De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Theologie in de ban van de tijd  en de geschiedenis 2

Bekijk het origineel

Theologie in de ban van de tijd en de geschiedenis 2

7 minuten leestijd

Dr. J. M. Hasselaar heeft een boek geschreven — bedoeld voor theologen — dat een inleiding geeft in het denken van de historicus Rosenstock-Huessy. Dr. Aalders heeft tegen dit boek grote en ernstige bezwaren, waaraan hij in bijgaand artikel, dat eveneens gericht is op de theologen, uitdrukking geeft. Dr. Aalders legt een verbinding tussen de inhoud van dit boek en de bestrijding door dr. Hasselaar van het Getuigenis, zoals hij dat deed in het blad De Waagschaal. We menen dat het van het grootste belang is dat de theologen, de theologische studenten ook, door deze artikelen inzicht ontvangen in de achtergronden van hedendaagse beschouwingen waardoor, zoals Aalders zegt, de theologie komt in de ban van de tijd en de geschiedenis. Ook voor niet-theologen met theologische belangstelling zal dit artikel veel verhelderen. 

Vorige week gaven we in grote lijnen de inhoud weer van het boek van J. M. Hasselaar: 'Inleiding tot het denken van E. Rosenstock-Huessy'. Wat zullen wij ervan zeggen ?

Onze reactie moet meervoudig zijn. Allereerst meen ik, dat het een vakbekwame en serieuze historicus heel moeilijk zal vallen, om Rosenstocks gedachten zakelijk en wetenschappelijk serieus te nemen. Om dat te staven, haal ik eerst enkele regels van de Engelse historicus Butterfied aan uit zijn: The Riddell Memorail Lectures uit 1951: 'Heeft de menselijke geschiedenis een nieuwe inhoud gekregen na de menswording van Christus ? Het verschil, dat bestaat in de historische werkelijkheid sinds de menswording, is dat er christenen zijn in de wereld; christenen, die een deel zijn van de historische werkelijkheid, maar die door hun innerlijke leven ook verbonden zijn met een andere werkelijkheid'. Hoe bescheiden doet dat aan bij de hoge gedachtenvlucht van Rosenstock ! Daarnaast zou ik willen wijzen op het boek van Christopher Dawson: Enquiries uit 1933, waarin wij een prachtige studie aantreffen over Augustinus. Wanneer wij Rosenstock stellen naast Augustinus, dan is er in beider leven sprake van cultuurneergang; maar welk een totaal andere visie op de geschiedenis ! Bij Rosenstock de eenheid van heilsgeschiedenis en wereldgeschiedenis; bij Augustinus de scherp tegen elkaar afgegrensde tweeheid van Rijk Gods en Rijk dezer wereld. Wil men Rosenstock vergelijken met mensen en bewegingen in die tijd, dan met de fanatieke Donatisten. In ieder geval zal het ieder duidelijk zijn, dat Rosenstock met zijn opvattingen bij Augustinus niet het minste begrip zou hebben gevonden. Alsook dat Augustinus een veel geestelijker kijk op de geschiedenis had dan Rosenstock. En zoals Augustinus dacht, zo dachten ook Cyprianus, TertuUianus, en de apostolische vaders.

Is er dus voor de historicus reden om gereserveerd te staan tegenover Rosenstock, óók de christen als gelovige zal niet goed raad weten met diens flonkerende gedachten en oiiginele opvattingen. Hij ontmoet er een overvloed van licht; van teveel licht, dat hem verblindt. Hij herkent in deze speculatieve wijsheid het Evangelie niet meer. Het is te zeer verintellectualiseerd. Er ligt geen persoonlijke troost meer in, die het hart opbeurt in de tegenheden van dit aardse bestaan. Hij verlangt na deze lectuur terug naar het eenvoudige brood des levens; naar de ruwe kerkbanken en een ouderwetse preekstoel.

Wij zeiden, dat ons oordeel over Rosenstock meervoudig moest zijn. Wij kunnen niet volstaan met een benadering van zijn werk vanuit het gezichtspunt van de historicus en van de gelovige. Hasselaar heeft zijn boek over Rosenstock geschreven voor theologen. Daardoor vordert zijn boek ons op, om ons als theoloog uit te spreken over Rosenstocks geschiedenisopvatting en Evangelie-interpretatie. En dan moet ik grote en ernstige bezwaren naar voren brengen.

Mijn voornaamste kritiek is, dat ik in het werk van Rosenstock nauwelijks iets anders kan zien dan een reprise van het cultuurprotestantisme van de negentiende eeuw. Maar, dan een cultuurprotestantisme na Nietzsche en Spengler; dus geboren uit de vertwijfeling, en tegen alle catastrofes in volgehouden. Men zou Rosenstock ook kunnen noemen een nazaat van Erasmus in de twintigste eeuw; en dus met alle lidtekenen en blessures van zoveel eeuwen teleurstelling en ontgoocheling. Ondanks alles blijft hij perspectief zien in de geschiedenis. Hij blijft in de toekomst geloven. 'Het vleesgeworden Woord is de wending der tijden, de Heer over alle tijden. .. Zijn kruis is het midden en kruispunt der geschiedenis' (blz. 249).

Maar is het nu tegenover het Nieuwe Testament, tegenover de eerste christengemeente, tegenover Ignatius, Tertullianus, Cyprianus en Augustinus vol te houden, dat dat de betekenis van het kruis is ? En dat wij zó de messianiteit van de Heer Jezus moeten interpreteren ? Wijst het kruis omhoog, of vooruit ? Heeft de apostolische gemeente haar blik 'vooruit', of 'omhoog' gericht ? Was de weigering der christenen, om de 'caerimoniae Romanae' (het offer voor de keizer en de staat) te volbrengen, een daad van politieke en historische aard; óf de belijdenis van een ander koninkrijk, dat niet van de wereld is ? Waren zij 'revolutionair', of 'religieus' ? Ik meen, dat men de geschiedenis gaat verkrachten, als men het Nieuwe Testament interpreteert op de wijze van Rosenstock. Wie het kruis maakt tot een geschiedenis-symbool, tot een teken van de wending der tijden, die maakt er een swastika van!

Een ander bezwaar tegen Rosenstocks opvattingen is, dat door zijn tijd-en taalbeschouwing de Bijbel en de taal een zeer ernstig functie-verlies ondergaan. Omdat voor Rosenstock alleen de nieuwe tijd en nieuwe taal werkelijkheid zijn, wordt de herinnerings wereld tot schijn gedegradeerd. Maar daardoor verliezen de geschiedenis en de taal van de Bijbel het karakter van ware werkelijkheid. De Bijbel geeft dan geen getuigenis meer 'van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben' (zie Lucas 1 : 1 en Hand. 5 : 32). De verkondiging wordt tot het eigenlijke gebeuren. De heilsfeiten worden tot taai-mystiek. Dat is een miskenning van de Heilige Geest en Zijn werk !

Ik ben dan ook door dit boek over Rosenstock pas gaan verstaan, wat prof. Hasselaar bedoelde toen hij in het blad In de Waagschaal de opstellers van het Getuigenis een rechtzinnigheid verweet, 'die terugvalt in een religieuze repristinatie, en daarin de kracht van haar belijden zoekt'. Vanuit het tijdsdenken en taaidenken van Rosenstock is een dergelijke uitspraak volkomen doorzichtig. Bij hem verdampt de objectiviteit, de historiciteit van de bijbelse verkondiging, want dat hoort tot het voorstellende, wetenschappelijke denken; tot de gestolde en levenloze tijd. 'Man musz also wahlen zwischen Gegenstand und Gegenwart; men moet dus kiezen tussen het voorwerpelijke verleden en het levende heden'. En levend heden is er volgens Rosenstock slechts, wanneer men de moed heeft, om uit het overgeleverde te treden. Want men kan de geest niet vernieuwen met behoud van het vervallen heiligdom. 'Men moet die plaats als een sterfhuis verlaten om de goddelijke Geest daarheen te volgen, waar deze op vrije wijze en opnieuw wil waaien en bevruchten' (blz. 60).

Welke slotsom is hier anders uit op te maken, dan dat wie het vervallen heiligdom niet verlaat, nog vastzit in religieuze repristinatie ? Vanwege zijn staan in de vervallen kerk en vervallen universiteit moet dus óók Hasselaar gezien worden als iemand, die repristineert! Zijn hooghartige veroordelingen over de 'getuigenissers' komen daarom via dit boek over Rosenstock op zijn eigen hoofd terug.

Overigens zijn wij dankbaar, dat Hasselaar niet zulk een slaafse en blinde vereerder van Rosenstock is, dat hij deze consequenties van hem overneemt. Klaarblijkelijk schrikt de leerling hier terug voor de extreme leringen van zijn meester. Klaarblijkelijk ziet hij toch nog méér in dat vervallen heiligdom; en dus ook in de objectiviteit van het verleden, van de traditie, van de leer.

Wij kunnen alleen maar hopen, dat diepere bezinning hem nóg kritischer en voorzichtiger zal maken tegenover deze flonkerende geest met zijn 'schitterende woorden en wijsheid' (1 Cor. 2:1). En met name, dat hij het kruis als symbool voor het rad der geschiedenis, dus als swastika, terzijde schuift voor het kruis als het laatste en uiterste woord der geschiedenis: Het is volbracht!' Want die dwaalleer heeft een lang en smartelijk spoor in de geschiedenis nagelaten. Wie de eeuwigheid in de tijd en het heil in de wereld wil brengen, maakt altijd het bestaan ondragelijk. Daarom is van oudsher de verwachting van Christus' wederkomst verbonden met het: Sursum corda, omhoog de harten ! En wie alleen voor dit leven op Christus hopen, heten in de Schrift 'de ellendigste van alle mensen (1 Cor. 15:19).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Theologie in de ban van de tijd  en de geschiedenis 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's