Geloof en werk
Pastorale overwegingen
Het neonomianisme
In de 17de eeuw is er een kerkelijke richting ontstaan, waarvan de aanhangers neonomianen werden genoemd. Met name kwamen zij voor in Engeland en Schotland. Deze neonomianen leerden, dat in het Evangelie voor de rechtvaardiging een nieuwe wet gegeven was (neo = nieuw en nomos = wet). Christus heeft de wet van het Oude Testament volbracht én afgeschaft. Nu worden in het Nieuwe Testament krachtens 'de wet der genade' geloof en bekering geëist om voor God rechtvaardig te worden. Christus heeft door Zijn voldoening aan de wet van het Oude Testament de zaligheid voor allen mogelijk gemaakt, maar zij wordt alléén het deel van hen, die de nieuwe wet van het Evangelie volbrengen, door te geloven en zich te bekeren. De neonomianen legden dus de grond van de rechtvaardiging in het geloof. Het geloof was een nieuwe wet geworden. Met de wet van het Oude Verbond had men niets meer te maken. Door het offer van Christus was ieder mens in een 'salvable state' (situatie van mogelijkheid om gered te worden) gebracht, maar. . . die mogelijkheid moet men ook aangrijpen. Zó voldoet men aan de 'evangelische wet'.
Terecht is in deze wettische opvatting van het genadeverbond een verkapt pelagianisme ontdekt (Pelagius ± 400, leerde de vrije wil van de mens). De tegenstanders van de neonomianen legden er de nadruk op, dat het geloof (hoe onmisbaar ook) nooit grond van de zaligheid kan zijn. Dan, zou het uiteindelijk wéér in handen van de mens komen liggen en zouden we voor onze redding op onszelf aangewezen zijn.
Öet gevolg daarvan is, dat de souvereine genade verduisterd wordt en een soort werkheiligheid wordt aangekweekt, die te kort doet aan de gerechtigheid en heiligheid van Christus. Een grote fout maakten de neonomianen óók door de wet van het Oude Testament als totaal afgeschaft te beschouwen, want de zedewet is eeuwig. Hoewel zij door Christus volkomen in onze plaats is volbracht, geldt zij nog altijd als regel van ons léven.
Tot de bestrijders van de leer van de neonomianen behoorden de gebrs. Erskine (Schotland). Zij zagen er een beperking van de beloften van het Evangelie in, een tekortdoen aan het werk van Christus en het grote gevaar, dat de mens uiteindelijk op zichzelf teruggeworpen wordt, dat wil zeggen op zijn eigen daden. De Erskines beginnen altijd maar weer van Gods kant. Niet de mens kiest voor God, maar God de Heere zoekt mensen. Vandaar, dat zij 'de kabinetten van de Evangeliebeloften' zo wijd openstelden. Juist als alles afhangt van de genade van God, mag het Evangelie ruim verkondigd worden.
Het antinomianisme
Hier zijn we precies bij het tegenovergestelde aangeland. (Anti = tegen en nomos = wet). Prof. Polman zegt: 'Onder deze naam brengt men gewoonlijk verschillende richtingen samen, die zich tégen de wet keren. Met een beroep op de vrijheid of op de genade in Christus verwerpen zij elke binding aan de wet. Christus heeft alles voor Zijn volk volbracht. Hij heeft niet alleen hun schuld gedragen, maar is óók voor hen wedergeboren en geheiligd. Daarom behoeven de christenen niet meer vernieuwd te worden. Zij behoren niet geroepen te worden tot bekering, boete, berouw en heiligmaking. Dat behoort tot een leven onder de wet. Van hen wordt alleen gevraagd te geloven dat zij alles in Christus bezitten en in Hem volmaakt zijn. Wie nog berouw heeft of boete doet, is nog niet aan de wet gestorven en verloochent daarmee de algenoegzaamheid van Christus' middelaarswerk. Immers, alle zonde, die men nog doet, raakt de nieuwe mens in Christus niet. Het kon niet uitblijven of zulk een beschouwing leidde tot een slordig, ja losbandig leven met hier en daar grove uitspattingen. De oude mens behoefde men toch niet meer serieus te nemen, dus... vooruit maar.
Terecht zegt prof. Polman, dat de grondfout van het antinomianisme hierin ligt, dat het de verwerving en toepassing van het heil laat samenvallen. Enerzijds wordt de algenoegzaamheid van Christus' offer geleerd, anderzijds vervalt men in een miskenning van de (zichtbare) vruchten daarvan. Want, als het goed is komt er een vernieuwing naar het evenbeeld van Christus (Cat. antw. 86). Er komt een diep verlangen naar het herstel van het beeld Gods. Er komt een regeren van Christus door Zijn Geest. En daarbij blijven we niet dezelfde mens. Dat trekt diepe sporen in ons leven. Het werk van de Heilige Geest raakt ons tot op merg en been.
H. F. Kohlbrugge
Ten onrechte heeft men Kohlbrugge wel eens van antinomianisme beschuldigd. Nu moet toegegeven worden, dat hij wel eens gewaagde uitdrukkingen heeft gedaan, omdat hij sterk de heiliging vanuit Christus preekte. Bovendien moeten we niet vergeten in welk een tijd hij leefde. Hij moest optornen tegen liberalisme en valse vroomheid. Kohlbrugge heeft diep geblikt in de verdorvenheid van 's mensen boze hart. Hij zag scherp in, dat de mens, zoals hij van nature is, geen ogenblik voor God kan bestaan. Daarom was zijn prediking zo markant. Er zijn weinig predikers die zó diep de zonde blootgelegd hebben als Kohlbrugge. Maar daarnaast is hij volop Christusprediker. Zeldzaam is de bijbelse notie van de rechtvaardiging van de goddeloze zó naar voren gebracht als bij hem. Helaas is deze man ook verkeerd verstaan. De vertolking van K. Barth van de theologie van Kohlbrugge heeft m.i. verkeerd gewerkt. Bij Kohlbrugge vinden we niet zó'n verobjectivering van het heil, dat er van het onderwerpelijk (bevindelijke) element geen sprake meer is. Wie de preken van Kohlbrugge leest, bemerkt dat hij een door en door bevindelijk prediker was. Juist de preek over Rom. 7 : 14, die een keerpunt in zijn leven bracht, bewijst ons hoe existentieel Kohlbrugge de zonde beleefde. De mens is in zichzelf vleselijk, verkocht onder de zonde. Daarom kan Christus alléén z'n gerechtigheid voor God zijn. Maar, dat is niet alleen maar een zaak van verstandelijk 'voor waar' houden. Wie dat denkt moet maar eens z'n geschrift 'Peproeft uzelf!' lezen. Hij wist wat de waarachtige vruchten van het geloof wareru Het was hem heus niet ontgaan, dat dezelfde Paulus, die Rom. 7 : 14 geschreven had, óók Col. 1 : 10 uit z'n pen had laten vloeien. Maar hij maakte niets los van Christus. Als er wat in een mens ten goede gebeurt, geschiedt dat door de Geest van Christus. Hij draait het dichte slot in ons hart om, om te doen wat de Heere welbehagelijk is.
In de verhouding van geloof en werk gaat het erom, dat we altijd maar weer ons oor te luisteren leggen aan de Heilige Schrift. Het Evangelie is geen wet (neonomianisme). Anderzijds heeft het Evangelie de wet niet afgeschaft (anti-nomianisme). De nieuwe mens wordt vanuit Christus herschapen naar het beeld van God (Kohlbrugge).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's