Geef ons heden ons dagelijks brood 2
Het gebed
Horizontalisme en verticalisme
Ieder kent nu wel deze grove onderscheiding tussen mensen, die alle nadruk leggen op de verhouding tot de naaste, en anderen, die zeggen: neen, het gaat om de herstelde verhouding tot God. Zij kunnen elkander in deze vierde bede ontmoeten, wanneer zij die maar laten staan in het geheel van het gebed des Heeren. En wanneer zij van die bede zelf elk woord maar z'n volle waarde geven.
De 'horizontalisten' zeggen: zie je wel, er staat ons, óns brood. Denk ook eens aan al die miljoenen, die nauwelijks dagelijks voedsel hebben of zelfs in het geheel niet. Dan kun je wel vroom bidden en danken. maar als je niet meehelpt alles in het werk te stellen om hongerigen te voeden en naakten te kleden, dan is ook al die godsdienst geen cent waard. Denk maar aan Matth. 25 : 34—46 en Jacobus 2 : 13-17. Het woordje 'ons' staat in de vierde bede tweemaal. Wij leven niet als eenlingen. Het brood (óns dagelijks brood) wordt in onderlinge gemeenschap en samenwerking verworven en verbruikt. Hier liggen inderdaad geweldige en aangrijpende realiteiten, waaraan wij niet mogen voorbij leven.
Alleen — dat ons mag niet in mindering worden gebracht op het feit, dat wij te doen hebben met een gebed, waarin wij vragen: Geef. Het is te vrezen, dat men in horizontalistisch gerichte kringen veelal geneigd is de bidstond voor het gewas als een verouderde, uit de agrarische cultuur stammende gewoonte te zien. Dan gaat men het opzien tot de Levensbron verwaarlozen en laat de ellende van de wereld over aan de onmacht van een in de grond der zaak toch eigenlievende mens, die bovendien nimmer in staat is regen en vruchtbare tijden te geven (Hand. 14 : 17). De Heere Jezus leert bidden: Geef ons... Deze bede heeft niet alleen met het brood te maken, maar ook met God. We mogen en moeten ook die wereldnood als kerk veel meer aan Hem opdragen. We zullen daarbij gedachtig moeten zijn aan het oude 'ora et labora' (bid en werk) en dus met ons gebed ook onze steun mogen geven aan allerlei pogingen tot leniging van de nood, die ons aangrijnst.
Maar zoals de Heere Jezus de pijnstillende middelen van brood voor de hongerigen en genezing voor de zieken rijkelijk uitgedeeld heeft en toch zichzélf als het Brood des levens en de Medicijnmeester der zielen gepredikt heeft, zo zal zijn kerk zich bij alle arbeid bewust moeten zijn, dat het onbarmhartig is de mensenkinderen levensmiddelen te geven en ze niet tot de Levensbron te leiden.
Niet afhaken
Zo handhaven we het verband tussen het dagelijks brood en het grote geheel van de zes beden. Dat niet te doen maakt ons bidden eigenlijk goddeloos. Wat zoudt u zeggen, als men van een trein met zes wagons, waarvan de vierde het proviand voor de reis bevatte, deze loskoppelde en afhaakte om daarmee naar de vijand over te lopen.
Wordt dat niet ons beeld, wanneer wij wel bidden om dagelijks brood, maar niet opdat in ons leven de Naam des Heeren geheiligd zal worden, niet om dienstbaar te zijn aan Zijn Koninkrijk, aan de volbrenging van Zijn wil, zonder de begeerte naar vergeving en naar verzoening met Hem, die ons het leven schenkt en zonder heiliging van ons leven ?
Trouwens de bede heeft met het hart van het Evangelie te maken. In het hoofdstuk van de zondeval (Genesis 3), wordt de mens wel in uitzicht gesteld, dat hij ook in de nieuwe situatie, brood zal eten (vs. 19), maar dan in het zweet zijns aanschijns en nadat gesproken is van doornen en distelen, van een aarde, die om onzentwil vervloekt is. Aan het wórden van nieuw leven zal voortaan smart verbonden zijn, maar ook aan zijn instandhouding. Met de moederbelofte (vs. 25) in de hand ziet een gelovige gemeente uit naar de geboorte van Eén, die ons troosten zal over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft (Gen. 5 : 29).
In dit woord van Noachs vader Lamech zien we de lijn, die uitloopt op Bethlehem, het broodhuis. Daar neemt de beloofde Verlosser ons menselijk vlees en bloed aan, om daarin honger te lijden, om zijn hoofd de tekenen van de vloek te doen dragen, en zijn gezegend lichaam aan het vloekhout te doen nagelen. Als Kaïn Abels bloed vergoten heeft, is één van de oordelen Gods, dat de aarde hem zijn vermogen niet geeft, ook al bebouwt hij haar (Gen. 4 : 12). Maar het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, heeft deze aarde gedrenkt, opdat er goede aarde zou zijn voor goede graankorrels. Jaar in, jaar uit herhaalt God het wonder van de vermenigvuldiging van de broden, wanneer de gestorven graankorrel 30-, 60-of 100-voudige vrucht voortbrengt.
Nu komt er inderdaad verband niet alleen tussen ons brood en de almachtige, allesdragende hand Gods, maar ook met het hart van het Evangelie. Er komt verband tussen ons dagelijks brood en het brood op de Tafel des Heeren. Het dagelijks brood is dan niet alleen een teken en zegel van het lichaam des Heeren, maar het is ook een vrucht van zijn kruis. Wij ontvangen het brood uit zijn zegenende handen. Om Jezus' wil is het, dat ook de Geest ieder jaar weer in wonderlijke heerlijkheid het gelaat des aardrijks vernieuwt. Maar wij hebben diezelfde Geest hard nodig om deze verbanden ook inderdaad te zien en te beleven.
We gaan dan bovendien beseffen, dat sociale en economische verhoudingen, nationaal en internationaal, niet alleen maar technisch-deskundige aspecten hebben, maar dat zij diepe wortel hebben in een al of niet christelijke levens- en wereldbeschouwing. Met die vierde bede hangt de kijk op grote vraagstukken van wereldwijde omvang samen. Dat te beseffen bewaart ons voor een benepenheid, die alleen aan het eigene denkt, verootmoedigt ons vanwege ons tekort aan zorg, gebed en arbeid en doet ons oog en hart te meer naar Boven richten.
Dagelijks brood
God houdt ons kort. Of liever: Hij houdt ons dicht bij zich. Israël ontving het manna voor één dag tegelijk. God verbiedt ons de bezorgdheid, die met sombere gedachten vooruitloopt op de dag van morgen. Dat betekent geen zorgeloosheid. Het zorgen behoort bij het beeld van Hem, die zorgt, dus ook bij Zijn beelddrager, de mens (Gen. 2 : 15). Maar Hij vraagt dan ook vertrouwen in Zijn zorgende hand. Wij vragen Hem om dat dagelijks brood. Dat onderscheidt de gemeente Gods van hen, die alleen maar tot mensen roepen (soms schreeuwen): Geef ons brood voor morgen en voor volgend jaar.
Dit gebed matigt ons verlangen. Juist in z'n samenhang met de voorafgaande en volgende beden beseffen we, dat we niets te eisen hebben. Stel u voor, dat die man, die ons om brood vraagt, dat hij verbeurd heeft, ook nog vlees eist. Dat heeft Israël gedaan in de woestijn. En de gevolgen bleven niet uit. Het stikte in z'n overvloed (Numeri 16 : 31 v.v., Psalm 78 : 26—31).
Ook dit gebed kan alleen in het geloof gebeden worden. Alle vraagstukken in het wereldleven en in ons eigen bestaan, worden ons niet eerst uit de doeken gedaan. Ook de bede om dagelijks brood spruit voort uit het gelovig kennen van de levende God, als Schepper, Verlosser en Vernieuwer — een geloof, dat achter, in en boven de zienlijke dingen, de onzienlijke God ziet met een hart, dat uitgaat naar Hem en naar de naaste en dat vraagt:
Leer mi], o God van zaligheden mijn leven in Uw dienst besteden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's