De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik geloof in God 4

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik geloof in God 4

6 minuten leestijd

Omdat het al weer enige tijd geleden is, dat ons laatste artikel in 'De Waarheidsvriend' gestaan heeft, is het misschien nodig om even de hoofdlijn in onze herinnering terug te roepen. Naar aanleiding van art. 1 van onze Ned. Geloofsbelijdenis hebben wij gesproken over de betekenis van de naam van God. Wij sloten daar aan bij de naam Jahwe, waarmee God zich in het Oude Testament openbaart. Wij wezen er toen op, dat deze naam een tweeledige betekenis heeft. Aan de ene kant kunnen wij de naam Jahwe vertalen als: Ik ben. Zo doet de Griekse vertaling van de Septuaginta het. Zij hoort in deze naam de openbaring varï God als de Zijnde, de oergrond van het zijn. Maar volgen wij de Hebreeuwse lijn, dan heeft de Jahwe-naam van God meer de betekenis van: Ik ben erbij. Ik ben nabij mijn volk. Ik blijf mijn volk trouw.

Vervolgens hebben wij erop gewezen, dat het nodig is om beide betekenissen met elkaar te verbinden en niet de ene betekenis los te maken van de andere. Dat laatste wordt overigens wel gedaan. B.v. op deze manier, dat men van God alleen maar spreekt als degene, die reddend Zijn volk nabij is en met Zijn volk leeft in de gemeenschap van het verbond. God wordt dan uitsluitend als de Verbondsgod, of om het met wat eigentijdse theologische termen aan te duiden, als de bondgenootschappelijke God, als de partner-God beschouwd. Wie dat uitsluitend zo stelt, doet tekort aan de heiligheid en de souvereiniteit van God. Hij laat God opgaan in de relatie tot de mens. God kan geen God zijn zonder de mensen.

Nu is er echter ook ter anderer zijde een gevaar om mis te gaan. We kunnen ook zo eenzijdig de nadruk laten vallen op de souvereiniteit van God, dat de genadige gezindheid Gods tegenover de mens niet tot haar recht komt. Op meerdere wijzen kan dit gebeuren. Het is b.v. mogelijk om over God te spreken als het Opperwezen. God wordt dan gezien als een onbenaderbaar Wezen, dat zelfs zo ver van de mens zich bevindt, dat deze God niet eens kan worden benoemd. Men noemt God dan ook niet bij Zijn Naam, maar men noemt Hem een Wezen. Een wezen: dat is iets, dat is. En nu is God van alles, wat is, het opperste Wezen.

Wij weten, hoe vaak deze aanduiding van God nog voorkomt. Zij komt ook vaak voor in de oude berijming van de psalmen. Maar wij moeten dan toch wel goed zien, dat de oorsprong van deze aanduiding van God niet zozeer aan de Schrift zelf is ontleend als wel aan het Griekse denken. Want het is juist het unieke van de Schrift, dat God zich daarin aan ons openbaart met Zijn Naam. God is maar niet een wezen, ook niet slechts een opperwezen. Maar, om het met onze geloofsbelijdenis te zeggen: God is een wezen, dat wij God mogen noemen. God is niet een 'het', maar een 'Hij'. God is een persoon, God is een Iemand. Die op een heel persoonlijke wijze zich bekendmaakt aan Zijn volk, omdat Hij op een heel persoonlijke wijze omgaat met Zijn volk. De hoogste openbaring van deze. persoonlijke God heeft zich voltrokken in Jezus Christus, in Wie God zo dicht ons nabijkomt, dat Hij onder ons woont.

Onze geloofsbelijdenis bewandelt dus de bijbelse weg, wanneer zij aan de ene kant op de verhevenheid van God wijst en aan de andere kant op de nabijheid van God. Daarom kunnen wij over God niet alleen spreken als over de bondgenoot-God maar ook niet alleen over God als het transcendente Zijn. Maar deze twee dienen met elkaar verbonden te worden.

Als nu de vraag gesteld wordt, hoe deze verbinding is, zouden wij daarop zo kunnen antwoorden, dat God in Zijn verbondsomgang met Zijn volk toch de souvereine, heilige God is en blijft. Dat betekent, dat God tot de omgang met Zijn volk niet verplicht is. Zijn genade is geen verschuldigde genade, maar vrije genade. En vrije genade wil zeggen, dat God ze bewijst alleen omdat Hij het wil in Zijn vrijmachtig welbehagen. God is en blijft de souvereine God, ook in Zijn genade.

Dat is dan ook de diepste reden, waarom het verbond Gods en het welbehagen Gods (verkiezing) in de Schrift altijd met elkaar verbonden zijn. God blijft ook in Zijn verbondsomgang met Zijn volk de vrijmachtige God. Daarom kan Israël zich nooit zo op het verbond beroepen, dat het, een vanzelfsprekende zaak wordt. Daarom blijft in het leven des verbonds altijd de spanning van de genade en het oordeel van God. Daardoor kan zelfs het verbond doorbroken worden door de verwerping van God als reactie op de zonde van Israël. God is wel getrouw aan Zijn verbond, maar Hij is niet de gevangene van Zijjn verbond, laat staan dat wij Hem daarin kunnen gevangen houden. 

De spanning tussen verkiezing en verbond, zoals wij die altijd weer ontmoeten in de geschiedenis van de Schrift en van de kerk, ligt dus ten diepste verankerd in God zelf, die de souvereine God én de God van het verbond is, en die dat beide, in onlosmakelijke verbondenheid, blijft in Zijn genaderijke openbaring aan ons, mensen.

Het is duidelijk, dat dit grote consequenties heeft. Allereerst geldt dit voor ons persoonlijk kennen van God. Ook in deze Godskennis blijft er de spanning tussen Gods souvereiniteit en Gods genade. Maar dat geldt ook voor de prediking. Ook daarin zullen beide kanten in verbondenheid met elkaar naar voren moeten treden. Concreet betekent dat, dat de verkiezing Gods en het verbond Gods niet tegenover elkaar mogen worden uitgespeeld in een eenzijdige beklemtoning van één van beide, maar dat zij in een spanningsvolle eenheid beide tot hun recht dienen te komen. Het betekent, dat de genade van God in Jezus Christus in haar volle rijkdom mag worden verkondigd, maar nooit mag deze genade worden tot een goedkope genade, tot een vanzelfsprekende genade. Ze blijft vrije genade, souvereine genade. En het betekent ook, dat wij de christelijke gemeente nooit mogen zien in het licht van een vanzelfsprekend-toebehoren aan Christus, maar ook deze hebben wij te zien in de spanning van de liefde én de heiligheid van God.

Zoals wij reeds zeiden, komen er voortdurend ontsporingen voor. Wij zagen aan de ene kant zo'n ontsporing in het eenzijdig preken van God als het Opperwezen. In onze tijd treffen wij de ontsporing vooral aan in het eenzijdig spreken van God als de Bondgenoot-God. Maar altijd zijn deze ontsporingen te herleiden tot de vraag, in welke God men gelooft. Het blijkt, dat ons geloven in God van fundamentele betekenis is voor ons hele christelijke geloof.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Ik geloof in God 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's