Een Stevig houvast
'Ik heb tot het zaad van Jakob gezegd: zoek Mij tevergeefs'. niet Jes. 45 vs. 19.
Ik heb niet! En nog een keer: Ik heb niet. Ik heb tot 't zaad van Jakob niet gezegd: zoekt Mij tevergeefs. Daarover mag geen misverstand zijn! Zoeken is een gebruikelijk werkwoord, en 't bestrijdt een groot deel van ons leven. Wij zouden het leven als zoeken kunnen aanduiden, zoeken en vinden, een tweeslag. En soms een tweespalt. Waar vinden naar zich zoeken laat. Op zijn tijd zoeken we allemaal, de een dit, de ander dat. Wij zoeken persoonlijk en gemeenschappelijk, naar heil, naar geluk, naar dat éne dat steeds andere namen draagt. We zijn het ineens kwijt, we kunnen het niet missen. We zoeken er naar. Wat zoekt een mens al niet; als hij jong is, ouder wordt, terugkijkt naar vroeger, vooruitkijkt naar later. En wat vindt hij? Vindt hij het? En wat hij vindt is dat voorgoed gevonden?
Velen zoeken, maar Mij niet, zegt de Heere. Geldt dat nog van ons? Wij konden beter weten, zoals het zaad van Jakob beter weten kon. Bij de Heere is heil, leven, vrede, daarom is het zaak Hem te zoeken. Toe ga het nog eens na. Veten zoeken zonder ooit te vinden. Ze zijn op het spoor gezet en volgen het hijgend; dan loopt dat spoor dood in de wildernis, de wind huilt over de vlakte: tevergeefs! Dat is ten aanzien van de Heere niet het geval. Hij zet ons door Zijn Woord op het goede spoor. Wie afgoden zoekt, zoekt tevergeefs. Wie de Heere zoekt, niet.
Voor het te laat is, voor de vergeefsheid u de keel toeknijpt spreekt de Heere: zoekt Mij. Dat heb Ik gezegd. Ook daarin is Mijn Woord duidelijk: zoekt de Heere en leeft. Dat heb Ik tot het zaad van Jakob gezegd. Aan hen heb Ik Mij bekend gemaakt. Ik zette hen op dat spoor. Telkens dwaalden ze er van af en gingen de afgoden na. Tevergeefs overigens. Dan riep Ik hen weer: zoekt Mij.
Zo roept Hij ons, als kinderen reeds. Wie zijn wij kwijt? De Heere. Dat is ons grote ongelijk, dat veroorzaakt die voortvretende onvrede. Wie kunpen we niet missen? De Heere. We vinden geen rust, totdat we Hem vinden. Het Woord schept orde in al het vruchteloos gedachte en vruchteloos betrachte, dat hart en zinnen eigen is. Zoekt Mij. Doe het vroeg, doe het met heel uw hart. Laat alles eens voor wat het is, dat doet u toch, als u iets zoekt. Het gaat u dan om dat éne.
Voorwaar Gij zijt een God, Die zich verborgen houdt. Heeft het zin hem te zoeken?
Rabbi Baruch had 'n kleinzoon, die met zijn vriendjes verstoppertje speelde. Na lang wachten keek hij om het hoekje van zijn schuilplaats, hij riep: hier! Maar zijn vriendjes waren nergens te zien. Toen liep hij huilend naar zijn grootvader en beklaagde zich over zijn vriendjes: ze zochten mij niet eens. Toen huilde de rabbi op zijn beurt en zei: Mijn jongen, dat doet de Heere nu ook zo'n verdriet: Ik verberg Mij, maar niemand wil mij zoeken! Daarmee is het beeld getekend, daarin horen we het goddelijk beklag. De Heere doet taal en teken, maar wij zoeken Hem niet. Wij rennen alle kanten uit, en laten Hem alleen. Dat wordt een vergissing, die zich eeuwig wreekt. Want wie de Heere niet zoekt, vindt Hem niet en wie Hem niet vindt, wat vindt hij anders dan de eeuwige dood.
Ik heb tot het zaad van Jakob gezegd: zoekt Mij. Met klem Mij. Maar...is dat niet tevergeefs. Hij is te zoeken, zeker. Maar is Hij te vinden? Daar zet ik een vraagteken bij. Ik ken mensen, die Hem zochten en ik hoorde nooit dat ze Hem vonden. Soms verneem ik het tegendeel: Hij was voor hen niet te vinden. Tevergeefs. Och van horen zeggen liegt men veel. Hoort liever wat de Heere hier verklaart. Tevergeefs? Dat heb ik nooit gezegd.
Dat zeggen de mensen wel. In een vlaag van ernst, zetten ze er zich toe. Maar na korter of langer tijd wenden ze zich af: Het is tevergeefs God, te zoeken. Het leidt tot niets. Dat fluistert de duivel ons in: Laat het toch, het heeft immers geen zin. En dat denken wij heimelijk: ik zoek al zo lang, ik zoek zeker niet goed. Tevergeefs. Wat kan dat nare woord ons de moed benemen, zodat we trager verder lopen te zoeken, en het tenslotte, opgeven. Tevergeefs. Getuigen voor! Nu, tegen al die valse getuigen hoort u hier uit de mond der waarheid: Ik — met de nadruk op dat Ik — heb tot het zaad van Jakob gezegd: zoekt Mij tevergeefs. Als u er anders over denkt, dan hebben anderen u dat wijs gemaakt.
Tevergeefs. Wij weifelen. Zou dat waar zijn? En als het waar is, wat dan? Gelooft het maar niet zegt de Heere. Gelooft Mij maar op mijn woord. Ik sprak daarover geen onzeker woord en tevergeefs is er niet bij. Ik niet. Legt uw oor niet te luisteren bij de duivel, de vader der leugenen. Wanneer wij de Heere niet zoeken, maakt hij het ons niet moeilijk, hij is ons daarin zeer ter wille. Gaan we, van armoede, de Heere zoeken, dan leidt hij ons af, op de hoop dat wij het af laten weten. Is dat niet zo, dan strooit hij dat kwade gerucht uit: tevergeefs. Dat werkt als vergif! Het verlamt zelfs ons gebed. Zijn listen zijn ons niet onbekend. Er is maar één goede raad: Leent uw oor en uw hart aan de stem des Heeren. Tevergeefs zoeken, dat staat niet in zijn woordenboek.
De weg van Christen voerde door moeras; 'wantrouwen' heette dat. Hoe moest hij daar doorheen komen? Hij zakte weg in de drassige grond. Maar gelukkig, daar lagen platte stenen, hier een, daar een. Die had de Koning daar neer laten leggen. Over die stenen kon hij zijn weg vervolgen. Deze tekst is zo'n steen: Ik heb niet gezegd, tevergeefs. Zo liggen er vele stenen, gehouwen uit 't betrouwbare woord des Heeren en ze liggen daar, waar wij geen grond meer onder de voeten hebben. Ieder die de Heere zoekt weet daarvan. Hij gaat stapsgewijze en sprongsgewijze zijn weg. Van de ene steen op de andere. Het zaad van Jakob weet daarvan, het is immers het geslacht dergenen, die naar God vragen, die Zijn aangezicht zoeken.
Zoekt Mij. Ik laat Mij vinden. Ik laat Mij zo graag vinden, daarom klinkt mijn woord en mijn naam zo duidelijk. Ik ben er, al houd Ik mij verborgen. Ik houd Mij verborgen om gevonden te worden. Ik ben er voor ieder die Mij zoekt. Als we iemand zoeken, dan staat dat van ons vast, we gaan er van uit.
U moet Hem niet zoeken, waar Hij niet te vinden is. U moet Hem ook niet in het wilde weg zoeken. Hij zet ons op het spoor van Zijn Woord. Spoorzoekers zijn padvinders. Zó vinden wij Hem. Wij vinden Hem in Christus Jezus. Zijn Zoon. Het spoor van Zijn Woord loopt uit op het kruis. Zou Hij hier zijn, waar ik hoor roepen: Mijn God, mijn God. Waarom hebt Gij mij verlaten. Daar is Hij! De Heere, de Heiland. Daarom aanbidden wij Hem in vindenstijd aan de voet van het Kruis. Ziet hier ben Ik, Ik ben uw heil, uw één en uw al. Daar is een honingvloed van vrede, voor mij, die overal U zocht en bij het Kruis U vinden mocht.
Twee weken. Tot twee keer toe: Ik heb niet. Duidelijkheid en een stevig houvast. Dank u wel, Heere, het was aan geen dovemansoren gezegd. Zoekers, Hij laat zich vinden. Waarbij het ook aangetekend moet worden, met zwart krijt: tevergeefs, nooit bij het: zoekt Mij. Nooit of te nimmer. Niet tevergeefs, daar blijft het bij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's