Leid ons niet in verzoeking 2
Het gebed
Tussen de Koning en Zijn tegenstander
Tot die Koning richt zich dit gebed. Het lijkt wat vreemd, dat wij God vragen om ons niet in verzoeking te leiden. Het is immers uitgesloten, dat Hij dat doen zou ! Zelfs kan Hij niet verzocht worden tot het kwade en Hij zelf verzoekt niemand (Jac. 1 : 13). Maar dit zegt Jacobus onmiddellijk nadat hij gezegd heeft: Zalig is de man, die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd zal zijn geweest, zal hij de kroon des levens ontvangen. En na de groet in hoofdstuk 1 : 1 is de brief zelfs begonnen met: acht het van grote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoeking valt, wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.
Daar hebben we in één verband de twee woorden verzoeking en beproeving voor ons, waarvan we de betekenis in allerlei Schriftplaatsen goed voor ogen moeten hoeden. De Statenvertaling gebruikt het woord 'verzoeken' vele malen, waar de N. Vertaling 'op de proef stellen' heeft. Zo b.v. in Gen. 22 : 1 bij de inleiding van de offerande van Izaak. Hier is inderdaad duidelijk de bedoeling 'beproeven'. 'Verzoeken' in de Statenvertaling dateert uit de tijd, dat onze taal nog sterkere verwantschap met het Duits vertoonde, waarin 'versuchen' beproeven, proberen betekent.
Deze onderscheiding tussen 'beproeven' en 'verzoeken' brengt ons op het rechte spoor. Verzoeking, zoals in de zesde bede gebruikt, betekent alleen maar verleiding. Juist tot wat tégen Gods wil indruist.
Nu kunnen in één handeling of in één situatie beide 'beproeving' en 'verzoeking' tegelijk aan de orde zijn. Van meet af aan worden geloof in God en gehoorzaamheid aan God door Hem getoetst. Vandaar de boom der kennis des goeds en des kwaads met het 'proefgebod'. Maar dezelfde daardoor geschapen mogelijkheid om 'neen' te zeggen tegen Gods gebod is voor satan het punt, waarop zijn aanval inzet. Dat samengaan van proef van Gods kant en verleiding van de zijde van de boze komen we telkens tegen in de Bijbel. Als de tweede mens Jezus Christus Zijn werk aanvangt, wordt Hij door de Geest Gods geleid naar de woestijn, om verzocht te worden van de duivel. In het boek Job hebben we één grote illustratie van dit samengaan, door de vrijheid, die satan van God krijgt om te trachten Job te bewegen tot afval. Gods kerk verkeert daardoor in een situatie, waarin zij voortdurend betrokken is bij het conflict tussen haar Koning en diens tegenpartij, die ook haar tegenpartij is. De woorden 'verlos ons van de boze' moeten we niet losmaken van de vraag: 'leid ons niet in verzoeking' (sommigen hebben in de slotwoorden zelfs een aparte, zevende (!) bede willen zien). De woorden 'verlos ons van de boze' zijn eer een accentuering van de aanhef.
Aan deze conflictsituatie, die soms de kracht kan hebben van een crisistituatie kan de gemeente Gods in dit leven nooit helemaal ontkomen, al zouden we ons terug willen trekken in de eenzaamheid van de woestijn of van een klooster. Dat is ook niet de bedoeling van de zesde bede. Trouw moet blijken. Dat is van het paradijs af Gods bedoeling met de mens. Geestelijke en zedelijke waarden bewijzen haar kracht alleen in de proef. In haar martelaren geeft de christelijke kerk het grote bewijs van de kracht des geloofs. Denk maar aan Hebr. 11. Vandaar de grote vreugde, die Jacobus verbindt aan het vallen in vele verzoekingen. In Rom. 5 heeft Paulus gesproken van een roemen in de verdrukkingen, in de wetenschap, dat de verdrukking lijdzaamheid uitwerkt. In dezelfde lijn ligt het woord van Petrus (1 Petr. 1 : 5—7), waarin hij spreekt van menigerlei verzoekingen. En dan zegt hij: opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan die van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus'. Zo is het in zijn eigen leven gegaan, toen de satan hem begeerde te ziften als de tarwe. Toen werd zijn vlees en bloed ontmaskerd, maar wat van Christus was (Cefas) bleef over.
Het vuur onder de smeltkroes, dat God gebruikt om te louteren, wordt door satan gestookt om te verteren. Waar God genezing bedoelt, bedoelt de duivel door dezelfde situaties of gebeurtenissen te verzwakken of te vernietigen. God heeft de heiliging op het oog, satan de onheiligheid.
Zo is de permanente toestand in het bezette gebied. Maar niet overal en niet altijd wordt op elk front even fel gestreden. Niet ieder wordt ook op dezelfde plaats gezet. De zesde bede ziet de beschikking daarover in Gods hand.
Haar overtuiging giet de kerk echter niet in de vorm van een redenering. Enigszins op deze manier: waar ik ga of sta, wat ik doe of nalaat, mij kan niets over komen, want God staat toch wel borg voor de overwinning, zelfs door mijn nederlagen heen. Maar zij giet de overtuiging, dat God de Heere meester is en blijft van het terrein in de vorm van een bede. De Schrift leidt ons niet op de weg van onvruchtbare of overmoedige bespiegelingen, maar laat de gelovige handelen en speken vanuit de concrete situatie, waarin hij verkeert. En dat is die van een mens, die zich bewust is van eigen zwakte krachtens afkomst en verleden en van de overmacht van zijn vijanden, die hem, links en rechts, van voren en van achteren kunnen treffen. Luther zong:
Met onze macht is 't niets gedaan: wij zijn alras verloren.
Wij moeten de bezettingstijd door. Wij moeten de strijd door. Maar we vragen: Heere, plaats mij niet in het brandpunt. En waar Gij mij leidt, laat mij nergens alleen.
Dat wil niet zeggen een ontvluchten van onze roeping. Calvijn zegt in zijn commentaar op deze bede: het zou ongerijmd zijn van God te vragen, dat Hij ons verschone van alles, wat de echtheid van ons geloof staven kan.
Daarom weigert Luther niet naar Worms te gaan onder het 'vrome' voorwendsel, dat hij God zou verzoeken. Maar hij gaat, omdat hij weet, dat hij geroepen wordt, en daarom niet alleen gaat. Daarom is het lied van de Reformatie niet alleen een belijdenis van eigen zwakheid, maar ook een getuigenis van geloofsmoed, omdat Luther weet van 'een sterke Held, die ons terzijde staat, dien God ons heeft ververkoren'.
Zoals de vijfde bede ons altijd weer naar Golgotha brengt, zo vraagt de zesde om de hulp van de Pinkstergeest, die ons God doet zijn tot een vurige muur rondom en tot heerlijkheid in het midden van ons. Zo kunnen wij in Zijn kracht de crisissituatie het hoofd bieden, omdat wij ervaren, dat God ons niet laat verzocht worden boven hetgeen wij vermogen, maar met de verzoeking ook de uitkomst geeft, opdat wij haar kunnen verdragen (1 Cor. 10:23). Zo worden wij in de kracht Gods bewaard (1 Petr. 1:5). In dat vertrouwen zegt Paulus: De Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk (2 Tim. 4 : 18). De kerk heeft een Hogepriester-Koning, die zelf verzocht is en Zijn kerk kennende haar te hulp komt (Hebr. 2 : 18, 4 : 15). Hij heeft voor haar gebeden: Ik bid U niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze (Joh. 17:15).
Door het geloof
Hebr. 11 is het hoofdstuk van mensen, die gestreden en overwonnen hebben. Door het geloof hebben zij koninkrijken overwonnen (vs. 33). Maar dan ook alleen door het geloof. De reus Antaeus uit de Griekse legende was zelfs voor Heracles onoverwinnelijk, zolang het contact met zijn moeder Gaea niet verbroken was. Toen het Heracles gelukte hem van de grond te krijgen, was Antaeus overwonnen. Wij kunnen in deze strijd alleen overwinnaars zijn door Hem, die ons heeft liefgehad. Hij hééft overwonnen als de Leeuw, die uit de stam van Juda is (Openb. 5:5). Hij overwon in de verzoekingen, waarvan Matth. 4 vertelt. Toen de grote confrontatie kwam, kon Hij zeggen: De Overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets (Joh. 14 : 30). Op Zijn lichtende gestalte liep de vorst der duisternis, die het bij iedereen altijd won, zich te pletter. Hij overwint in de Zijnen door Zijn Geest. Hij gaat voor. Zijn Israël heeft slechts achter Hem aan te gaan, rustend en trekkend op Zijn wenk.
De consequentie
Deze gebondenheid en verbondenheid met de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, behoort tot de consequenties van dit bidden. Wie bidt om niet in verzoeking geleid te worden, kan dit niet oprecht doen, wanneer hij zich moedwillig in verzoeking begeeft. Het gaat niet aan de éne hand biddend ten hemel te heffen om hulp en de andere uit te strekken naar dat wat ons van God aftrekt.
Wat dat is, kan uitermate verschillend zijn. Het glas wijn, dat de één met dankzegging kan gebruiken, kan voor de ander een stap zijn op een hellend vlak, welke hij vermijden moet. Er zijn zwakken en sterken. Wat betreft inzicht, vatbaarheid en standvastigheid. Er zijn geschriften, kunstuitingen met een grote of een kleine k, er zijn levensterreinen, die zozeer beheerd worden door de geest van deze eeuw, dat men zich, ook als men zich sterk waant (of juist dan), wel tienmaal zal moeten bedenken, eer men zich ongeroepen op dat gebied beweegt. Toetssteen voor ons handelen blijft de vraag of men ootmoedig en gelovig vragen kan: Heere, leid mij niet in verzoeking.
Het meervoud
Er staat: leid ons niet... Wij gevoelen ons inderdaad vaak als soldaten op een eenzame post. Wij spreken vaak over onze innerlijke strijd en verzoekingen met niemand anders, maar 'vechten het liever met ons zelf uit'. We vrezen, dat anderen ons zullen minachten, omdat voor ons dingen een verzoeking zijn, die het voor een ander misschien niet of nauwelijks zijn. Toch wordt misschien nergens dieper vriendschap gesloten dan in gemeenschappelijk gevaar tegen een gemeenschappelijke vijand. Een leger is tenslotte één geheel. Men wisselt daarin ervaringen uit en leeft mee in elkanders nederlagen en overwinningen. Vandaar dat meervoud in het Onze Vader. Zou het niet wenselijk zijn, dat wij elkander ook. wat dit betreft beter kenden, sterker met elkander meeleefden en meer elkanders strijd in het gebed aan God opdroegen! Eendracht zou ook op deze manier blijken macht te betekenen. De vijand zou meer weerstand ontmoeten dan van ons versnipperd leger en de zaak des Konings zou erdoor gediend zijn.
Het uitzicht
'Totdat wij eindelijk te enenmale de overhand behouden'. Daarmee beëindigt onze Heidelberger de uitleg van deze laatste bede. Dat 'totdat' doet ons denken aan zovele ons bewaarde gebeden van Calvijn, die met datzelfde woord aan het einde van het gebed het uitzicht openen op de grote bevrijding. Ook aan de bezettingstijd komt een einde. Na de lange winter komt de eeuwige lente. Daar zal geen moeite en verdriet meer zijn, maar ook geen zonde en verzoeking. Daar zal de strijdende kerk triomferende kerk worden. Die overwint zal alles beërven. Die wettig gestreden hebben in de kracht van de Overwinnaar zullen gekroond worden en met Hem gezeten zijn in Zijn troon. In dat paradijs zal niet inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Dat Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging.
Het bidden vraagt om de aanbidding. Daarover, bij de bespreking van de lofzegging aan het einde, meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's