Cornelis Lambrechtse over zijn boek
'In Zijn arm de lammeren'
In 'Koers' van 10 augustus stond een vraaggesprek van Rik Valkenburg met Cornells Lambrechtse, de schrijver van het bekende boek 'In Zijn arm de lammeren'. Uit dit gesprek nemen we over wat de schrijver over het ontstaan van zijn boek zegt.
Meneer Lambrechtse, u bent nogal streng opgevoed, denkt u nog met liefde en respect aan uw ouders terug? ...
'O ja! Veel zelfs! Ik dank de Heere nog vaak voor hun opvoeding en liefde, hoewel ik natuurlijk als kind toch ook wel protesteerde en rebelleerde tegen die strenge opvoeding. Als ik echter aan hen terugdenk dan zie ik hen als twee voorbeeldige ouders.'
Waarom schreef u het boek 'In Zijn arm de lammeren'? ...
'Nou, dat is een merkwaardige geschiedenis. Aan dat boek was ik begonnen toen ik nog in Nederland was, ongeveer in de jaren '40, tijdens de oorlog. Ik had altijd wel hoop, of een neiging gehad, om te schrijven en toen was ik zomaar begonnen aan een boek met jeugdherinneringen. Ik dacht: daar kan ik wel een mooi boek over schrijven. Maar ik had twee hoofdstukken geschreven toen ik het gevaar begreep waar ik me aan blootstelde, dat ik gewoon een Zeeuws 'Bartje' aan het schrijven was. Toen ben ik ermee opgehouden en heb het aan de kant gelegd, want ik had er geen boodschap mee. Met het boek kon ik misschien alleen een oud-gereformeerd of een gereformeerde gemeente-gezin presenteren, maar een boodschap had ik toch niet. Het zou alleen maar een kindergeschiedenis geweest zijn. Toen dacht ik: later kom ik er misschien nog wel eens op terug. Naar Amerika heb ik wel die twee of drie hoofdstukken meegenomen en gewoon in de kast gelegd. Een jaar later ben ik-getrouwd, en tien maanden daana werd ons eerste kind geboren, dat mijn oogappel was. Ik heb vaak aangehaald wat Jozef zei: God heeft mij mijn vreemdelingenschap doen vergeten in een vreemd land. Er was haast een mystieke band tussen dat kind en mij. Achteraf bekeken, hoewel ik dat toen niet zag, was dat kind veel te ver ontwikkeld, voor zijn leeftijd.'
Hoe bedoelt u? ...
'Toen hij anderhalf jaar was, we hebben nu een kleinzoontje van die leeftijd, die kan nog maar een paar woorden zeggen, sprak ons kind al in volle zinnen. Als hij een fout maakte in de uitspraak, dan ging hij eigener beweging de zin overzeggen en die fout corrigeren. En al vroeg begon hij altijd maar over de Heere te vragen: vertel er nog eens méér van, en vertel eens van de Heere Jezus en over dood en graf. Mijn vrouws vader woonde bij ons in, was blind geworden. Hij zei zo af en toe wel eens tegen ons: dat kind zul je nooit groot brengen, en dat was helemaal geen muziek in mijn oren; dat nam ik hem vreselijk kwalijk, want dit kind was mijn oogappel. Maar daartegenover, ik was voor dat kind een soort heilige van de hoge plaats. Maar goed, het is dat jongetje dat mij dan aanleiding gegeven heeft om later, zeker niet dadelijk, aan mijn vroeger begonnen boek te gaan denken, en toen wist ik dat ik er een boodschap mee had.'
Toen dat ventje stierf, was hij toen duidelijk gelovig? ...
'Dat had hij al vaak getoond, maar daar had ik toch geen speciale aandacht aan geschonken. Ik had er dus ook zeker geen klein afgodje van gemaakt. Ik vond het natuurlijk fijn, dat onze zwakke pogingen toch wel beloond werden, of bekroond liever gezegd, maar ik dacht er toch niets bijzonders van. Totdat hij dan ziek werd, het bleek dat hij kanker aan de ingewanden had, en dat is een snel verloop geweest, betrekkelijk veertien dagen in een ziekenhuis. En toen mij het op zijn laatste levensdag duidelijk werd dat God dat kind van ons af ging nemen, dat kon ik aan dat kind zijn ogen zien, want als ik anders binnenkwam, dan lachten zijn ogen op en dan zei hij: 'Daddy, Daddy'. En die keer, het was op een zondagmiddag, kwam ik binnen. Hij keek mij wel aan, hij glimlachte ook wel, maar ik zag iets in die ogen: die hadden afscheid genomen, en toen bestierf ik het haast en ik ben opgestaan en heb hem gevraagd: 'Calvin, where are you going, waar ga je naar toe? ' En toen zei hij: 'Ik ga naar huis, vader.' Maar hij had al die tijd dat hij in het ziekenhuis lag naar huis willen komen, dus vroeg ik: naar huis, naar wie ? Want dan was het altijd naar vader en moeder, en grootvader en het kleine zusje. En toen stond voor mij de eeuwigheid als het ware als een dubbeltje op zijn kant. Ik herhaalde het. Ik zei: naar huis, naar wie dan ? En toen herhaalde hij het, oudergewoonte zijn hele zin en daarna: 'Daddy, ik ga naar huis, naar de Heere Jezus.' Toen ging ik kapot natuurlijk, want nu was mijn vrees bevestigd. Dat zag hij, en hij zei: 'U mag niet huilen. Daddy: it's all right'!'
Was Calvin John toen vier jaar? ...
'Toen was hij drie en een half. Die nacht is hij gestorven. Mijn vrouw heeft voor dat kind gezongen, en dat was niet zo'n lang gezang, niet zo'n lange psalm, maar dat zongen wij altijd na het eten, dat is 'Praise God, from whom all blessings flow' en dat is op dezelfde wijze van 'Dat 's Heeren zegen op u daal', en we praatten, we fluisterden ook wel tegen hem, achter een plastic tentje voor zuurstof. Hij had een slang in zijn keel, hij had 'n slang in zijn achterwerkje, hij had een slang in zijn arm, er was maar één handje vrij, dus vader en moeder konden net dat ene handje een beetje vasthouden; en toen zeg ik tegen mijn vrouw, zing toch nog eens wat voor hem, misschien bereikt hem dat nog wel, en toen heeft zij dat gezongen, het is een paar regels lang, maar toen heeft ze het later uitgesnikt: 'Ik wist niet dat het zo'n lang gezang was.' Toen zij klaar was ging er een glimlach over zijn gezicht. Hij lachte en hij zei: 'Ja, niet 'Yes', hij zei: 'Ja'. Hij lachte en hij blies de laatste adem uit...' Corneiis, Lambregtse stokt enkele momenten... 'Wat dat is om dat door te maken! ... Ik wil maar zeggen, het begraven, het missen van dat kind. Mijn oogappel in het graf... Daar ging wel een paar jaar overheen voordat ik aan dat boek schrijven ging denken. Toen ben ik daar aan gaan denken en toen heb ik het meteen aangeboden aan een Hollands kerkblad, dat wekelijks verscheen en dat heet 'De Wachter'. Ik gaf die twee hoofdstukken, want u weet zelf ook wel, je kunt zo gemakkelijk een project aan de kant leggen en het maanden laten liggen, maar nu moest ik ermee verdergaan. Ik wist wat ik ermee wilde en ik moest iedere week op tijd kopij hebben, dus moest ik blijven schrijven. Al schrijvende verscheen het wekelijks in die krant, en het liep drie jaar.'
U zult weleens een traan gelaten hebben? ...
'Wel meer dan een. Het is net als met Abraham die Izaak ging offeren.'
Het zijn misschien de beste manuscripten die met tranen doordrenkt zijn!...
'Ik denk het, en misschien is dat de reactie, dat men de realiteit van het leven erin tegenkomt.'
Als u tenminste de zuiverheid kunt hebben om het weer te geven zonder sentiment of melo-dramatiek? ..
'Daar hebt u het over; daar was ik me zo van bewust: maak er geen heilige van, behandel hem als een gewoon kind, laat de lezer zelfs niet eens voelen dat er wat aan de hand is, en als ze dat van te voren niet weten, dan merken ze dat ook niet, maar op het laatst dat hij ziek wordt... Enfin, u begrijpt dat wel wat dat geweest is, die laatste hoofdstukken. Ik zei: Heere, ik kan nietmeer, help me erdoor, dan ben ik er van af. Ik kan het niet meer; ik zou er nog eens onder gestorven zijn. Ja, zó scherp ging het door me heen !'
Maakt het succes van dit boek 'opgeblazen? ...
'Daar zou ik nu net zo lief iemand anders op willen laten antwoorden, misschien mijn vrouw. Het heeft mij meer dan eens, toen dat boek uitkwam en al dadelijk na 1 1/2 maand uitverkocht was, als met stomheid geslagen. Ik had gehoopt, als dat boek in twee jaar eens uitverkocht is, dan zal ik dankbaar zijn. Dan heb ik misschien drie- tot vijfduizend mensen bereikt. Maar na twee of drie maanden was de tweede druk al uitverkocht, en ook de derde. En ' iedere keer, tot aan de vierde toe, in de grootste nederigheid, kon ik het wonder niet aan. Toen kwam de vijfde, en dan raak je eraan gewend. Er is een vierde, dus komt er ook wel een vijfde. Een onderwijzer schreef mij dat iemand had gezegd: Ik ken een meisje dat moet gaan sterven, en dat meisje leest iedere dag een stukje uit de Bijbel en een stukje uit uw boek, en die heeft er zoveel troost uit! Toen ben ik op de grond gevallen en ik riep uit: 'Heere, dat wist U toch dat ik het daarvoor heb geschreven, en niet voor dat succes. Houd me toch klein als het U belieft'.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's