Het Verbond en de Heilige Geest 3
Het Verbond Gods
Bijgaand artikel verschijnt in een serie over het verbond, waarin naast een algemeen overzicht van wat de Schrift in het Oude en het Nieuwe Testament zegt, allerlei aspecten van het verbond aan de orde komen. De bedoeling is te komen tot een thetische weergave van dit centrale thema en zo de bezinning erop te stimuleren. Het artikel dat thans geplaatst wordt is van dr. H. Bout te Huizen
Wat de Heilige Geest toeeigent
De Heilige Geest past toe, wat wij in Christus hebben en de gemeente heeft in Christus als haar Hoofd en Zaligmaker alles, wat zij tot het leven en de godzaligheid nodig heeft. De Heilige Geest maakt vreemdelingen van de verbonden der belofte tot huisgenoten Gods, tot erfgenamen Gods en medeburgers der heiligen. Zie hierover Ef. 2 : 12 e.v. Door Hem is er toegang door één Geest tot de Vader. De Heilige Geest legt de Vadernaam op de lippen: Abba, Vader. De Heilige Geest verheerlijkt Christus aan het hart. Door het geloof woont Christus in het hart. Zonder de Geest is er geen aandeel aan Christus. De Geest is de levendmakende Geest. Het kerkhof van Ez. 37 wordt door het wonder van de werken des Geestes een veld van opstanding. Het is de Geest, die in nieuwheid des levens doet wandelen (Rom. 7:6; ). De Heilige Geest besprengt de ziel met het bloed van Christus, de ziel zuiverende van haar zonden en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods (Ned. Geloofsbelijdenis art. 34). Door deze radicale verandering komt er een totale verandering in het leven van de mens. Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. De natuurlijke mens denkt er niet aan zich te onderwerpen aan de wet Gods maar door de vernieuwende genade des Geestes krijgt hij een vermaak in de wet Gods naar de inwendige mens (Rom. 7 : 22). De Geest vernieuwt en maakt de wonderen Gods een gedachtenis (Ez. 36 : 26, 27). Het evangelie naar Johannes spreekt van een geboren worden uit water en Geest. Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen (Gal. 5 : 25).
De Geest eigent toe hetgeen wij in Christus hebben d.i. al de weldaden van het verbond: de rechtvaardigmaking (afwassing der zonde), de heiligmaking (de dagelijkse vernieuwing van ons leven) en de heerlijkmaking (totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen onbevlekt zullen gesteld worden).
Persoonlijke toeëigening
En omdat nu de Heilige Geest schenkt en toepast, daarom kan en mag de bondeling deze weldaden zich toeëigenen en dat niet wederrechtelijk, maar naar het genaderecht van de beloften des verbonds. Het aangenomen kind krijgt een kindsdeel en zal niet behoeven te klagen, dat hem tekort wordt gedaan. Hoe groot is het goed, dat Gij weggelegd hebt dien, die U vrezen !
In het verbond gaat het niet om een zakelijk, juridisch document, niet om uiterlijke betrekkingen en verhoudingen. Trouwens wij moeten wel voorzichtig zijn om voor zulke stukken de neus op te halen en een beetje denigrerend te spreken, eigenlijk te min voor geestelijk levende niensen. Een diploma is geen waardeloos papiertje, als uw naam erop staat en een testament niet maar een dor en onbegrijpelijk stuk, als uzelf (mede)erfgenaam bent en zo kunt u veel meer voorbeelden noemen. Maar daar gaat men de verkeerde kant uit, als men allerlei juridische termen, soms zelfs aan het oude Romein se recht ontleend er bijhaalt om de bijbelse noties van het verbond en andere nader uit te leggen. De geschiedenis ook van de gereformeerde theologie heeft genoeg voorbeelden van dergelijke scholastieke redeneringen en schoolse constructies, die tekort doen aan de eenvoud van het geloof.
Het verbond spreekt van de heilsgoederen als zaak des harten; het gaat om de 'innerlijkheid' van het in het verbond toegezegde heil (Skinner spreekt van inwardness); het is dat innerlijke moment, waarop de titel van het bekende werk van Schortinghuis doelt: Het innige christendom.
Getuigenis van de psalmen
Levende van de beloften van het verbond heeft het overblijfsel naar de verkiezing der genade de eeuwen door uitnemende vertroosting ontvangen. Het is niet zo vreemd als de berijming van Ps. 25 : 10 (berijming vs. 5) luidt: Hun die Zijn verbond en woorden als hun schatten gadeslaan. Wat een schatten voor Israël: Hunner is de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de (ere)dienst en de beloften (Rom. 9:4). De Heere gedenkt Zijns verbonds gestadig. Wat is er stof om den Heere als de Verbondsgod te roemen (Ps. 31 : 11, berijmd). Wat een houvast heeft de kerk aan Hem, die Zijns verbonds in eeuwigheid gedenkt. De psalmist noemt de verborgen omgang met God in één adem met het verbond (Ps. 25 : 14). De verborgenheid des Heeren is voor wie Hem vrezen en Zijn verbond om hun die bekend te maken. (De Statenvertaling kiest in de vertaling voor die, een woord, dat in de tekst niet voorkomt, zoals uit de cursieve letter blijkt. In de kanttekening wordt het verbond genoemd: te weten die verborgenheid en dat verbond en dat door Zijn Woord en Geest. Hier ligt dus geen verschil met nieuwere vertalingen, die in het algemeen de tekst aldus weergeven: Zijn verbond maakt Hij hun bekend). In het boek der psalmen komt de zaak van het verbond veel meer aan de orde dan het Woord. Op vele plaatsen zit het verbond achter het gebed en achter de belijdenis van Gods grote daden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het gebruik van het woord goedertierenheid, dat de verbondsrelatie tekent van de trouw Gods aan Zijn gegeven Woord.
Wederkerigheid van het verbond ?
Er is nog een ander moment uit het formulier voor de bediening van de Heilige Doop, waarop ik wil ingaan. Overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weer van God door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dathenus vertaalde aldus: Maar nadien dat in alle verbonden beide delen zich met elkaar verbinden, zo beloven wij ook enz.
De Heilige Schrift spreekt wel altijd van Mijn verbond: Het verbond is een genadegave van de souvereine God. Maar de bondelingen zijn meer dan toeschouwers en meer dan vruchtgebruikers. Het gaat niet buiten het hart om en niet automatisch hebben zij deel aan het verbond en het daarin toegezegde heil! In deze serie is meer dan eens gewezen op de belofte aan Abraham: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw zaad na u in hun geslachten om u te zijn tot een God en uw zaad na u (Gen. 17 : 7). Maar daarnaast staat waarschuwend en vermanend het woord: Die zijn niet allen Israël, die Israël genaamd zijn (Rom. 9 : 6). Indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad en naar de belofte erfgenamen (Gal. 4 : 29).
Geloofsgehoorzaamheid
Het Woord Gods vraagt om een antwoord, vraagt om gehoorzaamheid, om geloofsgehoorzaamheid. Zoals Abraham amen gezegd heeft op het Woord des Heeren en gerust heeft op de toezeggingen des Allerhoogsten. En daarbij hangt net verbond niet af van voorwaarden, waaraan het volk des verbonds moet voldoen. Het verbond zelf is één machtige toezegging van Godswege, rustende op de trouw Gods, die nooit laat varen het werk van Zijn handen, op Zijn welbehagen, dat Hij verheerlijkt in de toebrenging van zondaren in Christus. Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader (Ef. 2 : 18). Ik houd niet van de uitdrukking, die men nog wel eens leest, dat de zaligheid toegezegd wordt op conditie van geloof en bekering. Een dergelijke spreekwijze kan alleen maar leiden tot misverstanden alsof Gods werk niet volkomen is en er nog iets 'van de mens' bij moet. Zo bedoeld zou de vastheid van Gods beloften en de volharding der heiligen op losse schroeven komen te staan. Er is een betere uitdrukking in dit verband: ls de Heere overkomt, brengt Hij alles mee. Dan worden geloof en bekering — zonder geloof geen deel aan Christus, de bron van alle heil en zonder bekering geen ingang in het Koninkrijk Gods — niet in mindering gebracht op het zaligmakende werk van Christus, op de vrijmachtige genade des Geestes en krachtdadige werking van het Woord, maar dan is geloof en bekering openbaring van Gods genade, zoals de profeet Ezechiël getuigt: Ik zal u een nieuw hart geven en nieuwe geest in het binnenste van u en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen (Ez. 36 : 26 v.).
Het deel hebben aan het verbond Gods gaat niet buiten geloof en geloofsworsteling om. Paulus vermaant niet voor niets tot het werken van de zaligheid: Werkt uwzelfs zaligheid met vrede en beven. Dat wil zeggen: De mens moet met al de spankracht van zijn ziel achter zijn zaligheid aanzitten. Dat is werken (in het Grieks staat hier energein, denk daarbij aan ons woord energie d.i. kracht). Het gaat niet buiten het zieleleven om, zo op de wijze van over mij en zonder mij! En er dan houvast aan hebben, dat het God is, die werkt, beide het willen en het welbehagen ! Hier is weer sprake van de energeia, nu van de Goddelijke. En als de Heere werkt, wie zal dan keren ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1973
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1973
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's