De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Burger van twee werelden*   2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Burger van twee werelden* 2

8 minuten leestijd

Er staan in het boek van dr. Aalders, waarvan we vorige week één en ander weergaven, prachtige bladzijden met vaak verrassende exegetische opmerkingen. Ik denk aan wat gezegd wordt over Genesis 11, over de prediking, over het wetk van de Geest, over het nomadenbestaan van het geloof, over de voorbede van Christus, en het getuige-zijn. En dat alles staat bij Aalders in een breed kader. De cultuurcrisis van onze tijd, de wortels ervan in het verleden worden scherp en radicaal doorgelicht.

Ik moet er meteen bijzeggen dat de uitleg van verschillende teksten ook voor tegenspraak vatbaar is. Ik denk aan de exegese van het gescheurde voorhangsel (is hier het verband met Hebr. 11 voldoende onderkend), aan het onderscheid tussen 'gemeente en kerk' (kan men dit exegetisch staande houden), aan de gedachte van een engelopenbaring. Ik heb me ook afgevraagd of het werk van de Geest niet breder is en voller dan Aalders zegt. Dat de Geest de kosmos overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, dat de zending en de kerstening met het werk van de Geest te maken hebben (zie Handelingen), ja ook de diaconia (Hand. 2 en 3) komt te weinig uit de verf.

Dat alles hangt ongetwijfeld samen met het geheel van Aalders' positie. De wijze waarop Aalders vanuit de Schrift, het hart van het Evangelie, positie kiest tegen een geseculariseerde theologie is juist in onze tijd bijzonder waardevol. God rechtvaardigt goddelozen. Het heil in Christus stijgt boven de geschiedenis en boven deze wereld uit. Gaande in de gang der geschiedenis - en Aalders wil zich daar niet opdoperse wijze van afmaken - is de blik gericht op het hemels Jeruzalem. Dat bepaalt het gemeente-zijn in de wereld. Tegenover de visie dat de kerk er is voor de wereld, en dat de wereld de agenda voorschrijft beklemtoont Aalders de afzondering van de gemeente. In de wereld is zij gesteld, zonder van de wereld te zijn. Dat is bijbels en reformatorisch. Toch rijst de vraag of Aalders aan het 'in de wereld staan' voldoende recht laat wedervaren. Zeker, wij delen zijn kritiek op de doorbraakstromingen, de verwereldlijking van kerk en christendom en zijn bijbels-kritische doorlichting van de cultuur. De kerk zou er goed aan doen dit bijbels geluid te honoreren. Maar het 'niet van de wereld zijn' krijgt een dusdanig accent, dat het 'in de wereld staan' van de gelovige nauwelijks bijbels gevuld wordt. Typerend is de uitleg van Johannes 17. Nogmaals, op zichzelf zijn dit prachtige bladzijden. Maar de auteur spreekt wel over de tegenstelling tussen de discipelen en de wereld, maar gaat nagenoeg voorbij aan vers 18: Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen in de wereld gezonden.

Zeker, wii verstaan en delen ten volle de vrees van de auteur. De vrees dat er toch weer de vermenging optreedt van evangelie en cultuur, gemeente en wereld. En als ik moet kiezen tussen Aalders en de secularisatietheologie dan kies ik voor Aalders, omdat hier het hart van het Evangelie tot zijn recht komt.

Maar ik zou er wel de kritische kanttekening bij willen plaatsen of de verbanden waarin dit evangelie van de rechtvaardiging geplaatst is genoegzaam tot hun recht komen. Het centrum is wel het centrale, maar het is niet alles. Met Graafland kunnen we zeggen: De rechtvaardigende genade staat in het verband van al de werken Gods waartoe ook de schepping behoort en het bezig zijn van God in de geschiedenis (Leven door de Geest, blz. 95).

Al lezend rees de vraag: Doet Aalders voldoende recht aan de heiliging, aan de christelijke levenswandel? Op blz. 170 v.v. brengt hij de relatie geloof en heiliging ter sprake. Aalders wil bepaald niet de kant op van doperse wereldmijding, die de ellende de ellende laat. Maar wel krijg ik de indruk dat de heiliging zo teruggebogen wordt naar de rechtvaardiging dat heiliging alleen maar betekent leven uit Christus door het geloof. Men kan zeggen: Is dat ten diepste niet juist ? Is heiliging niet naar een schoon woord van Noordmans teren op de rechtvaardiging ? Ongetwijfeld, en toch, ik heb de indruk dat zondag 24 en zondag 32 hier breder spreken dan Aalders doet. Dat de auteur hier meer verwant is aan Luther dan aan Calvijn bij wie de wet als leefregel der dankbaarheid in zijn concrete gestalte als vormgeving van een christelijke levensstijl een grotere plaats inneemt dan bij Luther. En dat heeft consequenties voor de visie op staat, maatschappij, cultuur en geschiedenis. Blijft de heiliging bij Aalders niet teveel beperkt tot de binnenkamer ? Komt het aspect van Christus' koningschap over geheel het leven genoegzaam tot zijn recht ? Heeft het Evangelie dan geen betekenis voor maatschappij en cultuur ?

Nu zal de auteur ons tegenwerpen dat het beroep op Calvijn niet opgaat omdat deze leefde in een christelijk samenlevingsverband, het zg. corpus christianum. Terwijl wij leven in een volstrekt post-christelijke samenleving, waarin de gelovige leeft uit de rechtvaardiging alleen, wakend en getuigend. Ook hier citeert de schrijver Luther die z.i. scherper dan Calvijn de toekomst voorzien heeft. Zwingli, Melanchton en Calvijn zijn door de geschiedenis achterhaald.

Wij leven definitief in een na-christelijke wereld, zegt Aalders. Ik zou hier toch enkele kanttekeningen willen plaatsen. Hoezeer ik de schrijver bijval als hij de radicaliteit van de zonde, de demonisering en de afval aanwijst, toch mogen we de algemene goedheid Gods, waardoor er een leefbaar bestaan mogelijk is, niet ontkennen. In dat licht zou ik het dr. Rietveld na willen zeggen als hij in een bespreking van Aalders' boek de vraag stelt: Is de strijd om de afschaffing van de slavernij, de worsteling om gerechtigheid in de samenleving, om beëindiging van oorlog en honger dan helemaal zonder betekenis als iets dat volstrekt aan Gods werk voorbij zou gaan ? Mogen we ook hierin niet Gods bewarende genade zien ?

Vervolgens is het de vraag of men Calvijns aandacht voor staat en maatschappij mag verklaren vanuit de middeleeuwse corpus-christianumgedachte. Dr. W. Balke heeft in de aan zijn proefschrift Calvijn en de dopers-radikalen toegevoegde stellingen ondermeer de stelling geponeerd dat de leer van Calvijn inzake het Rijk van Christus eschatologisch bepaald is, dus samenhangt met het definitieve heilswerk Gods in kruis en opstanding, en dat Calvijn niet heeft vastgehouden aan middeleeuwse corpus-christianumgedachte. Als dat waar is, dan kan men niet zo vlotweg meer zeggen dat Calvijn door de geschiedenis achterhaald is.

Bovendien, laat het waar zijn dat we leven in een tijd van afval, dat anti-christelijke machten zich breed maken, blijft dan toch niet gelden dat Christus als Koning moet heersen, dat er tekenen van Zijn Rijk zijn, door de H. Geest, dat de machten in beginsel verslagen zijn en dat ook in onze moderne wereld de kerk profetisch volk en samenleving heeft te confronteren met de geboden Gods. Zelfs al zouden we wanhopen aan de kerstening van de moderne staat, dan nog mogen we ons niet terugtrekken in de privésfeer. Dan nog hebben we waar mogelijk met de boodschap van Christus' koningschap in de samenleving door te dringen. Is dat niet het élan geweest van de eerste christelijke gemeente, die toch waarlijk niet leefde in een christelijk samenlevingsverband. Laat het Evangelie zijn licht niet schijnen over staat, cultuur, maatschappij, slaven en vrijen, huwelijk en gezin ?

Ik denk nog even aan het citaat van Hamann. God heeft ons kinderspelen gegeven in de wachtenstijd. Daar ligt tegenover alle wetticisme van: wij moeten ons waarmaken, wij moeten de wereld heiligen, iets ongelofelijk bevrijdends in. Dat zeg ik Aalders graag na. Zoals ik met hem graag luister naar Luther. Maar tegelijk moet ik denken aan Mattheüs 24, waar sprake is van dienaren die werkend waakzaam zijn in de verwachting van hun Heere. Dat laatste aspect mis ik teveel in dit overigens rijke boek.

De auteur moge uit de kanttekeningen en vragen ervan verzekerd zijn met welk een aandacht en instemming ik zijn boek gelezen heb. Het is rijk van inhoud. Daarom hoop ik dat velen uwer dit boek lezen en bestuderen. Het is een boek over de christelijke hoop, waarin de schrijver zijn uitgangspunt kiest in de Schrift. Dat kan men helaas van vele anderen die over dit thema schrijven niet zeggen. De werkelijkheid, de eigen tijd, of de filosofie van Marx vormen dan het uitgangspunt voor een op de wereld gerichte theologie. Met alle schadelijke consequenties van dien. In zo'n situatie is het lezen van dit boek van Aalders verademend. Ook al roept zijn boek hier en daar vragen op en kan men op bepaalde punten spreken van een eenzijdig accent, deze eenzijdigheid zal toch gehoord en verwerkt moeten worden willen de kerk en de theologie in het huidig tijdsgewricht het spoor niet bijster raken.

 


* dr. W. Aalders, Burger van twee werelden; uitgave J. N. Voorhoeve, 208 blz. Prijs f 14, 90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Burger van twee werelden*   2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's