Uit de pers
Vermeende tegenstellingen
Onze tijd kenmerkt zich door polarisatie op allerlei terrein, in de politiek, de vakbeweging, de kerk en de theologie. Soms is deze geboden, omdat ze door het Evangelie wordt opgeroepen. Denk aan de bijbelse tegenstelling tussen waarheid en leugen, Christus en de antichrist. Maar ook zien we soms vermeende tegenstellingen optreden. Ook binnen de gereformeerde gezindte komen we dit tegen. Uit reactie bijt men zich vast in een bepaalde eenzijdigheid, zonder de volle waarheid te verdisconteren.
Ds. J. H. Velema signaleert in zijn rubriek 'Voor de lens' in De Wekker van 7 september deze vermeende tegenstellingen ook in de Chr. Geref. Kerk. Wat hij daarover opmerkt verdient ook onze aandacht. Velema brengt een en ander in verband met de geestelijke volwassen heid. Een typisch bijbelse zaak. Denkt u aan Efeze 4 waar de apostel Paulus opwekt tot een leven bij het Woord, opdat het mag komen tot die mondigheid, die een wassen en toenemen in de kennis en de genade van Chr-istus betekent. Deze wasdom staat niet los van de liefde en het zich houden aan de waarheid.
Tot de echte mondigheid behoort ook dat we vermeende en echte tegenstellingen leren onderscheiden. Velema schrijft in dit verband:
Die vermeende tegenstellingen zijn er wanneer we elkaar gaan veroordelen op bijzaken of wanneer we elkaar gaan dwingen tot het onderhouden van vormen, die niet door God geboden zijn, maar die in een bepaalde tijd zijn ontstaan, doch die daarom niet altijddurende geldigheid hebben.
Laat ik een paar voorbeelden noemen om aan te geven wat met dit artikel wordt bedoeld. Er is in ons land een Gereformeerde Bijbelstichting, die dezer dagen komt met een 'gezuiverde' uitgave van de Statenvertaling. Een eerste exemplaar werd reeds aan een lid van onze kerken aangeboden. We kunnen voor dit alles respect hebben en dankbaar zijn dat er zoveel liefde is voor Gods Woord.
Het is echter te vrezen dat er straks niet alleen een tegenstelling bestaat tussen hen, die de Nieuwe Vertaling en de Statenvertaling gebruiken; maar ook tussen hen, die de genoemde editie gebruiken en hen, die een andere uitgave van dezelfde Statenvertaling in huis hebben en lezen. Ik ga niet in op de on-Zalige twist die er reeds geweest is tussen de G.B.S.
en de door het Ned. Bijbelgenootschap ingestelde commissie om te komen tot een nieuwe uitgave van de Statenvertaling — aan welke commissie ook verschillende van onze predikanten hebben meegewerkt — maar ik wil duidelijk stellen dat we op deze wijze vermeende tegenstellingen gaan maken, die rampzalig kunnen worden voor het kerkelijke en geestelijke leven.
Een andere vermeende tegenstelling ontstaat wanneer we in het gebruiken van allerlei termen, die op zichzelf genomen een goede zin hebben, maar die stammen uit een andere tijd, de rechtzinnigheid concluderen van de gebruiker en in het niet-gebruiken van die termen reden vinden om op z'n minst iemand te wantrouwen. Het lijkt me toe dat dit een behoorlijk probleem is in de kerkelijke praktijk van vandaag.
Het is m.i. een vermeende tegenstelling wanneer men tegenover elkaar gaat plaatsen een eenvoudige benadering en uitdrukking van allerlei kerkelijke en geestelijke zaken én een minder eenvoudige vertolking van overigens dezelfde gedachte.
Als men zou menen dat iets niet principieel juist is omdat het in andere woorden en formuleringen wordt gezegd dan men gewoon was, omdat men een bepaalde ontwikkeling mist of op een bepaald punt is blijven stilstaan, dan worden tegenstellingen gemaakt, die geen recht van bestaan hebben, die de onderlinge omgang bemoeilijken en het wederzijdse vertrouwen vergiftigen.
De Apeldoornse predikant blijft niet alleen staan bij de constatering van dit — terecht gevaarlijk geacht — verschijnsel. Hij stelt ook de vraag: is er een oplossing ? Die vraag klemt temeer als we bedenken dat wij leven in een tijd waarin een oecumenisme zich breed maakt dat m.i. werkelijke tegenstellingen soms verdoezelt of niet wil zien. Maar wordt ons bezwaar daartegen niet van zijn kracht ontdaan als we tegelijkertijd constateren dat men binnen allerlei kringen in de gereformeerde gezindte die aanspraak maken op vasthouden aan de Schrift en belijdenis, vermeende tegenstellingen schept en maakt dit geen machteloze indruk ? Bovendien is dit scheppen van vermeende tegenstellingen in strijd met de houding van b.v. Calvijn, die ontzag voor de hemelse leer, opkomen voor de waarheid wist te verbinden met een brede en diepe oecumenische aandacht.
Velema pleit voor wederzijds begrip, aandacht voor de bijbelse inhoud en een zoeken naar elkaar om des Woords wil vast te houden.
Dat betekent tegelijk dat we wederzijds als we aan de ene of de andere kant van de vermeende tegenstelling staan begrip voor elkaar moeten opbrengen. Het is in deze rubriek al vaker betoogd: we zijn er niet door het oude te handhaven omdat het oud is en evenmin door het nieuwe in te voeren omdat het nieuw is.
Als verbeten wordt gevochten voor oude vormen of voor nieuwe vormen, dan is er aan beide zijden iets grondig mis. Dan ziet men aan beide kanten niet dat er belangrijker dingen aan de orde zijn. Het gevaar is tegelijk zo groot dat die vermeende tegenstellingen gehanteerd worden als een criterium van rechtzinnigheid. In de grond van de zaak leggen wij dan onze normen aan en voorzien die van het etiket van Gods goedkeuring.
Laten we toch terwille van de grote strijd van onze dagen en de eenheid in eigen kerkelijk leven en de kracht van de geref. gezindte een open oog hebben voor de zaak, die hier kort wordt aangeduid, maar die in allerlei verhoudingen vandaag zo'n grote rol speelt.
Het kan in de kerk zover komen dat we tegenover elkaar moeten staan omdat de Waarheid Gods niet meer verstaan, beleden en gepredikt wordt naar de zin en mening van de Heilige Geest. Maar dan ook op dit punt en niet op punten, die de eigenlijke zaak verdoezelen.
Het zou van grote waarde zijn als we elkaar niet vastpinden op onze normen, maar op Gods normen en onze toepassing van die normen niet direct gelijk stelden met de wil van God.
Dit krijgt temeer kleur omdat er geboden tegenstellingen zijn in deze tijd; omdat we als kerk zeer waakzaam moeten zijn. Maar als in zo'n tijd vermeende tegenstellingen worden geforceerd dan bewijzen we de zaak van Gods Koninkrijk geen dienst. Dan kunnen we onze jongeren niet jaloers maken op de dienst van de Heere én we kunnen hen niet echt wapenen voor de geestelijke strijd, die zij te strijden hebben.
Onder Gods zegen door Zijn Geest mogen vermeende tegenstellingen verdwijnen, opdat we zo een volk mogen zijn dat de geest van de tijd grondig kan bestrijden.
Protestanten en rooms-katholieken in het zuiden des lands
In het jaarboek 1973 van de Gereformeerde Kerken werd in een kerkelijk overzicht onder meer gezegd: Uit het zuiden des lands bereikten de synode enige klachten over een te innige omgang van sommige geref. kerken en rooms-katholieke parochies. De synode drong erop aan zich aan de door haar vastgestelde 'spelregels' te houden en in elk geval in het afwijken daarvan niet verder te gaan'. Tot zover dit citaat, dat ds. B. J. Aalbers uit Geldrop aanleiding gaf in het Gereformeerd Weekblad (Kok, Kampen) van 30 augustus en 7 september te reageren, en iets te vertellen over contacten tussen rooms-katholieken en gereformeerden in het zuiden.
Vooreerst zegt hij erop, dat men generaliserend mag spreken over dé kerken in hét zuiden. Ook hier is heel wat variatie zoals elders in den lande. Vervolgens wijst hij erop, hoe er bij de R.-K. Kerk een veel grotere openheid is gekomen en bereidheid om elkaar in kerkelijke zin te ontmoeten. Een en ander resulteert regelmatig in uitnodigingen aan het adres van protestantse ambtsdragers te spreken op r.-k. ontmoetingsdagen etc.
Uit deze harmonisch gegroeide contacten vloeit dan de wens voort om over en weer een Avondmaalsviering of Eucharistieviering mee te maken, aldus Aalbers. Hij schrijft in dit verband:
Ik weet heel best dat de Nederlandse bisschoppen dit jaar richtlijnen hebben laten uitgaan om de r.-k. pastores op te wekken er geen potje van te maken en uiterst sober te zijn met het toelaten van nietr.k. gasten. De waarschuwing richt zich vooral tegen de zg. 'open communie'. Een en ander steunt op pauselijke richtlijnen die al eerder uitgingen en die de weg van een protestant naar een r.-k. Eucharistieviering nu niet bepaald royaal en gemakkelijk openen. Toch zijn er openingen. Maar ik zit óók met de besluiten van mijn eigen synode die mij niet toestaan aan een r.-k. Eucharistieviering deel te nemen en die het r.-k. mensen niet gemakkelijk maakt bij ons te gast te komen.
Kijk, daar treedt dan het spanningsveld op tussen de regels van het kerkverband (de spelregels) en de spelregels die je plaatselijk zou willen en moeten hanteren.
Want ik ben er zeker van dat er in de verhouding van onze kerken tot de r.-k. kerken in het zuiden des lands eigenlijk nergens sprake is van een geforceerd oecumenisch gedoe dat alleen maar wortelt bij enkele doordrijvers die van oecumenisch vertoon hun hobby zouden hebben gemaakt.
Er zijn wel heel wat harmonisch gegroeide contacten van waaruit men bij fundamentele vragen terechtkomt als het deelhebben aan eikaars eredienst. Het is in heel wat plaatselijke situaties niet eenvoudig om, terwijl men slechts op een uiterst bescheiden schaal wat doet (laten we dat niet vergeten: het zijn allemaal nog maar minimale zaken van beperkte omvang!) dan bijvoorbeeld consequent te wachten tot episcopaat en synodes het eens zijn geworden (eventueel via de Raad van Kerken) over de nota 'Eucharistie en Avondmaal' en de vervolgen die daar nog op moeten komen...
Het gaat er dan om of wij plaatselijk en regionaal — ook in het zuiden des lands — onze reformatorische roeping op dit moment al voldoende gestalte kunnen geven. Ik dacht dat er wel véél, maar tenslotte niet het wézenlijke over zou kunnen komen zonder het contact van de deelname aan eikaars erediensten.
Ondertussen bemerk ik dat wat me het diepst trof eigenlijk is dat in het Jaarboek-verslag 1973 over 'het zuiden des lands' nu wél iets staat van de donkerte van de klacht over dat innig contact, maar niets over het licht van de kansen die er zijn voor onze roeping, juist mede dóór dat contact.
Het is te verstaan dat in het zuiden des lands de ontmoetingspunten tussen roomskatholieken en protestanten veel groter zijn dan in streken waar de R.-K. Kerk nauwelijks aanwezig is. Dat men op gespreksavonden informatie geeft over reformatorische geloofspunten valt te verstaan. Toch roept het overgenomen gedeelte vragen op. Wat bedoelt Aalbers met 'onze reformatorische roeping' ? Wat bedoelt hij met de zin, dat het wezenlijke niet overkomt, zonder het contact van deelname aan eikaars erediensten ? Deelname is toch wat anders dan bijwonen ? Vandaar dat we benieuwd waren naar het tweede artikel in het nummer van 7 september.
Kritische solidariteit ?
In dit artikel probeert Aalbers aan te geven hoe de reformatorische christen aan zijn roeping t.o.v. Rome in deze tijd gestalte kan geven. Aalbers omschrijft deze als kritische solidariteit. Hij is van mening dat we dit niet eenzijdig mogen interpreteren. In een oecumensch contact zijn we immerszowel gevende als ontvangende partij. Bovendien vertonen de crisisverschijnselen in de Romana veel overeenkomst met crisisverschijnselen in de protestantse wereld.
Zoals voor mijn besef een heel stuk verontrusting bij ons als protestanten voortkomt uit een verlies aan zekerheid omdat een stuk raamwerk vervalt, zo is dat bij katholieken eigenlijk nog ingrijpender. Misschien zou je mogen zeggen dat de verwevenheid van vorm en inhoud bij katholieken intensiever was dan bij protestanten, hoezeer die verwevenheid ook daar een rol speelt.
Een predikant en een synode mogen dan bij ons een groot gezag hebben en vroeger een heleboel dingen gezegd hebben die we nu onzin vinden: tenslotte kan een gereformeerde principieel altijd zeggen: 'de dominee of de synode kan me nog meer vertellen, maar de Schrift zegt...'. En door die persoonlijke verbondenheid met de Heer en Zijn Woord red je het dan door de wisseling der tijden.
Het zou volstrekt onjuist zijn te zeggen dat het in r.-k. kring ontbroken heeft aan die persoonlijke omgang met Christus en Zijn Woord: maar de verwevenheid van het gelovig vertrouwen met het kerkelijk instituut en met de kerkelijke bepalingen was er toch groter dan in het reformatorische leven. Maar dat betekent dan ook dat als de bepalingen van de kerk wegvallen of snel veranderen en het instituut zélf de mensen veel meer verwijst naar hun eigen persoonlijke verantwoordelijkheid, er dan een uiterst kritische situatie ontstaat die een gevoel van leegte, onzekerheid, vervreemding en verwarring teweegbrengt. Ook van verbittering. Nogmaals: dat is een gevoel dat wij herkennen. Men leze er bijvoorbeeld de brochure van ds. Van Teylingen van jaren geleden nog eens op na: 'Tussentijdse balans'.
Maar juist in deze situatie kunnen we, zegt Aalbers, de r.k. partner in het gesprek van dienst zijn. Hoe dan ? Wel, wij moeten, zo schrijft Aalbers, 'vele r.-k. broeders en zusters vragen om niet met het badwater ook het kind weg te werpen'. We weten bovendien nog weinig van elkaar af, daarom moeten we aldus Aalbers, contacten bevorderen. Ook wie dogmatisch wat weet te zeggen over Rome, verstaat nog niet het katholieke geestesleven.
Het is duidelijk dat het gezag in de kerk een flinke knauw gekregen heeft. Het gezag heeft zich in de R.-K. Kerk vroeger ook wel tot in vele kleine details van het menselijk leven begeven. Veel van wat de gezagsdragers mensen vroeger opgelegd hebben is nu vervallen. Maar daardoor dreigt dat men nu elke vorm van gezag overboord gooit 'en niet meer tot luisteren bereid is. Dat is een ernstige zaak omdat het betekenen kan dat men zich óók niet meer gaat onderwerpen aan het gezag van het Woord des Heeren dat door mensen heen tot ons komt.
Als ik het wat kras mag illustreren: omdat vroeger de pastoor met al zijn gezag liet blijken dat een groot gezin toch wel zeer gewenst was en dat omgang met andersdenkenden met de uiterste behoedzaamheid diende te geschieden, luistert men nu niet meer naar de preek van de pastoor waarin hij het Woord Gods verklaart. Want waarom zou dat waar zijn ? En waarom zou je daarnaar moeten luisteren en je eraan onderwerpen ? Ondanks 'Humanae vitae' is geboorteregeling in r.-k. kring niets vreemds meer en de dominee staat nota bene bij tijd en wijle met de pastoor achter het altaar! Wat moet je daar nog voor opschrijven, zo zegt men dan. Het moet dan ook niemand verbazen dat een katholieke partij stemmen verliest: dat heeft met een principiële doorbraak helemaal niets van doen. De kerk schrijft op dit punt niets of bijna niets meer voor: men gaat dus zijn gang. Juist zo onprincipieel als het maar kan ! Maar er is geen protestant die met zo'n situatie gelukkig is.
(Vervolg op pag. 425)
Ik vraag mij af of het niet onze taak is om een katholiek te helpen eerst weer te geloven in zijn eigen kerk en de in die kerk openliggende Schrift, om van daaruit met een gescherpt onderscheidingsvermogen een nieuwe geloofshouding te vinden die niet meer zo door agressieve reactie bepaald wordt. Alleen dan komen we interkerkelijk verder. Daarom komt het voor dat je als protestant je geroepen voelt om een goed woord voor de paus en de kardinaal te spreken, ook al heb je alles tegen 1870 (de onfeilbaarheid) en ook al snap je wat Van Kilsdonk bedoelde toen hij zei dat hij de kardinaal (Alfrink) veel hoorde spreken over structuren en weinig over God ! Maar ik geloof dat deze solidariteit op dit moment vanuit de reformatie geboden is, hoezeer die solidariteit tegelijk kritische solidariteit moet zijn.
Het kritische kan echter nooit functioneren zonder het solidaire ! Op dit punt hebben wij m.i. de kansen die er zijn om elkaar verder te brengen in het \'erstaan van Gods bedoelingen nog lang niet benut en ligt er ook in het zuiden voor ons nog een aanzienlijke taak.
Juist omdat wij elkaar in de kerkelijke verhoudingen niet meer vanuit gesloten bunkers staan toe te roepen zijn er zoveel meer mogelijkheden om tot een echte ontmoeting te komen en tot een overdracht, ook van reformatorische waarden.
Hier heb ik toch moeite mee. Ik bedoel nog niet eens de uitdrukking: kritische solidaritéit. Men zou die kunnen verdedigen, als men bedenkt, dat bepaalde crisisverschijnselen in de roomse kerk ook bij ons voorkomen. Ook te onzent is b.v. het gezag in het geding.
Maar ik zie niet in hoe we de R.-K. Kerk een dienst bewijzen als we die gezagscrisis proberen tegen te gaan door een goed woord voor de paus te spreken. Ik mis in de artikelen van Aalbers het getuigend element. Moet ons gesprek met de R.-K. Kerk niet een getuigend gesprek zijn ? Bij Aalbers dreigt het te worden tot een wederzijdse uitwisseling van waarden. Zeker, een getuigend gesprek maakt de ontmoeting veel moeilijker. Daar zit een uitdaging in. Maar wij bewijzen de r.-k. mens geen dienst als we hem helpen te leren leven met instituten waar we als protestanten vanuit de Schrift nee tegen zeggen. Wij zullen hem alleen een dienst bewijzen als we het Evangelie doorgeven. En dat zal inderdaad gaan over het 'sola fide' en over de vruchten van het geloof (de liefde!).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's