Verpleegkundige zijn in deze tijd
Wij leven in een gebroken wereld — en in de verpleegkunde wordt men daar telkens opnieuw aan herinnerd.
Waren er geen zonden, er waren geen wonden. Dit bekende gezegde kan iemand die in de verpleging werkzaam is, vaak bezighouden. Vooral is dat het geval als men geconfronteerd wordt met een ondragelijk lijden dat veel mensen moeten ondergaan. Maar des te heerlijker heb ik het altijd gevonden, dat lijden zo mogelijk te verzachten en de genezing te helpen bevorderen door een nauwgezette verpleging van de patiënt.
Achtentwintig jaar mocht ik in de verpleging werkzaam zijn; en thans — gehuwd — mag ik nog part time mijn steentje bijdragen als assistente van de anesthesist, ofwel de arts die de narcose moet toedienen bij een operatiepatiënt. Al die jaren heb ik mijn taak met vreugde verricht, al betekende die vreugde niet, dat het nooit een traan gekost zou hebben. Er veranderde in die jaren veel op medisch en verpleegkundig gebied; wie vroeger verpleegster was, is vandaag verpleegkundige. Maar wat zegt een naam ? De aanspreektitel 'zuster' is gebleven. Er veranderde ook veel aan de levensnormen, die op grond van de Bijbel richtsnoer dienen te zijn voor ons handelen. De tendens, die wij waarnemen in het tegenwoordige maatschappelijke leven, laat ook de verplegingswereld niet onberoerd.
Niettemin ben ik ervan overtuigd, dat er voor een jongere niets heerlijker is dan een medemens bij te staan in zijn pijn en hem te begeleiden op zijn weg naar genezing. . . of naar het einde. Want soms is het ook een bijstaan in de laatste lichamelijke strijd — de strijd tegen de dood.
Een groot aantal jaren mocht ik in de verpleging werkzaam zijn in de psychiatrische inrichting Zon en Schild, een hervormde inrichting ter verpleging van geesteszieken. Alles is veranderd: wat vroeger een inrichting genoemd werd, heeft nu de naam: psychiatrisch centrum. Het doet er weinig toe. Maar toen ik als 5 jong meisje mijn werk in Zon en Schild l begon, heb ik — en ik ben daar altijd nog zeer dankbaar voor — duidelijk ervaren, in een christelijke inrichting werkzaam te zijn. Er moest een cursus godsdienstonderwijs gevolgd worden; pas daarna kon men het verpleegstersexamen afleggen. Kwam men niet door het examen godsdienstonderwijs, dan moest men een jaar wachten aleer men het over kon doen. Het betekende ook, dat men een jaar moest wachten voor het verpleegsters-examen. In die tijd was ds. K. J. van den Berg — in onze kring zullen ongetwijfeld velen zich hem nog herinneren — voorzitter van het dagelijks bestuur van Zon en Schild en hij was het, die godsdienstonderwijsexamens afnam. In die cursus kreeg de leerling heel wat vraagstukken omtrent de geloofsleer te verwerken, benevens een grote dosis parate bijbelkennis.
Deze zaken bleken in de praktijk onontbeerlijk te zijn. De verpleegkundige ervaart herhaaldelijk, dat een zieke gemakkelijker toegankelijk is dan een gezonde. Hij openbaart sneller zijn innerlijke gesteldheid en hij komt ook vlugger met zijn geestelijke nood te voorschijn. Dan is het heerlijk, de zieke medemens tot een geestelijk steuntje te kunnen en mogen zijn, een wegwijzertje naar datgene waar het om gaat: dat éne nodige !
Behalve die godsdienstcursus had men ook nog de catechisatie. Die gingen onverminderd voort, 'want', zo zei eens een geestelijk verzorger, 'de catechisaties vormen de leerschool der kerk'.
Men was er zo'n vijfentwintig jaar geleden diep van doordrongen dat, wilde men als christelijke inrichting de geesteszieke mens inderdaad kunnen helpen, men dan scholing nodig had op het terrein van de Bijbel en de geloofsleer.
Trouwens, de praktijk bewees dat vrijwel dagelijks. Ten tijde dat dr. H. Bout geestelijk verzorger van Zon en Schild was, lag eens een patiënt op sterven. Zij wist zich het eigendom van Christus en zij vroeg de zusters, aan haar sterfbed te komen zingen. Hoe en wat zou men weten te zingen als men onkundig geweest was van het verlossingsgeheim dat bestaat tussen de Heere en zijn kind ?
Ook op andere wijze mocht men soms een patiënt geestelijk behulpzaam zijn. Een man met een ernstige depressie, die tevens aan tuberculose leed, meende de zonde tegen de Heilige Geest bedreven te hebben en dus geen recht meer te hebben om te leven. Hij kwam uit de kring van een conventikel. Hoe moeilijk is het in zo'n geval en hoeveel geloofsovertuiging heeft men nodig om zo'n patiënt steeds weer te wijzen op de barmhartigheid van Jezus Christus. In deze periode was ds. Den Oudsten geestelijk verzorger van Zon en Schild; vele malen heb ik diens hulp, geloofsovertuiging en overredingskracht moeten inroepen om de patiënt van zelfmoordpogingen te weerhouden. In het vernauwde bewustzijn van de patiënt hadden woorden echter geen uitwerking meer. De zegen van geneesmiddelen, door de behandelende arts verschaft, kon de bewustzijnsvernauwing doorbreken. Pas daarna kon men woorden van bemoediging aan hem kwijt. Toen hij tenslotte genezen naar zijn boerderijtje kon terugkeren, was het afscheid in aanwezigheid van predikant, doktoren, familie en verplegend personeel, bijna een feest van dankbaarheid !
Een verpleegkundige moet een patiënt — en dat is dus een mens die uit zijn gewone doen is — vriendelijk en hulpvaardig tegemoet treden. Als men daarenboven als een christen — met vallen en opstaan weliswaar — een patiënt tegemoet kan treden en men kan door een gesprekje het innerlijk leven van de patiënt in beweging brengen, dan komt men wellicht iets te weten van zijn geestelijke gesteldheid en dan kan men soms een aanknopingspunt vinden om onverholen te wijzen op het Evangelie.
Uiteraard is het ook heel belangrijk, vanuit welke levensovertuiging de arts van wie de verpleegkundige opdrachten ontvangt, zijn taak verricht. Nog betrekkelijk kortgeleden was ik behulpzaam bij een patiënt bij wie tijdens een operatie lokale anesthesie werd uitgevoerd. De man bleef dus bij volle bewustzijn en ik moest hem met een gesprek proberen bezig te houden terwijl de chirurg de operatie verrichtte. Wij hadden het over allerlei zaken, doch spraken al spoedig over geestelijke zaken. Hij vertelde over zijn functie in de hervormd-gereformeerde gemeente in zijn woonplaats en hij was dankbaar, op eenvoudige wijze in Gods koninkrijk bezig te mogen zijn. Het was een fijn gesprek, een getuigenis van genade en zegen. Toen de patiënt eindelijk de operatiekamer verlaten had, merkte de chirurg op, dat het een goed gesprek geweest was. 'Ik dacht', zo zei hij, 'dat de kerken tegenwoordig niet meer vol te krijgen waren, maar op te maken uit hetgeen ik hoorde van hetgeen die man zei, valt dat mee'. Ik heb toen de kans kunnen waarnemen, de chirurg, van wie ik stellig meen dat hij een humanist is erop te wijzen dat in gemeenten van hervormd-gereformeerde signatuur de opkomst in de regel nog goed is.
Er zijn ook andere artsen — artsen die de patiënten geestelijk steun weten te geven. Dat is voor een verpleegkundige van groot belang. Zoals die chirurg, die vlak voor de operatie van de patiënt de vraag te horen kreeg, of hij op hem vertrouwen mocht, ten antwoord gaf: 'Ik doe het niet alleen, beste man ! De Ander is er ook ! Niet op mij, maar op Hem mag je vertrouwen.'
Natuurlijk zijn er donkere kanten aan het beroep van verpleegkundige. Als ondanks alle zorgen van doktoren en verplegend personeel de patiënt minder en minder wordt, dan laat dat de broeders en zusters niet onverschillig. Dan ervaart men iets van de verschrikking van de dood. Een sombere en bijna benauwende kant is het ook, als men jonge mensen ter verpleging krijgt, die door overmatig druggebruik tot een gevaarlijke vorm van apathie vervallen zijn. Er staat tegenover, dat men soms ook mag meemaken, dat de dood slechts een korte verschrikking is, die niet te vergelijken is bij het genadewonder als de patiënt met ontwijfelbare zekerheid tot hoger leven geroepen wordt.
Het is een heerlijk beroep, dat zeg ik nog altijd met volle overtuiging. Wel geeft het innerlijk soms spanningen.
Stellig zullen er altijd weer christenjongeren zijn, die zich tot verpleging van medemensen voelen aangetrokken. Dat is gelukkig ! Maar laten die jongeren dan goed bedenken dat het van groot belang is dat men gaat werken in een ziekenhuis waarvan bestuur en directie de christelijke — liever nog: bijbelse — levensovertuiging zijn toegedaan. Verder moet men zich zijn geloof niet schamen en zéker niet het Evangelie van Jezus Christus. Men zal de bereidheid moeten hebben, naar patiënten te luisteren. Bijna altijd zal men dan aanknopingspunten ontdekken om tot een wat diepergaand gesprek te komen.
Ziekte en dood zijn disharmonische zaken in het leven. Ze zijn gekomen omdat de zonde gekomen is. Wij hebben die disharmonie veroorzaakt. Maar wat is er, met dit afschuwelijke gegeven als een kwelling in het menselijk bestaan, dan heerlijker om bij de gratie Gods pijnen te stillen, hulp te verlenen, leed te verzachten ?
En eenmaal — het is bijna niet te geloven als men de honderden geheel bezette ziekenhuizen in ons eigen land ziet — eenmaal zullen er geen verpleegkundigen meer nodig zijn. Dan zullen er geen zieken meer zijn en geen ziekenhuizen. Dan breekt het nieuwe leven aan. Dat is beloofd ! Maar tot zolang zal het fijn zijn in de verpleging te dienen, hulpvaardig en bemoedigend bezig te zijn. En voor het overige geldt, wat Huib Fenijn in een gedicht heeft verwoord:
Je hoeft niet altijd zendeling te worden
Om in de dienst van God de Heer te staan!
Was voor je zieke buurvrouw maar een keer de borden.
Dan heb je ook Gods wil gedaan.
Een koele dronk om Christus' wil gegeven
Aan hem, die dorstend langs je venster gaat,
Staat evenzeer voor eeuwig opgeschreven.
Als je de Geest maar leiden laat.
Wij moeten eens wat minder over godsdienst praten.
Meer in ons leven Christus laten zien.
Thuis, in fabriek of werkplaats, langs de straten
En aan je maat waarmee je dient.
Gods Geest drijft uit tot in de vreemdste hoeken,
In Sydney, Kaapstad en in Akersloot.
Je hoeft het niet altijd zo heel ver weg te zoeken.
Dichtbij is vaak de grootste nood.
Wij zullen ons volkomen moeten buigen
En daar slechts gaan, waar Hij ons zenden zal.
Wij zullen dagelijks van Hem moeten getuigen,
in toga, tienerkleed of overall.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's