Van Ruler en het Getuigenis 1
Na de verschijning van het Getuigenis is van allerlei zijden in woord en geschrift beweerd dat prof. dr. A. A. van Ruler, wiens naam in de inleiding op het Getuigenis voorkomt, dit stuk niet zou hebben ondertekend. Zo is gepoogd een wig te drijven tussen prof. Van Ruler en de opstellers, waartoe zélfs mevrouw Van Ruler behoort. Recent gebeurde dat in een bij Callenbach uitgegeven boek Wonder en Werkelijkheid door prof. dr. G. Th. Rothuizen. In bijgaand artikel gaat prof. dr. H. Jonker op één en ander nader in. Van Ruler zou eensgeestes geweest zijn met het motief, de inhoud en de doelstelling van het Getuigenis, zo luidt zijn stelling. Van Ruler is bij de voorbereiding dan ook nauw betrok
Annexatie ?
In Woord en Werkelijkheid, een boek over de theocratie dat deze zomer bij Callenbach, Nijkerk, verscheen, treffen wij een bijdrage van prof. dr. G. Th. Rothuizen uit Kampen aan over zijn kritische benadering van de theocratie van prof. dr. A. A. van Ruler. In dit artikel brengt hij ook het Getuigenis ter sprake en in noot 70 waarschuwt de schrijver 'om Van RuIer niet zó simpelweg voor het getuigenis te annexeren als wel gebeurt'. Hij verwijst dan o.m. naar zijn artikel Van RuIer en het Getuigenis in Gereformeerd Weekblad, Kampen van 15-12-'72. Dit artikel is milder gestemd dan noot 70 deed vermoeden, het woord 'annexatie' komt er niet in voor.
Toch is het woord gevallen en om recht te doen aan Van Rulers denken en instelling in de relatie tot het ontstaan van het Getuigenis poneren wij tegenover het annexatie-sprookje de stelling dat Van RuIer eensgeestes zou zijn geweest met het motief, de inhoud en de doelstellingen van het Getuigenis, ook al heeft hij de redactie ervan niet meeegmaakt. Ik heb daarvoor persoonlijke motieven en zakelijke argumenten. Beginnen wij met de zakelijke.
Het Getuigenis
Rothuizen vangt zijn artikel aan met een algemeen, nogal — vergeleken met de andere critici — mild oordeel over het Getuigenis. Ik zou eraan voorbij kunnen gaan, omdat dit oordeel niet direct te maken heeft met Van Rulers relatie tot het Getuigenis. Toch wil ik enkele kanttekeningen maken omdat Rothuizen een kritisch pad bewandelt, dat andere critici voor hem ook reeds — ten onrechte — betreden hebben, wat mij nu een goede aanleiding geeft op deze kritiek te reageren. Voorts heeft het een en ander indirect wel met Van Rulers relatie tot het Getuigenis te maken.
Rothuizen vindt dat het Getuigenis minder diep graaft dan het laatst verschenen boek van dr. Buskes. Ik vind deze vergelijking van een appèl tot de gemeente van 8 bladzijden met een boek van meer dan 100 bladzijden onbillijk. Buskes verwijt het Getuigenis o.m. ook dat het geen cultuuranalyse heeft gegeven. Ter synode is door Van Niftrik opgemerkt, dat de opstellers dit bewust niet hebben gedaan, omdat de boodschap aan de gemeente gericht was en kort gehouden moest worden (hoogstens 8 bladzijden). Hij attendeerde er verder op dat enige opstellers in hun boeken zich uitvoerig met de cultuurcrisis hebben beziggehouden. Misschien is het interessant hierbij ook Karl Barth aan te halen, die van mening is dat voor de preek — en het Getuigenis was een preek voor de gemeente ! — 'die Gemeinde gar keine Zeitanalyse vom Pfarrer verlangt', d.w.z. de gemeente helemaal geen tijdsanalyse van de prediker verlangt (Homiletik S. 102).
In de tweede plaats vraagt Rothuizen: 'Is de actualiteit van het Getuigenis de — ware — actualiteit ? ' Ik zeg volmondig 'Ja' en ik begrijp nog steeds niet dat theologen niet willen inzien dat het Getuigenis tegen een bepaald front is gericht nl. dat van horizontalisering met de aardse messianiteit, de identificatie van een bepaalde linkse ideologie en maatschappijkritiek met het Evangelie, de verzwijging of bestrijding van bepaalde geloofspunten en de veronachtzaming van de bijbelse spiritualiteit.
En nu vraag ik: ziet men nog steeds niet hoe na 1971 dit front nog duidelijker in theologisch en kerkelijk Nederland aan de dag is getreden als wij denken aan de verschijning van proefschriften met een éénzijdig accent op de maatschappij-kritische theologie en de doorwerking van deze denkbeelden in de praktijk, aan het proefschrift van dr. Wiersinga in 1971 over de alternatieve verzoening, waarvan prof. Herman Ridderbos zegt dat 'deze verzoeningsleer het hart van de Gereformeerde belijdenis, en de Gereformeerde religie raakt' en 'de kern van de Nieuwtestamentische verzoeningsleer voorbij gaat en weerspreekt' (Zijn wij op de verkeerde weg, blzz. 10 en 20), aan de vergaderingen van de synode der Gereformeerde Kerken, die zich urenlang met deze confessionele kwesties hebben bezig gehouden, aan het politieke accent dat de Wereldraad der Kerken op het bevrijdend handelen van Jezus Christus pleegt te leggen tot de predikatie van dr. Philips Potter in Geneve toe, zo zelfs dat prof. Berkhof in een I.K.O.R.-interview op 29 augustus jl. verklaarde 'dat in Djakarta in 1975 ook de bijbels-spirituele dimensie van de bevrijding van Christus aan de orde zal komen, die, volgens prof. Berkhof, aan de politieke dimensie voorafgaat' ?
Was het Getuigenis alleen maar een slag in de lucht, het intrappen van open deuren ? Ach kom ! Was het maar zo !
Van Ruler en het Getuigenis
Ten aanzien van Van Rulers relatie tot het Getuigenis citeert Rothuizen veel en nauwkeurig uit Van Rulers werken. 'Veel van wat er in het Getuigenis staat, zo zegt de schrijver, zou Van Ruler uit het hart gegrepen zijn'. Hij haalt dan aan de waarschuwing van het Getuigenis tegen de omvorming van het Evangelie tot een verwereldlijkt messianisme, het protest tegen de minachting voor de liturgische dienst van de gemeente en de vroomheid der gelovigen en het verzet tegen de reductie van het Evangelie tot maatschappijkritiek.
Van Ruler, zo schrijft Rothuizen, zou het nog feller hebben gezegd wat door het Getuigenis is gezegd. Alleen, en dat is het punt bij Rothuizen, Van Ruler zou méér gezegd hebben. En dan gaat Rothuizen in drie richtingen ontwikkelen wat Van RuIer méér gezegd zou hebben nl. in de richting van ' 's mensen medewerking en zelfverlossing', die van 'het sociaal ideaal' en die van 'de vreugde'.
Voordat wij op deze punten ingaan stel ik eerst de fundamentele vraag naar de door de schrijver gevolgde methode van discussie aan de orde. De bewijsvoering is vreselijk zwak. Wij hadden sterkere argumenten mogen verwachten. Wanneer de schrijver de opstellers — wie anders ? — beschuldigt van annexatie van Van RuIer voor het Getuigenis, althans hen ervoor waarschuwt, dan had de schrijver met de stukken moeten aantonen dat datgene wat in het Getuigenis staat in flagrante strijd is met de theologie van Van Ruler. Immers annexatie betekent: er iemand bij betrekken, die er wezenlijk niet bij hoort. En dat zou vanuit de inhoud moeten worden aangetoond. Dat doet de schrijver niet, de schrijver beroept zich niet op wat er staat, want 'dat is Van Ruler uit het hart gegrepen', maar op het meerdere wat er niet in staat en wat erin had kunnen staan of erin had moeten staan. Ik acht dit een spitsvondige wijze van redeneren.
Rothuizen had dezelfde methode kunnen volgen ten aanzien van de opstellers en adhesiebetuigers en vanuit hun publikaties en hun theologieën kunnen aangeven wat er in het Getuigenis méér had moeten staan. Niet alleen ten aanzien van Van Ruler, ook ten aanzien van de opstellers en adhesiebetuigers onderling bestaan er verschillen in theologische zienswijze, maar is het billijk deze uit te spelen tegen het gemeenschappelijk verzet en protest, waarin men elkaar gevonden heeft, tegen een bedenkelijke ontwikkeling in kerk en theologie ?
Rothuizen had op die wijze nog vele artikelen kunnen schrijven om te waarschuwen de opstellers en de adhesiebetuigers 'niet zo simpelweg voor het Getuigenis te annexeren als wel gebeurt'.
In het artikel van Rothuizen wordt dr. W. Aalders uitgespeeld tegenover Van Ruler. Natuurlijk denkt Van Ruler met zijn apostolaatstheologie anders over de verhouding geloof en geschiedenis dan Aalders gezien zijn laatste boeken o.m. Schepping of Geschiedenis. Ook is er verschil in opvatting aangaande de uitwerking van de Christologie tussen Van RuIer en Van Niftrik om maar iets te noemen. De theologieën van de vijf opstellers zijn zeker niet eensluidend evenmin de theologieën van de dertien adhesiebetuigers. Maar ze waren allen één in de noodzakelijkheid van het huidige tijdsgewricht op te komen met een appèl tegen een bepaalde kerkelijke en theologische ontwikkeling, één in het verdedigen van bepaalde geloofspunten en geloofsbeleving contra negatie, bestrijding en horizontalisering. En van die eenheid in negatieve reactie tegen en in positieve verdediging van had Rothuizen voor een billijke beoordeling moeten uitgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's