De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbond en Wet 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbond en Wet 2

Het Verbond Gods

9 minuten leestijd

Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van drs. K. Exalto, predikant te Hasselt.

Het Verbond der genade

Nu komen wij tot een heel nieuw hoofdstuk in de verhouding van God en mens. Na de val is door God zelf een geheel nieuw initiatief uitgegaan om de verbroken verbondsrelatie met de mens te herstellen. Er is een geheel nieuw element aan toegevoegd, dat van de onverdiende genade in Christus; vandaar de naam verbond der genade.

Sommige theologen hebben gesproken van een verbond der verlossing dat van eeuwigheid zou zijn. Zij hadden het oog op de zending van de Zoon door de Vader krachtens Zijn eeuwige Raad en verkiezing. Men schuive een dergelijke gedachte niet te gemakkelijk opzij als ware zij slechts speculatie. Pas als men aan dit eeuwig verbond der verlossing een zodanig allesbeheersende betekenis gaat toekennen dat al wat in de tijd door God gedaan is, dus Zijn verbondsoprichting met de gevallen mens, in de verdrukking komt, heeft men zich aan een grensoverschrijding schuldig gemaakt. Maar dat ons heil tot in de eeuwigheid teruggaat, tot in de verborgen Raad Gods is een voluit bijbels gegeven.

Openbaar is het echter pas geworden na Adams overtreding. Onmiddellijk na de val is de mens door God opgezocht. Terstond vond er een herstel plaats van de geschonden en verbroken relatie. Ook met de gevallen maar weder op te richten mens wilde God leven op de wijze van een verbond. Trouwens, alleen op de wijze van een verbond kon deze mens worden gered; weer zou Eén zich stellen in de plaats van allen. Gelijk allen in de ene Adam vielen zo zullen allen (die geloven) in de ene Christus worden behouden; en dat veronderstelt in beide gevallen een verbond.'

De eigenlijke bondgenoten zijn alleen de uitverkorenen. Voor hen heeft Christus zich Borg gesteld, voor hen heeft Hij betaald met Zijn bloed; alleen zij zijn in Hem, de Ene, begrepen, dus in Zijn verbond. En toch is het genadeverbond tegelijk ruimer dan alleen de uitverkorenen. De niet-gelovigen, zegt men dan (terecht) zijn wel IN het verbond maar zij zijn niet VAN het verbond. Zij delen in vele maar niet in alle zegeningen van het verbond. Omdat zij, hoewel bondgenoten, toch Christus en Zijn heil verworpen hebben zullen zij des te zwaarder geoordeeld worden. Het zal Sodom en Gomorra en Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan hen (Matth. 11 : 20 v.v.).

Dat het genadeverbond ruimer is dan alleen de uitverkorenen is onmiskenbaar in wat wij lezen van Abraham en zijn zaad. God heeft met beide zijn verbond opgericht; tot Abrahams zaad behoorden zowel Ismaël en Ezau als Izaak en Jacob.

In dit nieuwe verbond komt niet meer alles alleen aan op onze werken, maar op Gods genade in Christus, welke alleen door het geloof ons deel wordt. Hierdoor worden wij met God verzoend; zijn toorn wordt weggenomen, en ook onze natuurlijke vijandschap tegen God en Zijn Wet: de vrede keert weer.

De Wet krijgt nu ook weer een ander aanzien. Deze is niet alleen aanklager maar ook raadgever, helper, regeld voor een leven der dankbaarheid.

Toen God op de Sinaï voor het eerst de Wet openlijk afkondigde, zette Hij deze in het kader van het verbond. Aan de Tien Geboden gaat zoals algemeen bekend is de zogenaamde Aanhef vooraf, waarin God zelf zegt: Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. ..

Allerlei aspecten zijn er aan deze nieuwe verhouding waarin de Wet staat tot degenen die in het verbond der genade begrepen zijn. Dat deze aspecten zo verscheiden zijn komt omdat de mens die een ware bondgenoot Gods is een mens in herstel is. Er is in hem nog veel van het oude, er is in hem ook veel van het nieuwe. Hij is nog in Adam en hij is in Christus. Er is in hem vlees en Geest. Hij is, zoals Luther het zo treffend heeft geformuleerd, tegelijk rechtvaardige én zondaar.

Wij willen een opsomming geven van de voornaamste van deze aspecten; het zijn er drie.

Ten eerste, ook voor de ware bondgenoten Gods is de Wet nog een aanklager. Klassiek is dit geformuleerd in de Heid. Catechismus, zondag 44, waar wij lezen een antwoord op de vraag waarom ook voor degenen die tot God bekeerd zijn nog de Wet zo schérpelijk gepredikt moet worden. Dat antwoord luidt in eerste instantie aldus: 'Opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer höe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken...'

Er is in de Wet geen gebod dat ons niet onophoudelijk veroordeelt. Wie ook maar met één oog één ogenblik de Wet inziet, wordt herinnerd aan ongehoorzaamheid en afval. Dat wij geboren zijn en leven in een verbroken relatie met God is het doorlopend getuigenis van de Wet. Ook al hebben wij nooit gehoord van een verbond der werken dat verbroken is, als wij een waar christen zijn wordt de zaak die met deze term is aangeduid herhaaldelijk in ons geweten ervaren. Al onze werken hoe goed zij ook lijken leren wij kennen als met zonde bevlekt en bezoedeld; zodat wij er geen gerechtigheid voor God in kunnen vinden. En het is juist déze ervaring waarom het gaat in heel de leer van het werkverbond en de verbreking daarvan.

Men onderschatte intussen niet wat het is de Wet levenslang als aanklager te hebben. Hiermee staat de christen tot aan zijn dood toe onder zware druk. Luther placht nogal eens op Mozes, die aan de Sinaï de Wet ontving en hem daarna ook afkondigde, over te dragen wat van de Wet zelf geldt en zo het werk van de Wet aanschouwelijker en levendiger te maken. Hij spreekt dan over Mozes als onder andere zijn achtervolger, zelfs zijn beul. Hij prikkelt tot de zonde en veroordeelt ze tegelijk. Hij jaagt ons op zonder ons ooit tot rust te brengen. Binnen het verbroken werkverbond waarin wij en alle zondaren nog steeds leven is de Wet hard, hardvochtig, even onverbiddelijk als de dood. Er is geen mens wiens leven niet staat onder de heerschappij, in dit geval de tyrannie van de Wet. Men ziet het vaak niet, men weet het vaak niet, toch is het zo. Een gereformeerde evangelistiek (leer aangaande het evangelisatiewerk) zou opgezet moeten worden vanuit een doordenking van het werk der Wet, ook in ongelovigen, binnen of buiten het verbond.

Ten tweede, de Wet binnen het Verbond staat nooit los van Christus. Deze heet in de Schrift een tuchtmeester, ofwel pedagoog tot Christus. Christus zelf heet in dit verband het einde der Wet. Hij drijft zondaren uit tot Christus door Wie deze vervuld is. Hij is met eisen alleen niet tevreden, hij haakt naar haar vervulling. Als zodanig is de Wet, hoe hard die ook is, toch heilzaam. Men kan de Wet niet hanteren alsof er geen Christus is. Doet men dat toch dan brengt men de mensen óf tot eigengerechtigheid óf tot wanhoop. In het ene geval krijgt de mens het dwaas vermoeden aan de Wet te hebben voldaan en in het andere geval ontdekt hij de onmogelijkheid om de Wet te volbrengen maar weet hij niet waar hij ermee blijven moet. Immers wijst de Wet naar Christus heen. Mozes is niet alleen maar drijver en aanklager geweest, hij was ook een beeld, een type van Christus. Het is waar, uit zichzelf kan de Wet dit alles niet, maar God gebruikt deze als middel. Binnen het verbond der genade is de Wet een van Gods genademiddelen.

Ten derde, de Wet is de heilige regel van het Verbond. Een heilige regel was die al in het verbond der werken en is dat ook weer, in het verbond der genade. Dat verbond betekent naar haar aard herstel ! De ware bondgenoten ervaren dat Gods beeld in hen hersteld wordt, dat ook hersteld wordt de oude verhouding tot God die eens verbroken is, en dat eveneens hersteld wordt het heilzaam karakter dat de Wet eens had. Alles in het verbond der genade is hierop gericht. Het nieuwe is herstel van het oude, waarbij de mogelijkheid wordt opengelaten dat het nieuwe het oude zal overtreffen.

Christus en Zijn Geest bedienen zich in dit alles niet weinig van de Wet. Stond eenmaal het beeld van de Wet in onze harten afgedrukt en is dat beeld in de zondige mens niet weinig vervaagd, Christus prent door Zijn Geest het ons weer opnieuw in. Alle gelovigen hebben een teer geweten ontvangen; zij zijn uiterst gevoelig voor elke overtreding. De Wet is hen lief en wordt hen gaandeweg meer een heilige regel. Het is niet de Wet op zichzelf waar zij zo hoog mee weglopen, dat zou afgoderij zijn, of tot een nieuwe vorm van werkheiligheid leiden, maar die Wet is hen uitdrukking van de wil van hun God, de God des verbonds. De Wet blijft hen de Wet van het Verbond. Ook in hun hart staat boven de Wet: Ik ben de Heere uw God.. .

De zonde wordt door dit alles des te, smartelijker. Zich misgaan te hebben tegenover een tyran, of zeg eventueel: tegen de vreemde God, doet in het minste niet zoveel leed als het gezondigd hebben tegen deze God, die zich de onze noemt en dat ook is. Maar juist de zekerheid dat Hij de God van het verbond is maakt het daartegenover gemakkelijk om tot Hem weder te keren en te zeggen met de verloren zoon: Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan ...

Al deze dingen mogen op het eerste gezicht nogal dogmatisch lijken en daarom van weinig gewicht voor de praktijk, wie goed gelezen heeft zal hebben kunnen opmerken dat de wand tussen leer en leven in dit alles maar heel dun is. Verbond en Wet zijn geen buiten ons staande werkelijkheden; geen mens is er die niet alle dagen ermee te maken heeft, hetzij hij het weet of niet weet. Geloof en ervaring zijn geen twee maar één. Ér is geen heil, geen behoud, zonder de kennis en ervaring van Verbond en Wet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Verbond en Wet 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's