Verachtering in de genade
Pastorale overwegingen
Het opschrift boven dit artikel is ontleend aan de woorden van Hebreeën 12 : 13, waar staat: Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods...'
Het woord in het Grieks, hier met 'verachteren' vertaald, komt op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament voor. In het verhaal van de rijke jongeling lezen we dat deze vraagt: 'Wat ontbreekt mij nog ? ' Je zou ook kunnen vertalen: 'Wat kom ik nog tekort ? ' In de gelijkenis van de verloren zoon wordt het woord ook gebruikt, als we lezen van de verloren zoon: 'Hij begon gebrek te lijden'. Van de bruiloft te Kana lezen we: 'En als er wijn ontbrak'.
Ook Paulus gebruikt het woord in zijn brieven. Als hij in Romeinen 3 een beeld schetst van de mensheid buiten het geloof in Christus, dan zegt hij: 'Want ze hebben allen gezondigd en derven (d.w.z.: missen) de heerlijkheid Gods'. En als hij zich in 2 Corinthe 11 verdedigt tegen de laster van de valse apostelen, dan zegt hij o.a.: 'Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen'.
In Hebreeën 4 : 1 lezen we: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan, nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn'. Als we zo het woordgebruik in het Nieuwe Testament nagaan, dan komen we dus tot deze reeks van betekenissen: ontbreken, tekortkomen, gebrek lijden, missen, ergens buiten staan, de mindere zijn, achterblijven.
Het is niet voor niets dat ik u dit alles noem. We zullen het nodig hebben tot beter begrip van de titel die boven dit stukje uit de reeks Pastorale overwegingen staat. Zo pas kunnen we ook dit aspect van het geestelijk leven in het juiste, d.i. bijbelse verband zien.
Als we teruggaan naar de tekst waarmee we begonnen en waaraan de uitdrukking 'verachtering in de genade' dus is ontleend, dan moeten we eerst letten op het verband waarin dit woord staat. De lezers van de Hebreeënbrief leefden onder grote druk. Ze dreigden daardoor te verslappen en de moed op te geven. De schrijver herinnert ze dan aan de dagen waarin ze 'veel strijd des lijdens' hebben verdragen (10 : 32). Ze boden toen weerstand 'wetende dat gij hebt in uzelf een beter en blijvend goed in de hemelen' (10 : 34). Nu die weerstand dreigt weg te vallen, worden ze opgeroepen hun 'vrijmoedigheid niet weg te werpen, die een grote vergelding des loons heeft' (10 : 35). Herinnerd wordt aan het woord van de profeet Habakuk: De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Daar mogen ze zich niet aan onttrekken. Zo mogen ze niet zijn. Ze hebben te zijn als degenen die 'geloven tot behouding der ziel' (10:39). Als voorbeeld wordt dan in hoofdstuk 11 de galerij van de helden des geloofs genoemd. Al deze mannen en vrouwen worden ten voorbeeld gesteld als mensen die onder de meest onmogelijke omstandigheden vasthielden aan God, 'als ziende de Onzienlijke' (11 : 27).
Omdat nu die grote wolk van getuigen rond ze ligt, worden ze opgeroepen met lijdzaamheid te lopen in de loopbaan. Die hele wolk van getuigen heeft het eindpunt bereikt en zij zullen dat eindpunt ook bereiken. Maar dan zullen ze wel met lijdzaamheid, met volharding moeten blijven strijden. Niet vertragen, niet verslappen. De Enige van Wie ze dat kunnen leren is Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof. Hij heeft het kruis verdragen, de schande veracht, omdat Hij zag op de vreugde die Hem voorgesteld was. Hij heeft het tegenspreken van de zondaren verdragen opdat zij niet zouden verflauwen en bezwijken (12 : 1—3).
In dit kader, de oproep tot volharding, de aansporing de heiligmaking na te jagen, volgt dan de tekst die als uitgangspunt dient voor deze artikelen: ze moeten toezien dat niet iemand verachtere van de genade Gods.
Wat wordt hier dus bedoeld ? Als we denken aan de betekenissen van het woord dat hier gebruikt wordt, dan komen we tot het volgende. Ze moeten erop bedacht zijn dat het ze niet zal gaan ontbreken aan het leven uit de genade Gods door traagheid en laksheid. Dat ze niet achterop geraken zodat ze op den duur de genade Gods gaan missen als toch noodzakelijk om op de loopbaan te kunnen volharden. Ik mag misschien wel een beeld gebruiken uit de sportwereld. Ik denk aan een wielerronde. Enkele renners hebben de kop genomen. Daarachter jaagt het peloton, een grote groep renners. De snelheid ligt echter zo hoog, dat het enkele renners te gortig wordt. Ze kunnen niet bij blijven. Ze raken achterop. Steeds meer en meer. Zolang ze nog bij elkaar blijven, gaat het wel. Maar als de aansluiting gemist wordt, wordt het steeds moeilijker. Ze zakken meer en meer af. Dat wordt hier bedoeld. Dat sluit ook aan bij het beeld van de loopbaan dat in dit hoofdstuk gebruikt wordt. Er zijn lopers die achterop geraken. Ze kijken achterom, ze kijken opzij. Ze laten zich afleiden. Ze raken het doel uit het oog. En ze geraken achterop.
Daar waarschuwt de apostel hier voor. 'Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods...' Het is mogelijk en het komt ook vandaag nog voor dat mensen achteruitgaan in hun geestelijk leven. Ze werden getroffen door het Woord Gods in hun leven. Ze werden getrokken uit deze tegenwoordige boze wereld en gezet binnen het licht van het Koninkrijk Gods. Ze werden overwonnen en ingewonnen door de genade Gods. Uit de dood van hun natuurlijk bestaan werden ze door Gods Geest in het leven gezet dat van God komt. Dat was die blijde tijd toen het licht werd in het stikdonker van zonde en schuld. De tijd van de eerste liefde. Wat een last was, werd een lust. Wat een lust was, werd een last. Het gebedsleven was teer en innig. Het Woord Gods was elke dag nieuw. De inzettingen Gods hadden het hart veroverd. God werd verheerlijkt om Zijn werk in het hart. Het was de tijd waarin de keuze met beslistheid werd gedaan: Heere, ik zal u volgen, waar Gij ook heengaat. Tot Wie zou ik anders heengaan dan tot U, want bij U zijn de woorden van het eeuwige leven.
Dat alles is echter verslapt. Het vuur is gedoofd. De gloed heeft plaats gemaakt voor dofheid en matheid. Het is zo ingezonken. Wolken bedekken de zon. Mist belemmert het uitzicht. Hoe is dat alles mogelijk ? Waar ligt de oorzaak ? In het pastoraat wordt je wel eens die vraag gesteld: Hoe kan dat toch ? Vroeger had ik het zo goed. Ik kon het met mijn hele hart zeggen: Wie heb ik nevens u in de hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Mij gaangaande, het is mij goed nabij God te wezen. Maar dat alles is zo vervaagd. Het Woord blijft zo'n gesloten boek voor me. De Wet verschrikt niet. Het Evangelie verkwikt niet. De hemel lijkt van koper. Mijn gebed komt niet verder dan de planken van de zolder van mijn bidvertrek. Wat daarop te antwoorden ? Zonder volledig te zijn, wil ik proberen hierop een antwoord te geven.
Een slechte gezondheid kan veroorzaakt worden door een slechte voeding of door een gebrek aan voedsel. Door een eenzijdig dieet. Door ongeregelde leefgewoonten. Ik ben van mening dat we het, wat betreft de verachtering in de genade, in deze richting moeten zoeken. De oorzaak van deze verachtering kan liggen in een slechte voeding, in een eenzijdige voeding, in een gebrek aan voeding. De hoofdbron voor de voeding van het geestelijk leven is nog altijd de bediening van het Woord Gods. Week in week uit wordt van Godswege aan de gemeente voedsel uitgereikt. Hemels voedsel. Brood voor het hart.
Een belangrijke vraag is dan ook: onder welke prediking zitten we zondag aan zondag en ook door de week ? Is het de prediking van het volle Woord Gods, waarin de brede verbanden van het werk Gods voor ons en in ons aan de orde komen ? Een voluit trinitarische prediking, waarin het werk van God de Vader, van God de Zoon en van God de Heilige Geest belicht wordt ? Of is het een verschraalde, eenzijdige prediking ? Dit laatste wil ik proberen toe te lichten.
Wij kunnen, om te beginnen, elke week zitten onder een puur voorwerpelijke, objectieve prediking. Een prediking die ons wel het heil in Christus voorstelt, maar die zwijgt over de toepassing en de toeeigening van dat heil in het hart en in het leven. Op de vraag: 'Hoe krijg ik er deel aan ? ', wordt geen antwoord gegeven. In het ongunstigste geval komt het erop neer dat wij zelf dat heil moeten aanvaarden in geloof. Het geloof wordt zo gemaakt tot een instrument in de hand van de mens in plaats dat het in de hand van de Heilige Geest wordt gelaten. Dit kan verschraling van het geestelijk leven tot gevolg hebben. Ik kan verleid worden tot een onbijbels activisme. Ik kan ook terecht komen in een leegte, omdat ik niet geleid wordt aan de hand van de Heilige Geest in het wondere werk van de zaligheid.
Daar is aan de andere kant ook de mogelijkheid dat we elke week verkeren onder een puur onderwerpelijke, subjectieve prediking. Ik bedoel een prediking waarin terecht de nadruk gelegd wordt op het eenzijdige werk Gods als het gaat over de zaligheid van zondaren. Maar waarin dat accent zo eenzijdig naar voren wordt gebracht, dat de hoorder tot een lijdelijke, afwachtende houding wordt gebracht. God moet het immers doen ? Deze prediking is verder zeer beschouwelijk van aard. Er wordt een beschrijving gegeven van de heilsweg. Daarnaast wordt met het Woord Gods soms uitermate wonderlijk omgesprongen. Het Woord wordt niet uitgelegd, maar in het Woord wordt eigen bevindelijk systeem ingelegd. Het Woord komt niet aan het woord. De gemeente wordt niet gevoed met het levende Woord. Deze prediking kan verachtering en verschraling tot gevolg hebben. Als de hoorder alleen maar wordt gezegd hoe Gods kerk het leert en als de mens niet wordt aangegrepen, komt hij op een afstand te staan. Hij wordt niet meegenomen en niet meegetrokken. We worden met recht een toehoorder. Zoals de wereld naar een sportwedstrijd kijkt, veilig zittend op de tribune, zo luistert de kerkganger naar een spreker, rustig in zijn bank. En het object van de preek is het bevindelijk leven. En de hoorder komt hoogstens tot de reactie: wat is dat volk van God toch een gelukkig volk. Hij wordt niet aangesproken, maar volkomen passief gelaten. En het heeft tot gevolg dat de kinderen Gods verachteren in de genade. Ze worden met rust gelaten. Ze krijgen geen voedsel mee. Hoe nodig is het dat het volle Woord Gods gebracht wordt. Elke prediker zal hier zijn tekort in ervaren. Wie is daartoe bekwaam ? Ik dacht, alleen hij, die zelf een gevangene werd van het Woord. Een gevangene van de God van het Woord. Die niet anders kan spreken dan wat de Heere hem zelf leerde op de school van de Heilige Geest. Dan staan we tegenover de gemeente als eenmaal Paulus, toen hij zei: 'Mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's