De Verborgene
'Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt'. (Jesaja 45 vs. 15)
Het wordt de man Gods te machtig, de verwondering over alles wat hij te horen krijgt dreigt hem te overweldigen ! Stel u voor: het volk Israël was verstrooid, in veel landen, het was daar niet in tel, het werd verdrukt. Nu dient zich een nieuwe koning aan, een wereldheerser: Kores. Wat heeft Israël van die heidense vorst te verwachten ? Niets immers ! Wat gaat Israël die geschiedenis aan, waarin de een na de ander zich van de macht meester maakt ? Niets immers. En het duurt allemaal zo lang, zo ontzettend lang.
Maar hoe vergissen wij ons. Al die tijd was de Heere bezig. Hij stelde Kores aan en dat ten behoeve van Zijn volk; Hij stelde hem aan als bevrijder. Wie had dat kunnen denken ? De Heere werkt aan het eerherstel van Zijn naam: Ik ben de Heere en niemand meer. Hij werkt tegelijk aan het eerherstel van Zijn volk. Men zal zeggen: Gewis, God is in u. En dat, terwijl iedereen dacht, dat de Heere nergens meer werk van maakte, dat Hij Zijn naam en Zijn volk aan de verachting uitleverde en overliet.
Er gebeurde het een en ander, dat had iedereen wel gemerkt. Maar wie had God achter dit alles gezocht ? Toch was Hij daar, verborgen en wel. De verwondering breekt los in de belijdenis van de tekst: Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. Voorwaar ! Zo is het. Dat is zonneklaar, dat is mij duidelijk geworden. U voelt de spanning, en het is heel persoonlijk. Zo'n God zijt Gij ! Hij verheerlijkt God.
Wanneer wij deze belijdenis aanhoren, worden wij uitgenodigd haar te beamen. Terwijl u dit zit te lezen komt de vraag tot u. Wat dunkt u van deze God, meer nog: wat kent u van deze God. Voorwaar ! Het is meer dan ooit nodig elkaar daarop aan te spreken. Velen menen dat zij over de verborgenheid des Heeren kunnen meespreken. God ? Een groot vraagteken. Wat weten we van Hem ? Nagenoeg niets, en daar zijn we nog niet zeker van. Wat merken wij van Hem ? Volstrekt niets. In onze wereld is God zoekgeraakt, zegt men. Hij is in geen velden of wegen te vinden, doe er maar geen moeite voor. Anderen gaan nog verder en beweren: Hij is er niet meer bij. Hij bemoeit zich niet met ons. Misschien is Hij er vroeger geweest, nu is Hij weg, verdwenen. Ach kom. Hij is er nooit geweest. Wij maken te veel drukte over Hem; Hij is dood, wat dat dan ook betekenen mag.
Het blijft immers de vraag of Hij ooit geleefd heeft.
Wij moeten dit terdege ernstig nemen; onze tijd strijdt nog over God en lijdt nog aan God. De verborgenheid Gods is echter, dat Hij zich verbergt, zich gaandeweg meer verbergt, naarmate men minder naar Hem vraagt. En daar hebben de mensen geen erg in; wij misschien ook niet, voor wie God, helaas, toch niet de aanwezige en werkzame God is. Die meer vragen stellen, dan antwoorden horen, als het over God gaat.
Voorwaar ! In de gemeente wordt God beleden. Ik geloof in God. Hij is niet verborgen in de volstrekte zin van het woord, zodat Hij naar zich laat raden en laat tasten. Hij is niet verborgen, zonder meer, nee: Hij deed van zich horen. Hij laat naar zich zoeken. Hij maakte zich bekend, zodat wij, onder andere, dit van Hem weten: Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. Het wordt uitgesproken, met het gezicht naar Hem toe: Gij zijt. God behoudt zich blijkbaar dat recht voor, het is Hem een eer zich verborgen te houden.
Velen nemen Hem dat kwalijk. Kwam Hij maar voor de dag; kwam Hij maar achter alles vandaan, dat Hem aan onze ogen onttrekt. Dan zouden we in Hem geloven, dan zouden wij Hem belijden. Die zich verborgen houdt. Dat kan Hij zich veroorloven, daar is Hij God voor. Al zou iedereen schreeuwen: Kom toch te voorschijn, dan nog.
Het schijnt wel, als verbergt God zich achter de gebeurtenissen. Waar was Hij, toen dat gebeurde; waar is Hij, nu dit over ons komt ? In de schepping werpt Hij een schaduw, die Zijn tegenwoordigheid doet vermoeden, meer niet. Hij houdt zich verborgen. In de geschiedenis is het niet anders. Hij is er wel, al houdt Hij zich verborgen. Voorwaar.
Daar wil ons vorsend verstand zich niet aan gewonnen geven. Wij zouden Hem willen naspeuren en opsporen. En ons gevoel zou geholpen zijn met een andere openbaring, dan de openbaring in de verborgenheid. God is groot, en wij begrijpen Hem niet. Rondom Hem zijn wolken en donkerheid. Dat komt, omdat de Heere zo hoog is ! In het hooggebergte steekt altijd wel één piek boven de andere uit en priemt zich in de blauwe lucht. Om die hoogste piek hangen de wolken het langst. Soms krijgen we de top van de alp in geen dagen te zien. Zou ons dat verlokken om de berg te beklimmen, en de top te bereiken ? Om ons op de 'hoogte' te stellen. We zouden verongelukken. Het is maar een beeld. God houdt zich verborgen, omdat Hij de allerhoogste is, in eeuwigheid de Heere.
Er is van Hem geschreven, dat Hij een ontoegankelijk licht bewoont en tegelijk, dat Hij in de donkerheid wil wonen. In beide zegswijzen wordt ons beduid: Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. Het hoogste en het laatste van God, daar komt geen mens achter. Hij zou het niet dulden en wij zouden het niet uithouden. Geven wij ons daarom tevreden met Hem, zoals Hij is. Belijden wij Hem, om Hem te aanbidden.
Overigens is dat niet zo eenvoudig. Wat zouden we graag willen, dat God zich in deze tijd helemaal vertoonde, zodat het ieder duidelijk werd: Hier is God. Dit is God. Helaas ! Nee. Voorwaar ! Trouwens, hoe staat het er in ons eigen kleine leven voor, en hoe gaat het ernaar toe ? Klaagt u nooit: waarom Heere, en waar, Heere ? Is Hij te vinden in de nood, het leed, de ellende ? Zou Hij zich soms verbergen, en toch tegenwoordig zijn. Ik zou naar God zoeken, en ook tot God mijn aanspraak richten.
Men kan zo zwaarwichtig en zo lichtvaardig over God spreken, zonder ooit zijn aanspraak tot Hem te richten. God, daar weten we alles van, die kunnen wij ten tonele voeren, ten voeten uit. Maar die Hem vrezen, worden erom gehoond: Waar is nu uw God ? Er wordt meewarig geglimlacht om het antwoord: Hij is een God, die zich verborgen houdt. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen; Zijn gedachten, dan onze gedachten. Wanneer het ons een raadsel is, pijnigen wij ons om het op te lossen. Als wij het geheim van Zijn hoogheid eerbiedigen, dan buigen we ons neer, en aanbidden Hem in Zijn heiligdom. Gebeuren er dingen, die ons verbijsteren, dan nog. Razen de stormen over ons leven, worden de golven hoog opgezwiept, het anker valt in volle zee: Voorwaar. Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's