Zeer klaar in het Nieuwe Testament 1
Heel de Heilige Schrift is vol van de machtige Zelfopenbaring van de drieënige God. Dat geldt ook van dat deel van de Heilige Schrift, dat wij het Oude Testament noemen. We zagen dat bij onze vorige bespreking van artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar zeer klaar, klaarder dan in het Oude Testament, komen we de drieënige God in zijn Zelfopenbaring tegen in de geschriften van het Nieuwe Testament.
Een greep
Wanneer artikel 9 het Schriftbewijs vanuit het Nieuwe Testament wil aanreiken met betrekking tot het leerstuk van de Drieëenheid, wordt slechts een greep gedaan uit de veelheid van teksten, die in dit verband te noemen zouden zijn. Juist die soberheid in het tekstenmateriaal, dat in dit artikel genoemd wordt, is er een bewijs van, dat onze vaderen niet uit een zekere krampachtigheid of omdat ze zich op dit punt enigszins zwak voelden, alles, wat de leer der Drieëenheid moest staven, meenden erbij te moeten halen. Een enkel citaat uit de veelheid van getuigenissen in de artikelen des geloofs was genoeg om het geloof tot uitdrukking te brengen in de drieënige God, zoals Hij zich in heel de Schrift aan ons kenbaar maakt.
Daar komt nog iets bij. Het thema van de Drieëenheid komt ook in de artikelen 10 en 11 in feite opnieuw aan de orde zij het dan vanuit een andere gezichtshoek. In deze artikelen wordt immers gesproken over de Godheid van Christus en van de Heilige Geest. En in het tiende artikel komen ook dan, zij het dan met dezelfde soberheid als in artikel 9, weer enkele getuigenissen voor uit de Heilige Schrift om duidelijk te maken, dat Jezus Christus naar Zijn Goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, eenswezens met de Vader. In het elfde artikel wordt vervolgens de wezens-eenheid van de Heilige Geest met de Vader en de Zoon beleden. Het valt op, dat het zogenoemde Schriftbewijs in dit laatste artikel ontbreekt. Voor het geloof is er kennelijk naar het oordeel van de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis reeds genoeg gezegd.
Geen speculatie
Nog een ander ding komt ons in de gedachten, als we de artikelen van de Geloofsbelijdenis over de Drieëenheid nauwkeurig onderzoeken. Er is hier niets, dat ook maar enigszins lijkt op speculatie. Het gaat er de Kerk der Reformatie niet om God in Zijn eeuwig boventijdelijk Wezen adequaat (tot in de finesses) te beschrijven als een abstracte God, die los staat van Zijn schepping en kerk. God is geen Voorwerp van wetenschappelijke benadering in de zin van nieuwsgierige doorgronding en ontleding. Wat wij van God weten, dat weten we uit de Zelfopenbaring van God. En wat God van zichzelf heeft geopenbaard, dat heeft Hij geopenbaard tot zaligheid der Zijnen. Dat betekent, dat de belangstelling van het geloof voor de kennis Gods een zuiver soteriologische is, met andere woorden: in betrekking staat tot het heil, dient om de mens in die kennis van God voor eeuwig gelukkig te maken.
Welnu, met het oog daarop moet met name de Godheid van Christus beleden worden. Dat is in heel de belijdenis van de Drieëenheid het geweldige scharnierpunt. Daarmee staat of valt de rest. En omdat het er onze geloofsbelijdenis om gaat Christus' heerlijke verlossingswerk centraal te stellen (artikel 18 tot 26), is niets van zoveel belang als de belijdenis van de Godheid van Christus. Als wij verlost worden van zonde en oordeel, dan worden we dat door niemand minder dan door God zelf. Het is altijd al zo geweest, dat degene, die dwaalde in het stuk der Drieëenheid en Christus losmaakte uit het eeuwig Goddelijke Wezen, heel de verlossingsleer op zijn kop zette. We zien daar de duidelijkste voorbeelden van in modernistische theologieën.
Geen 'relatieve' God
Maar (en daarmee komen we weer terug tot ons uitgangspunt) hoewel de belijdenis van de Drieëenheid niet uit speculatie, maar uit soteriologische overwegingen opbloeit, dat wil toch niet zeggen, dat onze geloofsbelijdenis God laat opgaan in Zijn relaties met de mens en de schepping. God is er ook zonder mens, wereld en kerk. En daarin bestaat het meest wezenlijke geluk van de mens, dat deze in God maar niet een God kent, zoals Hij verschijnt in het blikveld van de mens, maar zoals Hij van eeuwigheid en tot in eeuwigheid is. En omdat dit soteriologische (op verlossing gerichte) en theologische in de Nederlandse Geloofsbelijdenis in een machtig evenwicht met elkaar verbonden blijven, daarom kan er ook zo gelovig gesproken worden over het drieënig Wezen van God in artikel 9. En dat dat gelovige spreken over de drieënige God een Schriftuurlijk spreken is, dat bewij zen de aanhalingen in dit artikel uit het Nieuwe Testament.
De doop van Jezus in de Jordaan
Allereerst dan wordt gewezen op de doop van de Heere Jezus in de Jordaan. De Zoon werd gezien in het water. De stem des Vaders klonk vanuit de hemel: 'Deze is Mijn geliefde Zoon'. En de Heilige Geest openbaarde zich in de gedaante van een duif. Wilt u klaarder getuigenis van de drieëenheid van God ? Men moet de tekst van Mattheüs, Marcus en Lucas toch wel geweld aandoen, als men dit gebeuren bij de doop van Jezus in de Jordaan slechts wil zien als een subjectieve ervaring van Jezus zelf. Volgens deze opvatting zou immers de mens Jezus hier als het ware een hemelse injectie hebben gekregen om in Messiaanse bewustwording voortaan onder Israël op te treden. Zo gezien blijft er uiteraard van deze tekst als een getuigenis van het drieënig bestaan Gods niets over.
Men moet echter de zaken wel totaal willen verdraaien, als men het zo stelt. In de eerste plaats immers wordt het gebeuren na Jezus' doop in de Jordaan niet beschreven als een puur subjectieve ervaring van Jezus zélf. De evangelist Mattheüs zegt: En ziet, een stem uit de hemelen...!' Bij Marcus en Lucas lezen we: En er geschiedde een stem uit de hemelen...!' En in het Johannesevangelie is het de Doper, die deze hemelse stem hoort en de Geest ziet nederdalen. En hij voegt er dan aan toe: En ik heb gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is' (Matth. 3 : 17; Mare. 1:11; Luc. 3 : 22; Joh. 1 : 32—34). Verder is het gans onmogelijk om datgene, wat getuigd wordt aangaande Jezus na Zijn doop in de Jordaan te zien als een soort inspiratie van de mens Jezus tot Zijn Messiaanse roeping. Want de hemelse stem van de Vader wijst Hem hier aan als de Zoon van God. En de Zoon van God is Jezus maar niet, omdat Hij als een kind van God een unieke roeping en betekenis heeft. Een gelovige kan als zodanig ook een kind van God, een zoon Gods heten. Maar deze uitdrukking 'de Zoon van God' laat ons Jezus zien in Zijn unieke verhouding met de Vader, van wie het Evangelie van Johannes zegt, dat Hij is: De enig geboren Zoon, die in de schoot des Vaders is (Joh. 1 : 18) en het Woord, dat bij God was en God was (Joh. 1 : 1). Wij gaan dus niet te ver, als wij zeggen, dat het woord Zoon (dé Zoon; bepalend lidwoord) Jezus' relatie met de Vader aangeeft, zoals Hij die van eeuwigheid had en heeft. Hij is met de Vader één en dezelfde God. Trouwens in heel het Oude Testament blijkt in de Messiaanse uitspraken overduidelijk, dat de komende Messias maar niet een machtige heerser zal zijn, die gelijk andere oud-oosterse vorsten, het epitheton (bijvoeglijk naamwoord) 'Goddelijk' draagt vanwege Zijn heilrijke betekenis. Nee, in de komende Messias zou God zelf voluit aanwezig zijn. Bij de doop in de Jordaan wijst God de Vader dus niet maar de mens Jezus aan als een werktuig, waardoor Hij zich gaat bedienen. Hij wijst Hem aan als de Zoon, de Geliefde, in welke Hij Zijn welbehagen heeft, dat wil zeggen, naar wie Hij in Zijn eeuwige Vrederaad heeft uitgezien om Hem in de volheid des tijds als Messias te openbaren. Het Woord, dat de Vader bij Jezus' doop uitspreekt, is een duidelijke herinnering aan teksten als Jes. 42 : 1: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun. Mijn Uitverkorene, in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft. Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven'. De gedoopte Jezus is de naar Gods welbehagen afgezonderde Messias, die van boven komt, in wie God zelf tegenwoordig is. Alszodanig rust op Hem ook de Geest Gods. De aardse Jezus is de eeuwige Zoon van God. Hij is ook de met Gods Geest gezalfde Koning van de eindtijd, de lijdende Knecht des Heeren. En zo is Hij reeds vanaf Zijn geboorte (Mare. 3 : 29; Joh. 3 : 34) en blijft voor het forum van gans Israël bij de doop in de Jordaan, maar ook na Zijn verhoging (Openb. 2 : 33) de unieke Geest-drager. De God-mens Jezus Christus blijft verbonden met de Vader, die Hem zond en met de Geest, die Hem bezielt.
Het doopbevel uit Matth. 28 : 19
Is dat alles niet een machtig getuigenis van de Drieëenheid Gods ? Voor ieder, die deze leer van de Drieëenheid godvruchtig heeft leren belijden, is het daarom ook zo vreemd niet, dat hij in zijn eigen doop wordt overgeschreven op de naam van deze drieënige God: Ik doop u in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes'. De Doop is de poort, waardoor een gelovige mag binnentreden in de volheid van het eschatologische heil, waarin God de Vader zich geopenbaard heeft in Zijn hemels Koninkrijk, waarin God de Zoon het Verloswerk tot redding van zondaren heeft volbracht en waarin de Heilige Geest als de grote eschatologische heilsgave onder ons woning is komen maken. Deze Drie staan op één lijn, omdat ze alle Drie voluit God zijn. Men heeft geprobeerd om de zogenaamde doopformule uit Matth. 28 : 19 te zien als een latere invoeging van de christengemeente, die voor haar dooppraktijk de trinitarische formule immers al vroeg gebruikte. Maar het is natuurlijk zuiver Schriftkritiek, als men een tekst, die door zulke beste getuigen gestaafd wordt, de tekst uit het slot van het Mattheüsevangelie, uit de vooropgezette mening, dat zoiets door Jezus niet gezegd kan zijn, voor een latere invoeging houdt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1973
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's