Want van U is het Koninkrijk 2
Het gebed
Perspectief
We ontdekten vorige week het perspectief, dat de gelovige Israëlieten gezien hebben, als zij hun klein landje zagen temidden van de grote wereldmachten van Egypte, Assyrië of Babel, Griekenland en Rome en daar bovenuit zongen: Onze God is toch in de hemel. Hij doet alles, wat Hem behaagt (Ps. 115 : 3).
Historische gebeurtenissen, het oprichten van altaren, dankzeggingen en gebeden werden telkens vergezeld van en gedragen door de geloofswetenschap, dat de Heere God is, dat onder de goden niemand Hem gelijk is, dat Hij de God der goden is. Het juicht ons tegemoet: de God Israels is God. Zijn Naam is heerlijk over de ganse aarde.
Daar zag het vaak niet naar uit. De heerlijkste getuigenissen omtrent het koningschap des Heeren komen we juist tegen in woorden van de profeten rondom de diep ingrijpende ballingschap van het volk Israël. Dan klinkt het: heft uwe ogen op omhoog, en ziet Wie deze dingen geschapen heeft. Zo zegt de HEERE, de Koning Israels en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste en behalve Mij is er geen God.
Uit datzelfde geloof heeft de jonge christengemeente geleefd, klein en veracht in vergelijking met de grote massa van het jodendom met tempel en priesterdienst en met de verblindende pracht en de verpletterende macht van het Romeinse rijk. Daar was het bruisen van grote wateren, de geweldige wateren der zee. Maar de HEERE in de hoogte is geweldiger (Ps. 93).
In die positie te leven is telkens de roeping van Christus' kerk. Luther gaat dan psalm 46 herdichten in zijn 'Vaste Burcht'. Dan gaan in concentratiekampen en gevangenissen, in tijden van oorlog en gevaar de psalmen hernieuwde betekenis krijgen en ziet de kerk de God Israels zeer hoog wonen, maar ook zeer laag zien (Ps. 113). De diepe tonen van boetepsalmen, van liederen, die zingen van aanvechting en strijd blijven. Tot de don kerheid van psalm 88 toe. Ook in het persoonlijke leven. Maar ver daar bovenuit klinken in de psalmbundel, maar ook in de Bijbel in het algemeen, meer dan vaak bij ons het geval is, de lofzangen van b.v. Psalm 89 en in het bijzonder, die waarmee de psalmbundel besluit (Ps. 145 —150). Daar juicht het:
Ik zal, o HEER, Die ik mijn Koning noem
de luister van Uw majesteit en roem
verbreiden, en Uw wonderlijke daan
met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Dan wordt zaliggesproken de mens wiens sterkte in God is (Ps. 84), omdat Hij, van wie de kracht is, deze in onze zwakheid volbrengt. En groot is 's HEEREN heerlijkheid (Ps. 138).
Dat neemt dus niet weg de wandel in het midden der benauwdheid. Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon. Het gaat zijn verborgen wegen. Jezus Christus is in deze wereld alleen verschenen in dienstknechtsgestalte. Hij waarschuwt ons tegen vooruitgrijpen op het einde door ons te laten beïnvloeden door stemmen, die zeggen: Zie hier! of zie daar! (Lucas 17:23).
Toch is Zijn Naam: Immanuel, God met ons. In Hem heeft het gezalfde oog de heerlijkheid Gods aanschouwd, vol van genade en waarheid.
Juist in deze presentie (Matth. 28 : 20) ligt de waarborg, dat het koningschap Gods er is, ook bij nacht en stormgedruis, dat Gods wereldregering de tijden en gelegenheden tot Zijn eigen beschikking gehouden heeft (Hand. 1 : 7). In Christus is het venster met zijn-perspectief op de Vader geopend.
Dat is de grondslag van het vertrouwen, dat Hij kan en wil en zal. Hij heeft 'de wil en het vermogen ons alles goeds te geven'.
Van U
Het Onze Vader is geen verklaring, maar een gebed. Dat blijft, het. Ook in deze lofverheffing. In psalm en lied, belijdenis en getuigenis zal het vaak zijn: van Hem is het Koninkrijk. Maar in het gebed is het: van U. Juist omdat de psalmen voor zulk een groot deel gebeden zijn, wisselen dat 'van Hem' en 'van U' elkaar zo vaak af. In het 'van U' klimt het gebed tot de hoogte der aanbidding. Dat is de hoogste uiting van het spreken tot God. Daarin is meer dan het vragen. Het gaat zelfs min of meer boven, het vertrouwen, dat ons alle lichamelijke en geestelijke nooddruft geschonken zal worden. Want het gaat tenslotte niet om ons, maar om Hem, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn. Deze aanbidding blijft, ook nadat er geen. nood meer zal zijn. Ook als niets meer Zijn Naam zal ontheiligen, wanneer Zijn Koninkrijk alles zal omvatteh en niets Zijn wil langer zal weerstreven; als buik en spijze teniet zullen zijn gedaan, alle schuld en zonde weggedaan zullen zijn en alle disharmonie opgelost zal zijn — dan zal er toch zijn het spreken tot God. Dan worden gevouwen handen alleen maar opgeheven handen en alle bidden wordt, aanbidden van God in al Zijn deugden. Maar in dit 'van U' begint deze aanbidding reeds in het strijdperk van dit leven. Hier is het hoogste waartoe ons hart in het gebed opgeheven kan worden.
Calvijn wijdt in zijn Catechismus slechts één vraag aan dit loflied. Op de vraag wat deze toevoeging wil zeggen antwoordt hij: zij wil er ons nog eenmaal aan herinneren, ons met ons gebed veel meer op Gods macht en goedheid te verlaten, dan op enig zelfvertrouwen en ons bovendien leren, al onze gebeden te besluiten met de lofzegging van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's