De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mr. Aantjes over slotzin Troonrede

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mr. Aantjes over slotzin Troonrede

4 minuten leestijd

In mijn artikel van vorige week over het weglaten van de bede in de slotalinea van de Troonrede ging ik onder meer ook in op wat mr. Aantjes dienaangaande had gezegd. In enkele dagbladen stond, dat hij betreurde, dat het kabinet deze bede niet wilde overnemen maar dat het beter was de bede weg te laten als het kabinet deze niet uit overtuiging kon overnemen. Uit een brief van mr. Aantjes en een daaropvolgend telefoongesprek bleek dat deze persberichten een onjuist beeld gaven en in de pers gekomen waren na een kort telefonisch interview.

In Nederlandse Gedachten van 29 september 1.1. ging mr. Aantjes in een uitvoerig artikel nader op deze zaak in. Om hem recht te doen geef ik in het kort de lijn van zijn betoog hier weer.

Mr. Aantjes begint met te zeggen, dat het te voorzien was dat de weglating een stroom van reacties zou oproepen maar dat het te hopen is dat het kabinet dit zélf niet heeft voorzien omdat dat de beslissing alleen maar betreurenswaardiger maakt.

Politiek gezien heeft het kabinet — zo vervolgt hij — onnodig mensen van zich vervreemd. Een politieke noodzaak om tot wijziging over te gaan was er niet. Daarom kreeg het opzettelijk weglaten het karakter van een demonstratie. Historisch gezien is de fout ook des te groter, omdat bij twee vorige keren dat de genoemde slotzin werd weggelaten (1869 en 1917) de betrokken ministers openlijk hun spijt hebben betuigd. 'Het zou ook de huidige minister president 'niet ontsieren' als hij er blijk van zou geven deze lessen alsnog ter harte te hebben genomen.'

Verder noemt mr. Aantjes het in staatsrechtelijk opzicht een misvatting, dat de ministers met hun persoonlijke overtuiging achter de inhoud van de bede moeten staan. Ze aanvaarden slechts de politieke verantwoordelijkheid voor wat H.M. de Koningin uitspreekt. In religieus opzicht acht mr. Aantjes de weglating een verarming. Hij zegt: 'Men kan het een kwestie van eerlijkheid noemen, dat een kabinet geen bede, die onmiskenbaar ook het karakter van een belijdenis heeft, voor zijn rekening wil nemen, waar niet alle leden met hun persoonlijke overtuiging achter staan... Ik wees er al op dat dit op een verkeerde opvatting van de politieke verantwoordelijkheid berust. Maar juist uit die opvatting blijkt des te duidelijker, dat bij het kabinet blijkbaar niet de behoefte bestond bij het begin van het nieuwe parlementaire jaar niet een enkel sober woord naar de afhankelijkheid van Gods zegen te verwijzen.'

Mr. Aantjes vervolgt dan, dat hij het teleurstellend acht, dat de belijdende christenen onder de kabinetsleden het demonstratieve karakter van de verandering niet hebben onderkend. Respekt voor ieders overtuiging, het niet willen uitoefenen van dwang zal wel het motief zijn geweest. Een kwestie als deze hebben zij niet aan een stemming willen onderwerpen. Vooral zullen zij wellicht huiverig zijn geweest Gods Naam te verbinden aan al te aardse zaken. Maar dan hebben zij toch niet onderscheiden tussen het erkennen van de afhankelijkheid van Gods zegen voor al ons werk en het lichtvaardig christelijk noemen van onze menselijke daden.

Mr. Aantjes besluit tenslotte met uiteen te zetten dat deze kwestie intussen geen partijpolitieke zaak mag worden in die zin dat de één de ander, de ene partij de andere in principiële zin wil overtroeven, terwijl de Naam, die heilig is, in het geding is.

Ik acht het gewenst dit hier weer te geven omdat het een ander licht op de zaak werpt dan het korte persbericht dat ik vorige week aanhaalde deed vermoeden. Over de stelling dat de ministers slechts politieke verantwoordelijkheid hebben voor de troonrede zou nog nader te discussiëren zijn. Misschien kan dat nog eens in ons blad. De vraag is namelijk of een belijdenis van staatswege gebonden is aan een meerderheid van christelijke regeringspersonen of roeping is voor de regering als zodanig. Maar ik zou het betreuren als een onjuiste indruk gewekt werd van de intentie van mr. Aantjes in dezen. Over zijn duidelijke afkeuring mag geen onduidelijkheid bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Mr. Aantjes over slotzin Troonrede

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's