Opnieuw in Israël 1
Toen de veertiende mei 1948, de vijfde van de maand ijar 5708, de staat Israël werd geproclameerd verhief zich de eerste minister-president van Israël Ben Goerion van zijn zetel en onder tranen riep hij uit: 'Twee duizend jaar hebben wij op dit uur gewacht en het is geschied. Als de ure vervuld is kan niets God weerstaan'. De proclamatie werd ondertekend 'in vertrouwen op de rots van Israël'. Het was inderdaad onbegrijpelijk. In 1895 schreef Herzl (in Der Judenstaat): 'De joden hebben de ganse nacht van hun geschiedenis deze droom gedroomd: over een jaar in Jeruzalem, is ons oude woord. Nu komt het er op aan, , dat uit deze droom een gedachte helder als de dag ontstaat'. Op het bewogen Zionistencongres van 1903 te Basel had men gezegd niet tevreden te zijn met een nachtasyiel voor Israël, maar men wilde een vaderland scheppen, een eigen thuis en 'dit vaderland is enig en alleen Palestina'. Dat was werkelijkheid geworden. De wonderen Gods zijn de wereld nog niet uit. Ontelbaar zijn de rampen geweest, die Israël in de loop der eeuwen hebben getroffen. Gij hebt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verkwikking. Bij de puinhopen van Jerusalem beleed de profeet: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Zo is het de eeuwen door gegaan: Niet vernield.
Israël moet leven van het wonder Gods
Israël heeft het altijd moeten hebben van het wonder Gods en zo zal het blijven. Ook na de stichting van de staat Israël bleek het woord van Herzl een profetische waarheid te bevatten, als hij schreef: Zij zullen ons wel niet met rust laten. Hij kreeg gelijk, want Israël blijft van alle kanten aangevochten, bedreigd in leven en onafhankelijkheid. Als dit volk, menigmaal geheel in de steek gelaten door eigen vrienden en bondgenoten met de psalmisten geen toevlucht heeft in God van Abraham, Izak en Jakob, wie kan dan redden van de vijanden rondom? 'Ik zag uit ter rechterhand en zie, er was niemand, die mij kende; er was geen ontvlieden voor mij (Ps 142). Als men ziet op de vijandelijke overmacht, de eeuwen door, van welke naam ook, Moabieten en Ammonieten, Assyriërs of Babyloniërs — om alleen uit het Oude Testament de 'tegenstanders' maar te noemen — dan is er voor Israël geen redden aan: In ons is geen kracht tegen deze grote bende — maar onze ogen zijn op U (2 Kron. 2:12).
In Israël ligt de eeuwen door een ondoorgrondelijk geheim Gods verborgen. Ik ga nu niet in op de verhouding Kerk en Israël; uitvoerig heb ik daarover geschreven in de Whvr. van 1971, maar wel hebben wij een eigen benaderingswijs van de dramatische geschiedenis Van het oude volk van het verbond: de draad van de allerbijzonderste voorzienigheid loopt heen door de historie van het volk der verkiezing. Tot de dag van vandaag is waar wat Calvijn zegt: Wij moeten overleggen, dat Gods zegen om der beloften wil nooit geheel en al van hen wijken zal naar het getuigenis van de apostel, dat de genadegiften Gods onberouwelijk zijn. De Heere neemt Zijn gegeven Woord nooit terug!
Gods land is goed
Ook van de staat Israël mag men naar waarheid getuigen: Daar is wat groots verricht — en dat in vijfentwintig jaar, een tijd, die in de geschiedenis nauwelijjks de moeite waard is. En hoe menigeen lachte om een staat, die met niets, maar dan ook met niets een oorlog begon. Iets groots kwam tot stand, ook al bleef spottende kritiek op wat deze amechtige Joden deden, niet uit. In 1948 liet men de 'woestijn' rustig aan Israël — het was immers maar woestijn en wij weten, wat de Schrift van de woestijn zegt: en land van wildernis en van kuilen, van dorheid en scha duw des doods, een land waar niemand doorging en waar geen mens woonde. (Jer. 4 : 26; 2 : 26; 50 : 12). Maar Israël zei:H et is Gods land, als een erfbezetting ons gegeven en dus is het goed land, maar eeuwenlang hebben mensen het land Gods veronachtzaamd en verwaarloosd en daarom lijkt het nu niets waard. En zij hebben gelijk gekregen. Het was vier jaar geleden, dat ik Israël bezocht, toen wij er in oktober van het vorige jaar opnieuw waren. En dan werp ik mij niet op tot een deskundige, maar verscheidene malen heb ik tegen een Israeli verteld van het verschil, dat ik opmerkte tussen 1972 en 1968. Deze mensen weten waarvoor zij werken, deze mensen weten van aanpakken en doorzetten. En in bijna elke Israëlische folder staat de tekst afgedrukt uit Jes. 35 : de woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als een roos.
De voorbeelden liggen voor het grijpen: Ergens midden in de woestijn komende van Eilat buigen wij met de touringcar af naar een nederzetting — prachtig van aanleg, rijk aan groen; er blijkt water te zijn en electriciteit; er moet veel worden aangevoerd, maar het is er allemaal; het is een oase en de toeristen — heel wat Amerikanen, Duitsers, Fransen en wij tweeën Hollanders genieten een ogenblik van een korte wandeling of wij zitten onder een prachtig loofdak of maken dia's van een weelderige kleurenrijke plantengroei en weggaande nemen we voor een prikje dadels mee. De woestijn bloeit. Overal wordt enorm gebouwd, in Jerusalem bijvoorbeeld maar op het land rijzen nederzettingen en steden als uit de grond. Komende van de richting Dode Zee ligt Arad, een kleine vijftig kilometer oostelijk van Beersjeba. De nieuwe stad werd gebouwd in 1962, niet op de plaats maar wel in de buurt van het oude bijbelse Arad, waarvan de Schrift vertelt, hoe de koning van Arad streed tegen de kinderen Israels in de tijd van de omzwerving in de woestijn (Num. 21 : 1). Hoe kunt U het hier uithouden, vroeg ik aan de vrouw van de hotelier van één van de twee hotels in dit volkomen nieuwe geheel; er was hier niets dan huizen en huizen, een enkele industrie, maar er was niets te zien en niets te beleven dan genieten van de zon en de rust.
Maar deze immigrante verklaarde met een stralend gezicht, dat zij het hier heerlijk vond. — Of wij zouden naar Eilat kunnen wijzen aan de Rode Zee, de golf van Eilat. Natuurlijk mislukt er wel eens een project. Wij kwamen op de weg van Beersjeba naar Eilat (goed twee honderd kilometer) langs een geheel verlaten nederzetting. Men moet vanuit deze hooggelegen plaats een mooi uitzicht gehad hebben op geheel de omgeving tot in het Jordaanse land toe. Maar de immigranten hebben het er niet kunnen uithouden en zelfs het Israëlische parlement is er aan te pas gekomen en dat heeft het protest van de bewoners aanvaard. Geen wonder, dat er dergelijke dingen gebeuren, als men zich er rekenschap van geeft, dat men tegen iedere Jood zegt: Kom maar! Wat een problemen geeft dit alleen al bij de opvangst van deze mensen, die dikwijls uit een geheel ander cultuurmilieu komen, dan wat in Israël nu gevonden wordt. Het verbaast ons niet, dat de grote liefde tot het land Israël en de vreugde om te mogen medewerken aan de opbouw van Israël een nationalistische karaktertrek krijgt, zo in de zin van: Dat doen wij. Laten de Arabieren dat maar eens nadoen!
Over een Jeminitische
Ergens tussen Eilat en Jodwata stopte de touringcar en een sergeante van het Israëlische leger kreeg een lift. Zij was een Jeminitische. De Jeminieten kwamen met een luchtbrug van Aden naar Israël. Men, leefde in Yemen als in de dagen van de Middeleeuwen, een auto kende men niet, laat staan een vliegtuig en toen kwamen deze mensen, die vele, vele eeuwen daar hadden geleefd en bij het oude geloof hadden volhard per vliegtuig naar Lod (het oude Lydda): Zij kwamen 'thuis' als met vleugelen der arenden gedragen. Ex. 19 : 4. De aanpassingsmoeilijkheden ze waren voor hen niet gering, zoals die er wel bij alle groepen van immigranten overwonnen moeten worden. Vergeet niet wat het bijv. voor de ouderen betekent ibrith te leren; de jongeren leren het al spelende, maar de ouderen, het wordt nooit hun moedertaal. Kijk, zei onze gids: Zij hebben dit kind naar de middelbare school gestuurd, wij gaven een goede opleiding en nu heeft zij dit bereikt en straks als zij haar dienst er op heeft zitten wacht haar een goede toekomst. Men kan zich daaraan ergeren, ook wel aan andere opmerkingen: ls u naar links kijkt dan ziet u kale bergen, dat is Arabië; links ziet u groen, dat is Israël. Och, is er niet veel, waarover men zich in ons land op de borst slaat? De Deltawerken b.v.! Of als men een rondvaart maakt door de grachten en havens van Amsterdam en dat nog wel in Amsterdam waar men — uitzonderingen daargelaten — uit principe tegen nationalisme is! Maar als de roem over wat men tot stand heeft gebracht bewijs is van een vreemd zelfvertrouwen en van een zelfoverschatting, dan staat waarschuwend het als troost en houvast bedoelde woord van de Psalmist voor ons: Dezen vermelden van paarden en die van wagens, maar wij zullen vermelden van de Naam des Heeren onzes Gods. (Ps. 20:8). In persoonlijke gesprekken — ik denk aan een jong echtpaar uit Jerusalem — ik ontmoette hen in Arad is men met een overaccentuering van al het eigene, dat ook zijn invloed heeft op onderwijs en opvoeding niet altijd gelukkig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's