De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Verbond, doop, ledenbestand

De toenemende onkerkelijkheid is ook van invloed op het ledenbestand van onze kerk. In nagenoeg elke gemeente van enige omvang kent men het verschijnsel van wat de kerkorde noemt de geboorteleden, ongedoopten die in de registers staan ingeschreven en die in vele gevallen nauwelijks mee-leven. Daarnaast is er uiteraard ook de problematiek van die doopleden en belijdende leden die in weerwil van doop en belijdenis nauwelijks meer enige binding met de kerk en de eredienst kennen. Hoe met deze mensen te handelen ? Niet alleen is dit een administratieve kwestie (het is een veeg teken als deze zaak alleen op dit niveau behandeld wordt) maar het raakt ook het pastoraat, de evangelisatorische roeping van de gemeente, haar opzicht, de dooppraktijk enz. enz. En op de achtergrond speelt de theologische vraag naar de verhouding van verbond en kerk mee.

Ik werd aan dit alles nog weer eens herinnerd door een artikel van ds. S. Kooistra in het confessionele orgaan Hervormd Weekblad van 23 augustus. Kooistra wijst het verschil In visie in deze tussen hervormden en gereformeerden.

Vele gereformeerden hebben grote moeite met de volkskerkgedachte, het spreken over geboorteleden enz. In dit verband spreekt ds. Kooistra over de theologische achtergrond.

Nu heeft het 'ruime' ledenbestand der Hervormde Kerk een theologische achtergrond. De Kerkorde spreekt van het genadeverbond. En het is in de lijn van Hoedemaker om de volkskerkgedachte te funderen in het genadeverbond. Maar hier zet dan ook meestal de gereformeerde kritiek in. Ik werd daaraan nog eens herinnerd door het lezen van het tweede deel van ds. A. M. Lindeboom 'In het uur van bezinning', deel 2 'In Jezus ingedoopt'. (Uitg. Buijten & Schipperheijn — Adam 1973, 249 pag., prijs ƒ 10, —). Zowel dit deel als het eerste deel 'Geestelijk arm' (door prof. Van Itterzon in ons blad gerecenseerd) heb ik met veel belangstelling gelezen. Ds. Lindeboom doet een ernstig appèl op de gezamenlijke kerken van de geref. gezindte en zo wil ik ook naar hem luisteren. Hij is diep veronrust over het geestelijk vermageringsproces in de kerken en roept ons op om bijbelse ernst te maken met het belijden der kerk. Toch heb ik wel moeite met zijn opvattingen over het verband tussen Doop en Wedergeboorte en het lidmaatschap der kerk. Ik kan het waarderen, dat hij met grote nadruk wijst op het verband tussen de waterdoop en de doop met de Heilige Geest. De Geest is met Pinksteren uitgestort. Men komt bij de pinkstergroepen terecht, als de doop met de Heilige Geest geheel wordt losgemaakt van de waterdoop, die toch ook geschiedt in naam van de Heilige Geest. Maar in zijn zich afzetten tegen de vrijgemaakten vind ik, dat hij teveel denkt vanuit de veronderstelde wedergeboorte van Kuyper. Met o.a. Woelderink blijf ik de kinderdoop zien als verzegeling van de belofte, waarbij ongetwijfeld ook door God de Heilige Geest beloofd wordt. Maar in een kerk met kinderdoop zullen altijd afvalligen blijven. Trouwens in een kerk met enkel volwassendoop zal afval evengoed voorkomen. Een zuivere kerk hier op aarde halen we niet. Het is een raadsel, waar we nooit uitkomen, dat ook gedoopten ('verzegelden') door hun ongeloof verloren kunnen gaan. De ware kerk Gods mag slechts uit uitverkorenen of wedergeborenen bestaan, maar bij onze dooppraktijk kunnen we toch niet gaan piekeren over hoe het met de wedergeboorte van het kind zit. Dat is het geheim van Gods Geest. We mogen uitgaan van de geopenbaarde belofte van God, dat Hij ook de kinderen tot de gemeente rekent en dat Christus evengoed voor de kinderen is gestorven en opgestaan. De doop is het teken en zegel van het met Christus gestorven en opgestaan zijn.

Wel ben ik mede door lezing van het jongste boek van ds. Lindeboom toch weer wat voorzichtiger geworden met het spreken over 'volkskerk'. We moeten toch wel heel goed weten, wat we bedoelen, als we het woord 'volkskerk' gebruiken. Het betekent voor mij, dat de kerk niet gegrond is in de mate van het geloofsbewustzijn der gelovigen en daarom ook niet mag ontstaan uit een afscheiding van de bestaande kerk. Als we alleen kinderen dopen van zelfbewuste gelovigen, dan valt de schare er altijd buiten. Vandaar dat ik toch de milde dooppraktijk in de Hervormde Kerk de voorkeur geef, als er nog enige band is met de kerk en de doopouders na gesprek bereid zijn het jawoord des geloofs op de doopvragen uit te spreken. In onze tijd merken we, dat de ouders niet meer om de doop van hun kinderen vragen, als ze werkelijk niets meer geloven. Zo zuivert God zelf Zijn kerk. De gewoontedoop neemt af en dat acht ik op zichzelf gelukkig. Wel schrik je er nu van, hoe weinig in de grote stad om de Doop gevraagd wordt. De afval is enorm toegenomen. Daarom zit er nu altijd nog een vaag besef van geloof achter, als 'onkerkelijke' ouders toch nog prijs stellen op de doop van hun kinderen. En dan durf ik niet te zeggen, dat zij met hun kinderen niet onder het genadeverbond vallen.

Wel wil ik twee opmerkingen uit het boek van ds. Lindeboom ter harte nemen. Op pag. 117 herinnert hij eraan, dat in het algemeen reglement van 1851 gesproken werd over kinderen, geboren uit gedoopte hervormde ouders. Dit lijkt me juister dan wat in de Kerkorde staat van hervormde ouders zonder meer. Voor een gezond ledenbestand moeten we beginnen met niet meer tot de Hervormde Kerk te rekenen diegenen, die zelf niet gedoopt zijn en wier ouders ook niet gedoopt zijn. Ook wijst hij nog op een andere bepaling van het reglement van 1851 dat men alleen gerekend werd tot de Hervormde Kerk te behoren, zolang men zich nog niet van de kerk had afgescheiden of niet door de kerk zelf vervallen was verklaard van zijn betrekking tot de kerk. Ook dit zou een correctie kunnen betekenen, dat niet de persoon in kwestie zelf beslist of hij al of niet zijn handtekening plaatst onder het godsdienstwijzigingsformulier maar dat de kerk hierover beslist en dit ook doorgeeft aan het stadhuis. Iemand, die alle bezoek van de kerk weigert en zelf niet meer tot de kerk wenst te behoren, moet door de kerk uit haar registers verwijderd kunnen worden. Terecht wijst ds. Lindeboom wel op de mogelijkheid van een lijst van contactadressen van mensen, die niet tot de kerk behoren maar toch enig contact wensen. De roeping tot het apostolaat blijft! Maar de kerk graaft haar eigen graf, als zij een ledenbestand voert, waarbij elke vorm van tucht ontbreekt. In dit opzicht wil ik naar gereformeerde stemmen luisteren en verwacht ik ook iets van een herziening van art. 2 van de Kerkorde in samenwerking met gereformeerden. 

Terecht acht ds. Kooistra het begrip 'volkskerk' weinig duideUjk. Het zou de moeite waard zijn, ook vanuit de geschiedenis (Duitsland o.a.) de verschillende opvattingen eens op een rijtje voor zich te zien.

Wanneer ds. Kooistra zegt: Als we alleen kinderen dopen van zelfbewuste gelovigen (een wat vreemde kwalificatie m.i.) dan valt de schare er altijd buiten, doet me dit denken aan Noordmans meditaties over Jezus en de schare. Noordmans onderscheidt in Zondaar en bedelaar, blz. 101 massa en schare. Massa is een term uit de moderne sociologie. Noemt men de schare, dan denkt men aan Jezus, zegt Noordmans. Dat er een schare achter de gemeente staat, betekent voor die gemeente roeping, werfkracht. De kerk zal in alle bezinning over verbond, tucht, opzicht, ledenbestand, dooppraktijk enz. toch zich moeten blijven herinneren dat de Heere der kerk met ontferming bewogen was over de schare.

Geref. Bonders en Geref. Kerken

Dat is het opschrift boven een artikel van prof. dr. C. van der Woude in het Geref. Weekblad (Kok, Kampen) van 17 augustus. Van der Woude haakt in op de synodezitting in de Lucaskerk van juni jl. waar een opmerking van ds. Würsten over de Bond en de hereniging van hervormden en gereformeerden een opmerkelijke reactie kreeg. De vraag naar de verhouding tot de G.B. ligt aldus Van der Woude op onze (dus de Geref. Kerk) tafel. Na een exposé over doelstelling en streven van de Bond, over haar invloed lezen wij: In menig opzicht toont de Bond een goed gereformeerd leven. Ondanks dit feit hebben sommigen moeite met een eventuele hereniging met de Geref. Kerken. Of zouden we moeten zeggen: 'Dank zij dit feit... ? ' Van der Woude gaat dan voorts in op de actuele situatie. Hij schrijft:

Er is een tijd geweest, dat men in de Geref. Bond diep vertrouwen had in de theologische leiding, die van de Geref. Kerken uitging. Daarin is de laatste tijd wel een kentering gekomen. Enkele jaren geleden deelde de voorzitter van de Bond, ds. Tukker, in een persoonlijk gesprek me reeds mee, dat het vroegere vertrouwen had plaats gemaakt voor gereserveerdheid. Nog resoluter is een recente uitspraak van prof. C. Graafland, die meent een samengaan van de beide kerken te moeten afwijzen, 'omdat dit samengaan helaas niet zal betekenen een versterking van de geref. belijdenis. Het zal alleen de huidige gang van zaken in de Ned. Herv. Kerk bevestigen en radicaliseren'. En niet minder duidelijk is de mening, die ir. Van der Graaf, een van de leidende figuren in de Geref. Bond, onlangs in de 'Waarheidsvriend' publiceerde: 'Ten tijde van de doleantie betekende de uittreding van de gereformeerden uit de Hervormde Kerk een enorme verarming. We vrezen, dat een terugkeer nu geen verrijking zal zijn. We zouden ons als hervormden van harte moeten kunnen verheugen over een eenwording van twee reformatorische kerken, maar we zouden dan wel graag willen dat de gereformeerden de bagage, die ze in 1886 meenamen, weer mee terugbrachten. Te vrezen is dat dit niet het geval zal zijn'. Als kernpunt van zijn bezwaar noemt hij dan, 'dat het modernisme van de vorige eeuw in vernieuwd gewaad ook binnen die kerken terugkeert' en hij noemt als bewijs daarvoor enkele alom bekende verschijnselen binnen de Geref. Kerken. Met dr. C. P. van Andel meent hij van een 'aardverschuiving' te kunnen spreken en hij ziet deze dan vooral 'in theologisch opzicht en ook in de prediking'. Hij komt tot de conclusie 'dat de vrijzinnigheid, die men vroeger in de Hervormde Kerk bestreed, thans in eigen kring in niet geringe mate voorkomt. We hebben ten aanzien van het samengaan van de hervormde en gereformeerde kerken onze duidelijke zorgen, gezien de verdunning van het gereformeerd karakter, dat er het gevolg van zal zijn. Alleen overeenstemming in confessie kan de basis zijn, waarop men zich herenigt'.

Niemand kan ontkennen, dat deze kritiek op onze kerken concreet en duidelijk is. 't Zou onchristelijk en onverstandig zijn er geen acht op te geven. Deze critici, die ik allen persoonlijk ken en waardeer, zijn immers geen criticasters, die het om afbraak is te doen, maar vrienden, die uit zuivere motieven, ons onze feilen willen tonen. Het zijn broeders in de Heer, die voldoen aan hun en onze roeping om op elkander toe te zien. Het zou verkeerd zijn, wanneer we laatdunkend en lichtgeraakt, er het zwijgen toe zouden doen, alsof hun kritiek lucht voor ons is.

Daar komt nog bij, dat zij met hun bedenkingen niet alleen staan. Ik hoop, dat vele lezers in het vorig nummer van ons blad de bewogen 'Brief aan mijn familie' van ds. J. Vanderbom uit Australië hebben gelezen, waarin dezelfde bezorgdheid klinkt en ook de spijt, dat hun zorg soms wordt beantwoord met de laatdunkende opmerking 'dat wij maar heel weinig weten en in levensstijl 50 jaar achterop komen'. Ook andere zusterkerken in het buitenland delen de zorg van Australië en men heeft onlangs in de pers kunnen lezen hoe de Orthodox Presbyterian Church in Amerika de correspondentie met onze kerken heeft verbroken. Uiteraard is dit nog geen bewijs voor de juistheid van alle kritiek, maar het mag ons op zijn minst toch wel bewegen tot enige bezinning, enig confessioneel beraad over wat onder ons blijkbaar gaande is. Zo meen ik, dat we ook aan de kritiek van de Geref. Bond niet zomaar voorbij kunnen gaan. Het betekent toch nogal wat wanneer in een periode, waarin synoden tot elkaar naderen en men overweegt, 'samen op weg' te gaan, er juist uit het midden van een ons zo nauw verwant en zo levenskrachtig deel der Herv. Kerk zulke bedenkingen tegen hereniging met onze kerken opkomen.

Aan bovenstaande opmerkingen voeg ik nog enkele toe. Wanneer men in de kring van de Geref. Bond bezwaar uit tegen eventuele hereniging met de Geref. Kerken en daarbij verwijst naar bepaalde opvattingen, die de laatste jaren binnen deze kerken werden geuit, en waarin men een vernieuwd modernisme ziet, dan doet men alsof deze opvattingen door de Geref. Kerken zijn geaccepteerd. Dat is echter allerminst het geval. Er zijn artikelen en brochures verschenen, die van het tegendeel getuigen. Er zijn velen, die de band aan Schrift en belijdenis evenzeer waarderen als de Geref. Bond. Wat nog meer zegt, onze kerken staan nog steeds op het standpunt, dat zij niet alleen een belijdenis hebben, doch ook begeren te leven uit het geloof, dat daarin wordt vertolkt. Men mag dan ook niet zeggen, dat de opvattingen, waartegen ir. Van der Graaf e.a. zich richten, de opvattingen van de Geref. Kerken zijn. Het tegendeel is veeleer het geval. Over die opvattingen is op onze laatste synoden lang en breed en diep gesproken, en op bepaalde punten is dit gesprek nog gaande. Maar intussen heeft de synode van Sneek reeds in een herderlijk schrijven uitgesproken, dat zij 'Op geen ander fundament' wil staan en verklaard vast te willen houden aan het bindend karakter van de belijdenis, al miskent zij niet de vragen, die daarmee annex zijn. Ook heeft de synode in een uitspraak over de 'verzoening' laten weten wat haar gedachte omtrent deze waarheid is. Het was een Schriftuurlijke gedachte.

Zolang deze dingen nog zo liggen, is alle reden tot onrust nog niet weggenomen en blijft wel de roeping tot waakzaamheid, maar acht ik het te ver gaand, wanneer onze geref. broeders in de Herv. Kerk hierin een belemmering zien voor een eventuele hereniging met onze kerken.

Daar komt nog iets bij. Wanneer deze broeders bezwaar hebben tegen ons, die met hen binding aan de belijdenis willen, hoe kunnen zij dan kerkelijk samenleven met hen, die van geen binding aan de belijdenis willen weten en b.v. opvattingen inzake de verzoening als van dr. Smits e.a. tolereren, zonder te weren wat de belijdenis weerspreekt. Ik bedoel deze opmerking niet om iets onaangenaams te zeggen, maar ik kan de indruk niet van me zetten, dat deze houding van sommige Geref. Bonders iets tweeslachtigs heeft, dat vol innerlijke tegenspraak is. Het doet me te dieper gevoelen, hoe nodig het is, om al deze vraagpunten eens in onderling overleg binnen de gereformeerde gezindte te bespreken.

Nog temeer is hieraan behoefte nu onlangs aan chr.-geref. zijde ds. J. H. Velema de wens heeft uitgesproken naar een gereformeerd congres, waar heel de gereformeerde gezindte zich eens op haar positie zou kunnen bezinnen. Het is een wens, die op het jaarlijks congres van het Contactorgaan der Geref. Gezindte reeds meermalen naar voren kwam, maar van chr.-geref. zijde niet voldoende werd opgevangen, waarschijnlijk omdat men daar soortgelijke bezwaren tegen de Geref. Kerken koestert als de Geref. Bond.

De tijden veranderen echter en de nood van de tijd gaat dringen. Het wordt de hoogste tijd dat de kleine binnenbrandjes tussen de verschillende delen der geref. gezindte worden geblust. Ook dat is een oecumenische zaak. En een goede.

Mijnerzijds enkele kanttekeningen.

a. Prof. Van der Woude wil de kritiek op de Geref. Kerken serieus nemen, en deelt voor een deel zelf deze kritiek. Daarvan zullen we nota hebben te nemen. Want wanneer mensen de basis van de kritiek delen, dan is er een mogelijkheid tot wederzijds verstaan. Prof. Van der Woude heeft er meermalen blijk van gegeven de zorg van vele verontrusten aan te voelen en te delen.

b. Natuurlijk is er het gevaar dat we datgene wat door vooraanstaande progressieve theologen geschreven en gezegd wordt voor dé stem van dé kerk door laten gaan. Voor deze vereenzelviging zullen we op onze hoede moeten zijn. Ik wil graag aannemen van Van der Woude dat velen in de Geref. Kerken de modernistische geluiden afwijzen.

c. Dat neemt niet weg dat zijn verdediging van de synode-uitspraken mij niet bevredigt. Is de machteloosheid van deze synodale uitspraken niet, dat men toch een middenweg bewandelt en met behulp van enkele poly-interpretabele uitspraken Kuitert c.s. vrije doorvaart laat. Is ook de geref. synode als geheel niet vuurbang voor alles wat naar leertucht zweemt ?

d. Prof. Van der Woude verwijt de Bond tweeslachtigheid. Geen samengaan met gereformeerden. Wel blijven in een kerk die de vrijzinnigheid tolereert. Ik meen dat hij en niet alleen hij, maar zowel de Hervormde als de Gereformeerde Kerken duidelijkheid mogen vragen van ons.

Maar is niet — ook in de laatste jaren — in alle duidelijkheid gezegd dat we binding aan de belijdenis wensen? En is juist - de zorg van velen onzer niet dat hereniging van de beide kerken op dit moment die binding alleen maar zal verzwakken. Omdat vele gereformeerden in de praktijk toch meer aansluiting vinden aan de middenorthodoxe visie op het belijden dan op een strenge binding aan de belijdenis ? Wijst de praktijk in vele gemeenten dit niet uit ? Hoe komt dat gereformeerde kerkeraden doorgaans mak­kelijker contact krijgen met noodgemeenten van middenorthodoxe signatuur dan met Geref.-Bonders. Afgezien van particuliere initiatieven van die ambtsdragers in de Geref. Kerken die tot de verontrusten behoren ?

e. Dat een onderling beraad van de gehele geref. gezindte brood en broodnodig is, staat vast. Ik krijg de indruk dat Van der Woude dit gaarne wil. Maar krijgt hij daar de toonaangevende groep in zijn eigen kerken in mee ? Dat is voorshands nog een open Vraag. Niettemin is het waar dat we elkaar als hervormd-gereformeerden en als gereformeerden niet los mogen laten en dat we waar mogelijk gesprek en contact moeten bevorderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's