Uw wil geschiede
Het gebed
Verschillende opvattingen
Waarom gaat het in deze derde bede ? Gaat het erom, dat God zijn wil volvoere, hoe dan ook ? Of daarom, dat wij zijn wil in ons leven volbrengen ? Klaarblijkelijk heeft de Catechismus uitdrukkelijk aan het laatste gedacht. Het antwoord in zondag 49 vraag 124 is zo geformuleerd: geef, dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Men heeft in de gereformeerde theologie vaak onderscheiden tussen de wil van Gods besluit d.w.z. dat wat Hij zelf besloten heeft te doen; en de wil van Gods bevel, dus datgene, waar wij ons aan te houden hebben. De eerste behoort dan volgens Deut. 29 : 29 tot de verborgen dingen, die voor de Heere, onze God zijn; de laatste tot de geopenbaarde, die voor ons en onze kinderen gelden, 'om te doen al de woorden dezer Wet'.
Toch merken we vaak aarzeling. De berijming van het Gebed des Heeren heeft de tweede bede zeer voortreffelijk weergegeven:
Uw Koninkrijk koom' toch, o Heer !
Ai, werp de troon des satans neer;
regeer ons door Uw Geest en Woord-;
Uw lof word' eens alom gehoord,
en d'aarde met Uw vrees vervuld,
totdat G'Uw rijk volmaken zult.
Maar bij de derde bede aarzelt de dichter tussen beide opvattingen. Enerzijds klinkt het:
Uw wil is altoos wijs en goed
't Is Majesteit al wat Gij doet;
Dat ieder stil daarin berust'...
Maar dan volgt de laatste regel:
en Uw bevelen doe met lust.
Afgezien van de meerdere of mindere dichterlijke waarde van deze berijming is het wel duidelijk, dat het accent valt op de aanvaarding van datgene, wat God besloten heeft over ons te brengen. Dat sluit het doen van Gods bevelen niet uit, maar het komt wat slap achteraan.
In een boekje over het Onze Vader van dr. J. W. Schulte Nordholt en ds. J. T. Wiersma staan een reeks illustraties, die bedoelen de inhoud der verschillende beden weer te geven. Bij 'Uw Koninkrijk kome' b.v. staat een tekening van een heiden, die zich laat dopen. Bij 'Uw wil geschiede' wordt een afbeelding gegeven van Job op de ashoop. Dus al weer de aanvaarding van wat God doet. Een tweede illustratie tekent Christus in Gethsemane. Nog een derde laat Christus zien voorgaande met het kruis op de schouder en een menigte kruisdragers achter Hem aan.
Het verband tussen beide opvattingen
Vanzelf is het berusten in iets wat God over ons brengt iets anders dan het actief volbrengen van het ons opgedragen werk. Toch hangen die overgave aan Gods verborgen welbehagen en het 'gewillig en ge trouw volvoeren van ons ambt en beroep (vr. 124) nauw met elkaar samen.
De eenheid van die twee komt misschien nergens dieper uit dan in het gebed van de Heere Jezus in Gethsernane. Daar is een ogenblik de duisternis zo groot, dat zowel het zicht op het grote raadsplan Gods als op de kruisweg, die de Heere zelf tot de uitvoering daarvan zal moeten gaan, teruggebracht wordt tot het aangrijpende van het nameloze lijden, dat Hem wacht. Maar in het hart des Heeren is er toch zowel de aanvaarding van hetgeen naar 's Vaders welbehagen niet anders kan, als de bereidheid de drinkbeker van dat lijden te drinken.
Uws Vaders wil in Eden
zo schandelijk vertreden
recht Gij alhier weer op,
wanneer Gij zacht en stil
Uw wille vlijt en voegt
naar Uwes Vaders wil.
(J. de Decker)
Calvijn spreekt in zijn Institutie veel over de wil Gods. Hij is het met Augustinus eens, dat men God onrecht aandoet, wanneer men naar een oorzaak der dingen zoekt, die hoger is dan Gods wil. Die wil Gods is volgens Calvijn enkelvoudig en alomvattend. Herodes en Pilatus, de heidenen en Israël moeten met elkaar Gods raad volbrengen (Hand. 4 : 28). vHeel de geschiedenis van Jozef wordt in psalm 105 : 17 samengevat met de woorden: Hij zond een man voor hun aangezicht henen. Bij die wil Gods is zelfs het verstokken van Farao's hart en dat van Kanaans ingezetenen inbegrepen (Ex. 9 : 16; Jozua 11 : 20). We staan hier voor een diepe afgrond, die we niet ten einde kunnen of mogen denken (Ps. 36 : 7). Gods oordelen zijn ondoorgrondelijk en zijn wegen onnaspeurlijk. Hij is in de hemel en doet al wat Hem behaagt.
Maar anderzijds is de wil Gods ook weer niet verborgen, maar nabij, in onze mond en in ons hart, om die te doen (Deut 30 : 14). Daarbij is het vanzelf een verkeerde manier van luisteren naar de Schrift, wanneer men de verborgenheid van wat God besloten heeft te doen uitspeelt tegen de duidelijkheid van wat Hij ons opdraagt te doen. Al ben ik mij bewust, dat elke vergelijking mank gaat, zijn misschien een paar beelden bruikbaar.
Het werk Gods wordt in de Schrift meermalen vergeleken met een gebouw, dat opgetrokken wordt. Het gehele bestek daarvan berust bij Hem. In het Woord laat Hij ons enkele hoofdlijnen daarvan zien. Maar wij hebben niet het recht inzage te eisen van het gehéél van het bestek. Onze plaats is niet in de directiekamer, maar op het kleine plaatsje in het grote werk, waar God ons wil gebruiken. Daar heeft Hij ons de werktekeningen gegeven, waaraan wij ons te houden hebben. Die werktekeningen komen misschien niet overeen met wat wij ons als bestek indenken. Maar dat kunnen wij niet overzien. Daartegenover past ons alleen vertrouwen in de wil van Hem, die wijs is en heilig en goed. Dat is geen fatalisme, maar geloof in Hem, die zóveel van zichzelf heeft bekendgemaakt, bovenal in de hoeksteen, die Hij gelegd heeft, dat er alle reden is, zowel ten aanzien van het gehele ontwerp, als met het oog op het ons opgedragen werk, te zeggen: Uw wil geschiede.
Misschien mag ik nog een ander beeld gebruiken. Ik denk aan het bevaren van een snelstromende rivier met veel bochten, ondiepe plaatsen, stroomversnellingen en watervallen. Eén man staat aan het roer. Hij is ook de enige, die vooruitziet, die weet, wat er komt en die de koers bepaalt, zodat het gehele vaartuig gehoorzaamt aan zijn wil.
Nu bedient die stuurman zich van roeiers. Zij zien niet verder dan het punt, waartoe zij gekomen zijn. Ten opzichte van de richting zijn ze afhankelijk van de wil van de bestuurder. Dat is een zaak van groot vertrouwen. Ook wanneer zij geheel aangewezen zijn op zijn aanwijzingen bij het roeien. Het ophalen en neerlaten van de riemen, aan de éne kant of de andere of aan beide zijden, hangt af van zijn bevelen. Wat de stuurman zelf doet en doen wil zegt hij niet allemaal. Wat zij moeten doen zegt hij precies. Zal de vaart gelukken, dan is het zaak, dat de roeiers niet hun eigen, misschien onderling ook weer uiteenlopende ideeën stellen tegenover de stuurman, maar vertrouwen én handelen vanuit de aanvaarding én de uitvoering van diens wil.
Als we dit beeld mogen toepassen, dan is het duidelijk, dat in de bede: 'Uw wil geschiede' niet alleen een lijdelijke onderwerping ligt aan Gods verborgen wil, al is de overgave daaraan zelfs de grondtoon. Maar het accent valt op het vaardig volbrengen van de wil des Heeren. Die wil kan inhouden, dat wij lijdzaam en gewillig een kruis b.v. een ziekte hebben te dragen. Maar de geloofsgehoorzaamheid trekt zelfs het lijden uit de sfeer van de lijdelijkheid, die iets geheel anders is dan de noodzakelijke lijdzaamheid. Daarin worden soms juist de diepste geestelijke krachten openbaar.
Hij die gebeden heeft in Gethsemane: 'Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, maar niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede', is Dezelfde, die gezegd heeft: 'Mijn spijze is, dat Ik doe de wil mijns Vaders, die in de hemelen is'. Door zijn Geest krijgt dit woord een, zij het zwakke, echo in het leven van zijn kerk, zodat zij leert vragen:
laat mij willen en niet willen
wat Gij wilt en niet en wilt.
(Jacq. van der Waals)
Karakter van dit gebed
De derde bede is het wonder van de nieuwe gehoorzaamheid. Zij hoort bij het gebed van de mens, die weer geregeerd wil worden. Hier triomfeert door de genade Gods de harmonie met Gods wil over de wil des vleses en der gedachten.
Het is de bede van een hart, dat de ellende van eigenwilligheid heeft leren kennen, dat de verzoening en daarmee de vrijmoedige toegang tot God zoekt en vindt in de gehoorzaamheid, waarmee Christus de wil zijns Vaders volbrengende leed en lijdende diens wil volbracht. Maar dat nu ook begeert, dat God ons lere naar zijn wil te handelen, en dat niet moede wordt de vele , variaties te beluisteren op dit éne thema, die we vinden in de 119de psalm.
Het is een ootmoedige bede. Er zit de belijdenis in van veel schuld en gebrek. De spanning van Rom. 7 is er in te proeven. De erkenning, dat onze voeten 'struikelende voeten' zijn.
Het is de bede van iemand, die de heerlijkheid van Gods wil heeft gezien. De Catechismus drukt dat in zijn uitlegging op verschillende manieren uit. Daarvan getuigt dat 'zonder enig tegenspreken'. Dat is niet bedoeld als een soort dressuur. De uitwendige gehoorzaamheid van sommige christenen in verband met bepaalde uitwendigheden doet al te vaak daaraan denken. Maar wat God vraagt is de gehoorzaamheid van het hart. Hij hoort scherp, wanneer we ons b.v. schikken in Zijn weg, of dat opgelegd of gemeend is, zoals in psalm 39 het zwijgen eerst alleen maar wettisch en pas in de diepte van het nietig en zondig mens zijn, evangelisch wordt.
Het is een bede, die gelijkelijk Wet en Evangelie voor ogen heeft. In de Wet zegt God klaar en heerlijk wat zijn wil is. Maar door ons vlees is die Wet krachteloos. Het gebed richt zich daarom tot Hem, bij wien mogelijk is, wat bij ons onmogelijk is. De billijke eis van Ezechiël 18: 'maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest' is goed en nodig om zorgeloze, oppervlakkige en veruitwendigde mensen wakker te roepen. Maar het zou alleen maar wanhopig maken, wanneer bekommerde mensen niet mochten pleiten op de beloften van het genadeverbond bij dezelfde profeet (Ez. 36): 'Ik zal u een nieuw hart geven en Ik zal mijn Geest geven in het binnenste van u, en Ik zal maken, dat gij in mijn inzettingen zult wandelen en mijn rechten zult bewaren en doen'. Daar hoort bij, dat in vers 37 staat: 'Daarenboven zal Ik van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe'. Dat is: Uw wil geschiede.
Vandaar het 'geef' waarmee de weergave van de Heidelberger begint. Geef dat wij en alle mensen. Terecht wij voorop en niet naar onze boze praktijk vaak achteraan. Wat is dat ook spontaan: wij en alle mensen. Hier geen beperking vanuit een verstandelijk theologisch redeneren. Maar zoals alles wat adem heeft opgeroepen wordt Gods Naam te verheerlijken, zo is diezelfde God waardig, dat al wat leeft Hem dient. Dat gaat gepaard niet zozeer met een vaak door heidense wijsgeren aangeprezen zelfbeheersing, maar met de schriftuurlijke zelfverloochening. Ook is' de Bijbel ver van de boeddhistische vernietiging van onze wil. Het is veeleer het genezen, het herstel van onze wil in harmonie met Gods wil.
Uitzicht naar alle kanten
De aarde geeft deze harmonie niet te zien. De roeiers trekken allemaal verschillend. Er is geen land mee te bezeilen. Ook in ons persoonlijk leven ontbreekt de harmonie al te zeer. Vandaar de bede van de psalmdichter: erenig mijn hart tot de vreze van Uw Naam (Ps. 86 : 11b).
Voor die harmonie richt de Heere Jezus ons oog op die niet-gevallen engelenwereld, wier gehoorzaamheid nergens heerlijker bezongen wordt dan in het slot van de 103de psalm. Zij zijn gedienstige geesten, waarvan wij de hemelse taak in bijzonderheden niet kunnen indenken, maar die hier op aarde de last volvoeren, die hun opgedragen is, hetzij in de uitvoering van Gods oordelen over Sodom of over de Assyriërs of over het onkruid tussen de tarwe, hetzij in het zorgvol begeleiden en bewaken van Gods kinderen (Ps. 91), in het bijzonder de kleinen onder hen (Mattheüs 18 : 10).
Het uitzicht op deze harmonie geeft bovendien aan deze bede een eschatologisch aspect. Deze bede strekt zich, evenals de beide vorige, uit naar de voleinding. Die grote toekomst drijft er overigens niet toe ons in louter bespiegeling af te zonderen. De tendenzen van de Calvinistische Reformatie is niet die van de wereldmij ding, maar veeleer van de wereldwijding. Vandaar het noemen van ambt en beroep. Dat maakt door ons staan in deze Wereld met ons eigen arglistige hart de volbrenging vaii die wil Gods niet geniak'lijker. luist dit accent op het actieve praktische bezigzijn op het verwarde, bonte, bewogen, door de macht der duisternis geïnfiltreerde wereldtoneel, maakt het bidden van de derde bede te meer noodzakelijk, omdat dit met veel kruis en offer gepaard moet gaan. Hier moet de Engel des Heeren in de wolkkolom voorgaan, opdat wij onze treden zetten in Zijn spoor. In de derde bede worden hemel en aarde in één adem genoemd. Dat kan alleen in die éne Naam, die beide verenigt. Ook dit gebed kan alleen worden opgezonden in de Naam van Jezus Christus, die als profeet de weg van Gods wil laat zien in zijn gebod; die als Hogepriester onze eigenwilligheid verzoent en zuivert en de weg tot het heiligdom der verzoening ontsluit; en als Koning ons door zijn Woord en Geest regeert en die ons in Gods beloften de zekerheid der verhoring meegeeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's