Van Ruler en het Getuigenis 2
Eensgeestes
Ook Van Ruler was één met ons om ons gezamenlijk te stellen tegen de genoemde punten waartegen het Getuigenis zich uiteindelijk keerde. Hij was zelfs één van de initiatiefnemers. Met prof. Van Niftrik, prof. Van Itterzon en ondergetekende kwamen wij samen op de studeerkamer van prof. Van Niftrik op 24 juni 1970. Daar werden zaken waartegen het Getuigenis zich later zou keren grondig doorgesproken. Daar werden de zeven geloofspunten opgesteld, die prof. Van Niftrik toen noteerde en later uitwerkte, let wel in het bijzijn van prof. Van Ruler. Het concept heeft hij niet meer gezien. Ongetwijfeld zou ook hij eraan geschaafd hebben, zoals alle opstellers dat gedaan hebben.
Niet de redactie in definitieve vorm ligt voor rekening van prof. Van Ruler, wel was hij tot het laatst van zijn leven innerlijk eens met het motief, het doel van een publiek schrijven, ook met de inhoud en de strekking. Ik heb met hem mogen samenwerken van januari 1959 tot december 1970 en heb vooral in de nauwe samenwerking van de laatste jaren gadegeslagen hoezeer hij zich steeds sterker verzette tegen de verpolitisering van de prediking en de reductie van het Evangelie tot maatschappijkritiek. Hij sprak predikanten, die hij beluisterde hierover, aan en ging uiteindelijk bij hen niet meer ter kerke toen zij hun politiserende prediking voortzetten. Hij wenste een bijbelse prediking met het hart der verzoening, had de empirische gemeente lief, bezocht trouw kerkdienst en sacramentsbediening en kwam tegen alle bestrijders van het institutaire op voor het kerkelijk instituut met kerkorde en al.
Tweepoligheid
Tegenover deze persoonlijke achtergronden in verband met het ontstaan van het Getuigenis komt alles wat prof. Rothuizen schrijft over de drie punten van 'het meerdere' bij Van Ruler op mij af als het zoeken van spijkers op laag water. Want het is een koud kunstje om bepaalde uitlatingen van Van Ruler uit te spelen tegenover het Getuigenis, zoals het ook een koud kunstje is bepaalde uitlatingen van Van Ruler uit te spelen tegen andere uitspraken van Van Ruler! Daarom is het citeren van Van Ruler zo'n riskante zaak. Dat komt omdat hij een totaliteitsdenker is geweest, te groot voor menig theoloog, die slechts uit zijn eigen straatje spreekt. Alle aspecten heeft Van Ruler in zijn denken in een samenhang willen brengen. Daarom was hij voor eenzijdige denkers moeilijk te volgen. Terecht spreekt drs. P. F. Th. Aalders in Woord en Werkelijkheid over de tweepoligheid van zijn denken (blz. 12). Hij kwam op voor God, maar ook voor de mens, voor de hemel maar ook voor de aarde, voor de existentie, ook voor het Rijk Gods, voor de gemeente en voor de wereld, voor kerk en staat, voor persoon en gemeenschap, voor predestinatie en voor vrijheid, voor het heil en voor het zijn, voor het hart en voor de rede, voor het innerlijk maar ook voor het uiterlijk, voor bevinding en daad, voor de abstracte idee maar ook voor het concrete leven, voor de theorie maar ook voor de praktijk, voor de traditie maar ook voor de actualiteit in het heden, voor het verleden maar verbonden met de toekomst.
Vanwege deze tweepoligheid had hij een bepaalde methode van discussiëren en schrijven: tegenover een eenzijdig front kwam hij steeds speels, humoristisch en soms overdreven op voor een diametraal tegengesteld ander front. Tegenover een overgeestelijk spiritualisme b.v. was hij geneigd met kracht op te komen voor de aarde, de overheid, de staat en de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar daarmee is hij nooit een matschappijkritisch theoloog geworden in de huidige betekenis van het woord, ook al beroept men zich soms op hem. Integendeel! Hij schrijft: 'De laatste tijd spitst zich deze nieuwe vrijzinnigheid toe in de gedachte, dat het Evangelie alleen maatschappij-kritiek is en dat we voor de rest niets met het Evangelie te maken hebben. Ik kan het niet anders zien dan zo, dat we met deze nieuwe vrijzinnigheid, zeker in deze toegespitste vorm op den duur alleen het communisme in de armen kunnen vallen' (Theol. Werk III 163). 'In onze tijd zien we dat bijvoorbeeld gebeuren in deze zin, dat men in de theologie nauwelijks of in het geheel niet van het kerkelijke en het mystieke sprake wil hebben, maar alleen van het wereldlijke, het sociale en het politieke. Dat is een waanzinnige eenzijdigheid, een hypertheocratisch denken, dat vanwege z'n overdrijving eenvoudig onwaar, vals en ketters wordt' (I, 28, 29).
Het meerdere ?
En nu nog iets over de drie punten, die Rothuizen aanvoert om Van Ruler méér te laten zeggen dan het Getuigenis gezegd heeft. Wij kunnen kort zijn en kunnen de eerste twee punten nl. van de 'zelfverlossing' en het 'sociaal ideaal' samenvoegen. Wat ik mis in de uitvoerige beschrijving van Rothuizen is het inzicht in de bovengeschetste 'tweepoligheid' van Van Rulers denken.
Van Ruler denkt niet alleen christologisch maar ook pneumatologisch (vanuit de Heilige Geest), ziet daarom de mens niet alleen christologisch in het geloof als 'begenadigd zondaar' maar ook pneumatologisch in de activiteit van het geloof als 'verbondspartner van God'. In het pneumatologisch raam moeten nu alle door Rothuizen aangehaalde uitspraken van Van Ruler worden geplaatst. Maar Van Ruler bespreekt deze kwesties op speelse wijze. Hij haalt van A. G. M. van Melsen het woord 'zelfverlossing' aan, maar vraagt tegelijk: 'durft men werkelijk het woord 'zelfverlossing' op de lippen te nemen, als men kijkt naar wat de moderne wetenschap en techniek ons brengen ? Is men niet eerder geneigd het woord 'zelfvernietiging' uit te spreken ? Waar blijft de vroomheid ? Waar het vertrouwen op God ? Waar de overgave aan Zijn genade ? ' (Theol. Werk 1, 230).
Ik ga nu nog verder dan Rothuizen door op te merken dat pneumatologisch Van Ruler zelfs het woord synergisme (samenwerking: in dit geval van God en mens inzake het heil) gebruikt, iets wat gereformeerde belijders van hem niet hebben kunnen begrijpen.
Met een speelse blik in zijn ogen zou Van Ruler het woord nog willen aandikken en spreken over een honderdprocentig synergisme, maar slechts in het pneumatologisch raam. Hij zegt: Dit synergisme, deze reciprociteit is kenmerkend voor het werk van de Geest. In een pneumatologisch verband verstaan, heeft het woord synergisme ook totaal die slechte klank verloren, die het in het christologisch onvermijdelijk heeft' (Ref. opmerkingen:103). Men lette op dat laatste bijzinnetje. Van Ruler blijft de reformatorische theoloog van de rechtvaardiging van de goddeloze door 100% genade krachtens de verzoening door voldoening van Jezus Christus. En voor dit geheimnis is hij, vooral aan het eind van zijn leven met alle kracht opgekomen. Daarom had hij achter het Getuigenis gestaan wanneer het bestrijdt 'een christelijke praktijk, die louter en alleen de daad en de medemenselijkheid op het oog heeft en van onverdiende genade niet wil weten'. De verkondiging van de 'onverdiende genade Gods' was in het huidige tijdsgewricht in het geding en daarom stond Van Ruler ten aanzien van deze veronachtzaming, negatie of bestrijding als initiatiefnemer aan de zijde der andere drie.
Van Ruler werpt wel de vraag op wat voor Gods aangezicht gewichtiger zou zijn: 'dat een mens vrede in zijn hart krijgt of dat de belastingtabellen en de loon-en prijspolitiek getuigenis afleggen van de gerechtigheid en de liefde als structuur van de samenleving ? '
Rothuizen citeert wel deze vraag uitvoerig in zijn artikel en in zijn bijdrage in Woord en Werkelijkheid, hij citeert niet het antwoord dat Van Ruler in de daarop volgende zin zelf geeft: 'Laten wij daarover nu echter niet strijden, maar ons verzoenen in de stelling dat het apostolaat van de kerk in de samenlevingsverbanden even gewichtig is als het pastoraat van de kerk in de gezinnen en over de harten' (Theol. Werk III, 27 en 28). M.a.w. Van Ruler zou zich verzetten als het heil binnen de kerk werd opgesloten, hij zou zich evenzeer verzetten, en hij bewees dat door mede het initiatief te nemen tot dat wat het Getuigenis geworden is, wanneer het pastoraat van de kerk in de bijbelse prediking van de verzoening 'in de gezinnen en over de harten' in verdrukking komt. En dit was het 'Anliegen' van het Getuigenis.
Vreugde en belijden
Het laatste en zwakste argument van Rothuizen om te waarschuwen voor annexatie is de kwestie van de 'vreugde', 'een inhoudelijk bezwaar tegen het Getuigenis' volgens de schrijver. Het Getuigenis zou de zaak ietwat 'verstichtelijken' of nogal 'verkerkelijken' door niet, 'zoals Van Ruler — doorgaans — te spreken van het belijden van de vreugde maar van de vreugde in het belijden'. Er is tweeërlei: Er is vreugde in het belijden, wat het Getuigenis op het oog heeft gehad en wat ook Van Ruler gekend moet hebben getuige de vracht aan publikaties van zijn belijdende theologie. Er is daarnaast het belijden van de vreugde, een geheel andere categorie !
Was dit laatste nu terzake in een protesterend geschrift ? Protesterende actiegroepen zien er doorgaans niet bepaald vreugdevol uit. Wij houden het maar op de wijze prediker: Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd, er is een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen (Prediker 3 : 1 en 4).
Tenslotte. Prof. dr. G. P. van Itterzon typeert Van Ruler raak en diep in zijn theologische existentie als hij aan het eind van zijn afscheidscollege (Belijnd Belijden, 221) over de Verzoening Van Rulers woorden aanhaalt: 'Jezus volbrengt de hele wet. Zo brengt hij verzoening tot stand. Verzoening door voldoening. Hij lost het diepste probleem van de wereldwerkelijkheid op: het probleem van de schuld. Die verzoent hij. Dat is, dunkt mij, het diepste, wat door de denkende christenen over het lijden van Jezus is gezegd' (uit Ik geloof, 83).
Jezus Christus, unica spes ! riep Van RuIer uit toen hij in zijn laatste toespraak op Hydepark voor de 1ste-jaars theologische studenten in oktober 1970 niet alleen met zijn mond, maar ook met zijn hart, ja met zijn hele lichaam sprak over de ergernis van de mens om door die ene Mens, Jezus van Nazareth, te moeten worden gezaligd.
Linkse, progressieve studenten kwamen diep onder de indruk tijdens de discussie met hem.
En met dit Christusgetuigenis over de verzoening is de diepste relatie van Van Ruler tot het Getuigenis aangegeven.
Hilversum
H.Jonker
Naschrift
Prof. Jonker ontving op zijn artikel de volgende reactie van prof. Rothuizen.
Zeer geachte collega:
Hartelijk dank ik u voor de toezending van uw artikel, waarvan ik met grote belangstelling nota heb genomen. Ik heb geen behoefte erop te reageren. De lezer heeft nu twee argumentaties — een van mij en vervolgens een van u — en hij moet nu maar kiezen, waarin Van Ruler het meest recht wordt gedaan. Anders blijven we ook aan de gang.
Eén misverstand wil ik — zo mogelijk — uit de weg ruimen. Ik heb niet het Getuigenis van annexatie van Van Ruler beschuldigd. Uiteraard niet, zijn naam komt er niet in voor. Mijn — inderdaad niet geringe — ongerustheid raakte de m.i. simpele wijze, waarop Van Ruler door verdedigers van het Getuigenis werd geannexeerd. Toen ik dit een keer meemaakte, dacht ik meteen aan het woord annexatie. Nogmaals: omdat het zo vanzelfsprekend, in een handomdraai en simpelweg geschiedde. Ik dacht: stel je voor, dat meerderen er zó over denken, dan moet ik er maar een artikeltje aan wagen! Met hoogachtende groet, uw
G. Th. Rothuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's