
Deze zaak staat niet alleen en op zichzelf. Tegelijkertijd wordt ook het recht en de bevoegdheid van de overheid aangevochten vanuit de ideologie van de mondige, zelfbeslissende mens.
Aangezien de krijgsmacht een instrument van de overheid is en haar bestaansrecht aan die overheid ontleent, is het te begrijpen dat ze terugvalt op de overheid en critiek krijgt van allen die in een grote vlaag van werelds optimisme al het bestaande willen veranderen, zonder echter te weten hoe mensen echt veranderd — dat is: bekeerd — moeten worden.
Hoewel de legerpredikant zelf geen militair is, wordt hij natuurlijk wel zeer in de bovengeschetste problematiek betrokken. Door vragen en opmerkingen wordt hij wel gedwongen mee te denken en te spreken over de zaken die oorlog en vrede betreffen. Hij kan en mag zich daaraan niet onttrekken met een mogelijk beroep op een hogere roeping.
Hij staat immers naast mensen die, onder de krijgstucht gesteld, een bijzonder grote en gevaarlijke verantwoordelijkheid hebben opgedragen gekregen. Zij hebben recht te horen wat God in Zijn Woord over en tot hen zegt, ook in hun dagelijkse situatie. Ze vragen daar waarschijnlijk ook meer naar dan een handelsreiziger, huisvrouw of agrariër.
Gelukkig heeft de overheid tot nu toe haar plicht verstaan om, wanneer ze mensen deze verantwoordelijkheid geeft om desnoods met geweld medeburgers te verdedigen, ook voorzieningen te treffen dat de betrokkenen geestelijke verzorging en bijstand kunnen ontvangen. Dat is de overheid moreel verplicht. En de kerken zullen daarvoor mensen moeten afstaan.
Naast de vrijwillig dienenden is er ook een groot aantal dienstplichtigen. Dat dit een dienst is — en dienen is toch een christelijke zaak — zal vaak duidelijk moeten worden gemaakt. Naast het gebod in de Bijbel om niet te moorden, staat ook de taak van de overheid om te beschermen, desnoods met het zwaard. Dat laatste mag geen uitleven van wraak worden. En wie weet waartoe een mens in staat is?
Het is de vraag of in de catechese, op onze christelijke scholen, op de jeugdverenigingen deze dingen wel eens aan de orde komen.
Gezonden met het Evangelie
Hoezeer de legerpredikant betrokken is bij de discussie rondom het leger en de vragen van oorlog en vrede, zijn taak gaat daar allerminst in op. Hij is in de eerste plaats predikant, dienaar van het goddelijke Woord. Maar dan vooral in de vorm van zendeling of evangelist.
Er is weinig zichtbaar van een gevestigde gemeente. Op zondag is het bijzonder stil in de kazernes en legerplaatsen. Dit geldt natuurlijk niet van de situatie in Duitsland en overzee. Maar in Nederland zal er nauwelijks op zondag nog een kerkdienst in het leger zijn. Gepreekt wordt er niet meer zo. Het zijn meest gesprekken, georganiseerd in een lesuur of in het Militair Tehuis, of zo maar in een kantine, op een kamer of in het veld.
Daar ontmoet de legerpredikant heel wat: onverschilligheid, ontstellende onkunde en massa's misverstanden, ook ongeremd gevloek en zedeloos gepraat. Bij hem komt men met sociale problemen. Toch moet een legerpredikant geen sociaal werker worden, daar is in de militaire dienst een eigen Sociale Dienst voor.
Wat dan? Het belangrijkste is mensen, ook militaire dus, in aanraking worden gebracht met Jezus Christus. De confrontatie met Hem is het eerste, de ethiek — hoe te leven en te handelen — komt daaruit voort. Alleen Jezus Christus geeft zin aan het leven, zowel van de individuele mens als van de maatschappij. Zo is het positief gesteld, in de practijk gaat het net anders, daar wordt meer aangewezen hoe het niet gaat, dat het leven geen zin heeft zonder Jezus Christus. Dus moeten er steeds weer misverstanden rondom de Bijbel, rondom de Kerk en het Evangelie worden weggeruimd. Naast misverstanden is er onverschilligheid, dat alle godsdiensten bijvoorbeeld toch gelijk zijn. En bovenal de zonde van hoogmoed en egoïsme. En die zonde is in de krijgsmacht even weerbarstig als daarbuiten.
Op het gebied van de ethiek geldt vaak een grote eenzijdigheid. Een dienstplichtige zal zich soms heftig beroepen op het zesde gebod, dat hij niet doden mag, maar lapt het zevende over huwelijkstrouw aan zijn militaire laars. Maar ook daarin is hij een kind van onze samenleving.
Toch heeft een legerpredikant bijzondere mogelijkheden. Zeer velen met wie hij in gesprek komt, zouden buiten de dienst om zelden bereikt kunnen worden. Het verreweg grootste gedeelte heeft nauwelijks of geen kontakt meer met de kerk. Dat geldt ook van de Rooms-Katholieken waarmee de legerpredikant spreekt. De verschillen Rome — Reformatie zeggen de meesten niet zoveel meer. Een legerpredikant zal niet zijn kerk moeten gaan verdedigen, wel echter de Bijbel en het Evangelie moeten brengen. Van daaruit kunnen we dan echt verder gaan.
Gelukkig is er de allerlaatste tijd meer openheid voor de Bijbel. De z.g. Jesus Movement zal daar wel een reden voor zijn. Er wordt openlijker gesproken over het geloof, er worden meer Bijbels en Nieuwe Testamenten verkocht, er ontstaan hier en daar spontaan bijbelkringen.
Twee dingen wil ik nog opmerken over de legerpredikant in onze tijd: Eerst de tendes om van de geestelijke verzorging in het leger zoiets als maatschappij-vorming te maken, of persoonlijkheidsvorming. De overheid in haar 'neutraliteit' ten opzicht van het Evangelie, tendeert daar ook naar. Dit berust op een gehumaniseerd mensbeeld. De kerk mag daar niet aan mee doen. Alleen geloof in en gehoorzaamheid aan Jezus Christus kan mensen en samenleving echt hervormen.
Het tweede, geheel anders, is de klacht: Je ziet bijna nooit een legerpredikant in dienst. Veel ouders komen met die opmerking van hun zoon. Is dit anders dan in de gemeente, die klacht over de dominee? De krijgsmacht telt 140.000 mensen, er zijn een 120 predikanten in dienst. Van die 140.000 hebben velen gezinnen, de helft is maar kort in dienst, er zijn veel overplaatsingen. De meesten zijn slechts van maandagmorgen tot en met vrijdagmiddag bereikbaar. Vandaar...
Tenslotte: De legerpredikanten vormen momenteel een van de voorposten van de kerk. Dat is geen militaire kreet, maar een verzoek: Bidt voor ons, dat God ons de deur des Woords opene.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1973
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1973
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's