De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Berkouwer contra Graafland

In de onlangs uitgegeven bundel: De religie van het belijden schreef prof. dr. C. Graafland over de verwarring in het theologisch denken van onze tijd, veroorzaakt door het subtiele theologoumenon, dat God en mens geen concurrenten zijn, maar eikaars bondgenoot (blz.88); en Graafland vervolgt dan: 'Dat moet doorgaan voor het echte bijbels-israëlitische denken, maar in feite is het een judaïstisch-pelagiaans denken, dat in de Schrift zelf reeds zich openbaart in zijn vijandschap tegen Christus en zijn exclusieve en volkomen genade'.

Prof. dr. G. C. Berkouwer is het getuige zijn artikel in het Geref. Weekblad van 25 mei met deze zienswijze niet eens. Met een verwijzing naar de bekende t.v. mededeling 'storing' en 'even geduld' waarbij het beeld uitvalt, meent hij ook hier te maken te hebben met een situatie waarin het licht uitvalt en ons geduld op de proef gesteld wordt. Berkouwer beroept zich op theologen als Barth, Schoonenberg en Bavinck om te laten zien dat afwijzing van de concurrentie-idee niet betekent een pleidooi voor de autonomie of zelfstandigheid van de mens tegenover God, maar wel dat men ernst wil maken met de bijbelse gedachte dat God de mens roept om zijn medearbeider te zijn.

De afwijzing van de concurrentie-idee is us niet iets nieuws, aldus Berkouwer. raaflands vrees betekent dan ook in feite, at de motieven in een onzuiver licht gelaatst worden en dat aan hen die de conurrentiegedachte afwijzen met een beroep op de bondgenootschappelijke omgang van God met de mens, geen recht gedaan wordt. Berkouwer meent dat Graafland in zijn afwijzing kennelijk Buskes op het oog heeft en hij schrijft in dat verband:

Ik vraag me maar niet af, wat Buskes hier wel van denken moet evenals van dat 'de Schrift leert anders'. We spitsen onze oren en horen dan , dat wij door de zonde wel concurrenten van God zijn geworden, die niets liever zouden willen dan zelf God zijn en die daarom ook van zichzelf geloven, dat zij goed zijn en uit hun eigen bronnen kunnen leven'.

Plotseling wordt hier een geheel ander concurrentiebegrip ingevoerd (de vijandschap tegen God) en daarmee wordt dan in de bezinning over de plaats, die de mens van Godswege ontvangt, ingegrepen. Ineens valt — in de discussie — het licht uit, omdat het over geheel andere dingen gaat en van wat bedoeld werd (Bavinck, Barth, Schoonenberg, Buskes e.a.) niets meer overblijft. Het gehele probleem — met z'n wijde consequenties èn gevaren — valt weg en de indruk wordt gesuggereerd, dat men met het 'geen concurrentie' bedoelt een judaïstisch-pelagiaans denken en dat daardoor de grote verwarring ontstaat in de kerk.

Hier wordt niet maar gewaarschuwd tegen gevaren van een nieuw activisme, van een dreigende zelfroem (het Babel, dat wij bouwen!), maar wordt een storing veroorzaakt in de discussie, een vraagstelling terzijde geschoven, die niet tegenover het evangelie werd uitgedacht, maar in dat evangelie werd gefundeerd. En het is geen wonder, dat de discussie dan haar zin verliest, als tegenover het duidelijk omschreven 'geen concurrentie' gesteld wordt: wèl concurrentie nl. de vijandschap tegen God. Deze analyse van de verwarring slaat nergens meer op. Ze is gegroeid uit een diep wantrouwen, waarmee men anderen gadeslaat en hun (duidelijke) woorden in een kader plaatst, dat alleen maar bevreemding kan wekken.

We begonnen met de t.v., met de storing en het dan volgende 'even geduld a.u.b.'. Als dat gebeurt, wachten we geduldig in de hoop, dat het spoedig voorbij zal zijn. In de storingen in kerk en theologie is zulkk een geduld nauwelijks mogelijk, als we er van overtuigd zijn, dat althans deze storing — dit uitvallen van het beeld — niet nodig was geweest. Want de storing is ontstaan uit een 'interpretatie', die in lijnrechte strijd is met wat gezegd en bedoeld werd. En daarin ligt dan de verwarring, die machteloos maakt om het misbruik van het 'geen concurrenten' te weerstaan. Ieder mens wil best even geduldig zijn, als hij wel wachten moet. Maar hier — in kerk en theologie — zó passief geduldig te zijn, is ons niet toegestaan. Een andere weg wordt ons gewezen nl. elkaar rechtdoen, géén dubieus licht werpen op de overtuiging van anderen en zo de weg openhouden om alle mogelijke soorten van verwarring te doorbreken en achter ons te laten.

Ik moet zeggen dat het geheel van Berkouwers positiebepaling me niet erg helder geworden is, mede ook door de verwarrende beeldspraak van de t.v. storing. Is het inderdaad zo dat de vraagstelling: God en mens geen concurrenten in het evangelie werd gefundeerd door de theologen die Berkouwer noemt? Kan men Schoonenberg en Bavinck in een rij zetten?

Graaflands antwoord

Onder de titel Wie doet het licht uit? gaat Graafland in het nummer van het G.W. van 8 juni in op Berkouwers artikel. Graafland schrijft dat hij met verbazing van Berkouwers kritiek kennis heeft genomen. Vooreerst rukt Berkouwer immers een enkele zinsnede uit het verband (vragen van geloof en heiliging!), voorts suggereert hij zomaar dat Buskes bedoeld zou zijn door Graafland, terwijl laatstgenoemde in andere publicaties duidelijk heeft laten zien dat hij b.v. Fiolet en Buskes niet over een kam scheert. In het door Berkouwer op de korrel genomen artikel wordt de naam van Buskes trouwens nergens genoemd.

Wel heeft Graafland in zijn positiebepaling het oog gehad op die stromingen de verbondsomgang tussen God en mens steeds meer funderen in de schepping zonder te rekenen met de relatieverdervende macht van de zonde. Dan is het medewerker-zijn van de mens met God niet meer gefundeerd in de reddende genade van God in Christus, maar in het mens-zijn als zodanig.

Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk, dat Berkouwer zelf ook voortdurend in zijn artikel over de God-mens relatie spreekt zonder dat hij de verwoestende kracht van de zonde daarbij in rekening brengt. Als Berkouwer schrijft, dat God wel jaloers is tegenover de afgoden, maar met de mens gemeenschap zoekt, dan worden door hem deze afgoden en deze mens zo van elkaar gescheiden alsof zij niets met elkaar te maken hebben. Is het echter juist de mens niet, die deze afgoden maakt en dient, ja zichzelf tot afgod verheft, omdat hij afkerig is van de levende God, die zijn schepper is? Zo is de mens concurrent van God. En deze mens kan niet losgedacht worden van de mens als schepsel van God. Want het schepsel-zijn en het zondaar-zijn kunnen sinds de zondeval niet meer van elkaar worden losgedacht. En wanneer men dat wel doet door b.v. een visie op de natuur van de mens te geven, die door de zonde radicaal is aangetast in haar relatie tot God, dan komt men terecht in een denkklimaat, waartegen juist de Reformatie zich teweer gesteld heeft, toen zij de zondigheid van de mens zo radicaal beoordeelde en daartegenover ook de radicaliteit van de verzoenende en vernieuwende genade van God in Jezus Christus stelde, sola gratia en sola fide.

En dat ligt in de lijn van de Schrift zelf. Want als Paulus in 1 Cor. 3 : 9 spreekt over het medewerkerzijn van de mens met God, dan trekt hij geen rechtstreekse lijn vanuit de schepping en vanuit het mens-zijn als zodanig, maar dan heeft hij het over zijn apostelschap en over de christelijke gemeente en over het fundament, dat in Jezus Christus gelegd is. Alleen de door Gods genade vernieuwde mens is medewerker van God. En de verwarring in de huidige theologie is, dat deze twee, de natuurlijke mens en de door Gods genade vernieuwde mens door het geloof in Jezus Christus niet meer of niet meer voldoende van elkaar worden onderscheiden. En daarin ontdek ik een tendens, die ook in het semi-pelagianisme reeds aanwezig was. Ten diepste worden natuur en genade met elkaar vermengd.

Aan het slot van zijn artikel signaleert Graafland het merkwaardige feit, dat Berkouwer ' ineens afhaakt omdat hij meent zo niet verder te kunnen praten. Omdat hij de schim van dachtmaking en misbruik en oneerlijk gesprek ziet. Berkouwer gaat dan morele oordelen vellen.

Dat vind ik bijzonder jammer. Bij mijn weten is dit de tweede keer, dat Berkouwer zo reageert. (Ik denk aan het door Berkouwer afgebroken gesprek met Velema rondom zijn boekje over Kuitert). Berkouwer haakt dan af en is niet tot verder spreken geneigd. Waarom toch? De man, die het volhoudt om honderden bladzijden lang en lankmoedig te discussiëren, soms met theologen die heel ver van hem af staan, wordt op bepaalde momenten heel kort van stof. Dat betreur ik zeer. Van mijn kant wil ik zeggen, dat ik meen, dat wij in de huidige verbondstheologie op het verkeerde spoor zitten en dat daarbij de reformatorische kernnoties van de radicaliteit van de goddelijke genade in het geding zijn. Als ik dat mis heb, zou ik graag op zakelijke gronden willen worden weerlegd. Maar niet door alleen maar op grond van een enkel citaat te zeggen: nu gaat het licht uit... Want dat juist op dit moment bij Berkouwer het licht uitgaat en (gelet op het bovengenoemde geval) dan niet meer aangaat, zou wel eens een bewijs kunnen zijn, dat het niet aan de zender ligt, maar aan het toestel of aan de antenne van het toestel. In ieder geval gaat er op ditzelfde moment, dat bij Berkouwer het licht uitgaat, bij mij een lichtje branden. Maar dan wel een rood lichtje.

Berkouwers weerwoord

In hetzelfde nummer van het G.W. gaat Berkouwer nogmaals in op Graaflands artikel. Hoewel hij dankbaar is voor de verheldering die Graafland geeft handhaaft hij toch zijn bezwaren. Graaflands kritiek op de fundering van de verhouding God-mens in de schepping zonder rekening te houden met de zonde, klopt z.i. niet op de situatie. Er zijn immers vele theologen die het concurrentieschema afwijzen en toch terdege rekehen met de ernst van de zonde.

Daarom moet men m.i. niet over een 'subtiel theologoumenon' spreken (dat oorzaak der verwarring is), óók niet, wanneer het soms of meermalen in een aan de Schrift vreemd kader wordt geplaatst, evenmin als ik het 'sola fide' een theologoumenon noem, als het antinomianisme op een bepaalde manier op de loop gaat met dat 'sola'. Veelmeer moet men de diepe betekenis in het 'geen concurrenten' zien en laten zien in de betekenis, waarin het door velen aan do orde gesteld is, als belijdenis over God, over Wie Hij is en hoe Hij handelt. Als de woorden ook in goede zin kunnen worden gebruikt (zo begrijp ik dr. G.), dan wordt de analyse van de theologische situatie een verantwoordelijke zaak. Want als iemand onder de indruk gekomen is (zoals ik zelf) van wat Bavinck hierover schrijft (zie mijn artikel) en van Jean Daniélou in een prachtig artikel over 'la jalousie de Dieu' in waarachtig de levende God belijdende doxologische uitzichten midden in de menselijke schuld (ik citeerde hem reeds in 'De mens het beeld Gods' uit 1957), dan lijkt me dat legitiem, óók, omdat deze problemen een grote rol gespeeld hebben in de afweer van felle kritiek van Rooms-katholieke zijde op de Reformatie (vooral op Calvijn). En als dr. Graafland en ik daarover (wellicht) tot overeenstemming zouden kunnen komen en hij zou vragen of er dan geen gevaren zijn (het rode licht), dan zou ik hem willen antwoorden, dat die gevaren (zij het niét alleen hier) levensgroot zijn.

Ik mag hier misschien mezelf citeren uit een artikel uit 1969 over 'Geen concurrentie' o.a. over Buskes en Daniélou): 'Het is goed en vruchtbaar, dat een oud probleem onder nieuwe bewoordingen wordt belicht. De betekenis daarvan kan niet worden verminderd door te wijzen op allerlei gevaren, die uit het protest tegen het concurrentie-schema kunnen voortvloeien. Natuurlijk is het mogelijk dat men 'de mens', die niet uit het gezichtsveld verdwijnt, maar een zinvolle plaats krijgt, gaat verzelfstandigen, hem los gaat maken van God. Men kan het alles zélf weer in handen willen nemen in een nieuwe concurrentie, maar nu andersom, de mens als concurrent van God'. Ik heb op dit woord zakelijk reeds teruggegrepen in mijn artikel ('Even geduld ...') en ik wil graag met dr. Graafland niet alleen maar over een 'mogelijkheid' spreken. Ik heb waarlijk geen enkele behoefte om 'af te haken' alleen maar met een betuiging, dat dr. G. plots een ander begrip concurrent invoert (vijandschap). Ik wil alléén pleiten voor een blijvende bezinning over allen, die op de een of andere manier bezig zijn met de vraag, hoe God die vijandschap overwint èn hoe Hij dan die van vijand in vriend veranderde mens plaatst in een zo grote verantwoordelijkheid, dat we er heel ons leven over moeten blijven nadenken, om er dan door onze eigen Catechismus nog aan herinnerd te worden, dat dit alles ten nauwste samenhangt met onze zekerheid en onze vrijmoedigheid.

Ik wilde, dat ik de dissertatie van dr. Graaland over de zekerheid des geloofs bij de hand had en zou er dan stellig vóór het verzenden van dit antwoord in gaan lezen. Nu dit niet het geval is vraag ik mezelf af, of ons verschil over dat 'subtiele theologoumenon' alleen maar een verschil is in de analyse van de theologische situatie dan wel een 'dogmatisch' (en dus praktisch) verschil, een vraag, waarop ik geen helder antwoord heb. Intussen eindig ik met hem te danken voor zijn uitvoerige reactie in verband met een thema, dat inderdaad véél theologische discussies beheerst, dat veel misbruikt wordt en dan tegenover dat misbruik beschermd moet worden vanwege z'n diepe zin en zijn wijde consequenties.

Totzover deze discussie. Mijn indruk is dat Berkouwer op de argumentatie van Graafland nauwelijks ingaat. En gelet op het feit dat ook Berkouwer toch weer wil erkennen dat de afwijzing van de concurrentie-idee gevaren in zich bergt, vraagt men zich af: Waar liggen de verschillen? Is dat alleen maar een verschil in benadering, d.w.z. een meer verzoeningsgezinde irenische benadering tegenover een scherpe polemiek? Of zit er meer achter? En hangt Berkouwers kritiek op Graafland toch ook samen met het door hem zo veelvuldig toegepaste correlatiemethode, waarbij toch ook een zwaar accent valt op de menselijke factor in het geloof, in het heil, in het spreken ook over God, de visie op de openbaring enz.

Wordt Berkouwers kritiek op Graaflands visie toch ook niet veroorzaakt door het feit, dat Berkouwer zelf ten diepste een optimistische visie heeft op de schepping, ook nadat zij gevallen is. Liggen er voorts geen verbanden met de algemene genade leer van Kuyper?

Natuurlijk gaat het niet aan Buskes en Fiolet, Kuyper en Berkouwer, Kuitert en Bavinck op een hoop te gooien. Maar de belangwekkende vraag is wel: Liggen er verbindingslijnen en zo ja, hoe moeten ze getrokken worden. 

Tenslotte toont deze discussie ook hoezeer er binnen de reformatorische theologie grote discrepanties bestaan. En het gaat dan om centrale vragen. Dat is niet bemoedigend. Temeer niet als we naast de theologie ook de kerk in het oog vatten. Immers wat zich op het vlak van de theologische discussie afspeelt, werkt door in de prediking, in de visie op de kerkelijke arbeid. Terwijl enerzijds enthousiast gesproken wordt over hervormd-gereformeerde toenadering blijkt aan de andere zijde dat er helaas sprake is van toenemende vervreemding van elkaar. Daarmee wil ik niet zeggen dat we pas op de plaats moeten maken, maar wel dat de vooronderstellingen van en de inhoud die gegeven wordt aan het samen-op-weg gaan positief-kritisch bezien moet worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's