Uit de pers
Landsman over Aalders' boek 'Burgers van twee werelden'
Ofschoon we in deze rubriek doorgaans weinig aandacht wijden aan boekbesprekingen willen we er nu van afwijken en uw aandacht vragen voor een opmerkelijke bespreking in Hervormd Nederland van 20 oktober van het laatste boek van dr. W. Aalders. De bespreking is van de hand van ds. F. H. Landsman. Deze wijst erop dat hoewel de discussies rondom het Getuigenis wat verstomd zijn de zaak waarom het in dit stuk ging en in de discussies eromheen niets van zijn actualiteit verloren heeft. Blijvend aan de orde is immers de vraag naar God en naar Zijn bedoeling met ons leven.
In dit kader plaatst Landsman nu het boek van Aalders. Hij noemt het een boek dat zoveel losmaakt dat het een reeks artikelen waard zou zijn. Na de hoofdlijn van het boek geschetst te hebben — en wij behoeven deze niet te herhalen, gezien de bespreking enkele maanden terug in ons blad zelf — gaat Landsman nader in op Aalders' oproep tot een bijbels-reformatorisch reveil. Hij schrijft in dit verband:
Ik ben mij ervan bewust dat bovenstaande samenvatting van enkele fundamentele gedachten uit het meergenoemde boek onvolledig is en dat ik in zekere zin de schrijver onrecht doe door hem niet vollediger aan het woord te laten. Toch meen ik dat deze lijnen wel een indruk geven van datgene wat de schrijver bezielt. Maar nu komt onvermijdelijk de vraag wat wij van deze visie op het christen-zijn in de hedendaagse wereld moeten zeggen.
De neiging is groot deze visie zonder meer van de hand te wijzen alleen al om de conclusies die de schrijver uit zijn verstaan van het Evangelie trekt. Die gaan dwars in tegen alles wat vele hervormde christenen, onder wie ik mijzelf ook reken, de laatste dertig jaar hebben voorgestaan en nagestreefd, ondanks het feit dat de goede bedoeling die zij ermee hadden en de ernst waarmee zij het deden worden geprezen. Het wordt eenvoudig van de tafel geveegd: vals messianisme, torenbouw van Babel.
Ik dacht dat we er goed aan deden te proberen onze ergernis wat terug te dringen en ons eerst af te vragen of dr. Aalders misschien tóch niet 'ergens' de Bijbel méé heeft en ons een dienst bewijst door ons daar op zo'n uitdagende manier bewust van te maken. Is het niet zonder meer waar dat telkens weer het gevaar dreigt dat christenen en kerken met vele dingen (op maatschappelijk en politiek terrein) bezig zijn, maar zich ternauwernood afvragen of dat waarmee zij bezig zijn iets heeft te maken met hun geloof en wat dan wel.
Of hebben de 'goede werken' (waarvan het bovendien soms de vraag is óf ze wel zo goed zijn) de plaats ingenomen van het geloof ? Heeft dr. Aalders niet in elk geval het Nieuwe Testament méé (en dat wil nogal wat zeggen) als hij de verhouding tot God als een heel persoonlijke zaak ziet, als hij bekering en wedergeboorte, zonde en genade, verzoening en verlossing, vlees en geest als de kern woorden en werkelijkheden van het christelijk geloof weer centraal stelt. Zijn niet in deze woorden en werkelijkheden, in de opgang en de ondergang van de culturen, de misère en de glorie van de christen en van de kerk gelegen, omdat zij de openbaring zijn van de alles te boven gaande en alles doordringende, boven alles te prijzen en te loven werkelijkheid van de heiligheid en de liefde van God?
En als dit zo is dan doet het er niets toe of die woorden in onze laat-twintigste-eeuwse cultuur goed aankomen, al dan niet worden verstaan. Dan mogen we er dankbaar voor zijn dat er mensen zijn, die zich daar niets van aantrekken, maar dwars door al het kwasi-christelijk geleuter heen het Evangelie van kruis en opstanding, van zonde en genade onverhuld blijven verkondigen. Dan kan het ook geestelijk heel gezond zijn allerlei kwasi-christelijke utopieën over de stad-van-de-mens, over de ideale wereld die we met elkaar zullen opbouwen maar eens door te prikken en bijbels hard en genadig te zeggen hoe het ervoor staat.
Ik meen dat we Landsman dankbaar mogen zijn voor deze eerlijke en royale waardering. Zet daar eens tegenover het vele geschrijf dat contra het Getuigenis verschenen is, waarin op geen enkele manier geprobeerd werd de bedoelingen en drijfveren van de opstellers te verstaan. Landsman wil Aalders' bedoeling begrijpen en zijn kritiek ernstig nemen. Op die basis wordt een eerlijk gesprek mogelijk en komen we boven een ongezonde polarisatie uit. Op die basis wordt ook de kritiek een zaak waar Aalders ongetwijfeld naar zal willen luisteren. Het is immers de kritiek van iemand die eerst geprobeerd heeft naar de ander te luisteren en hem recht te doen. Landsman steekt nl. zijn kritiek niet onder stoelen of banken, ik geef u ook dat gedeelte uit zijn artikel terwille van de objectiviteit en de volledigheid:
Maar na dit alles als 'medereiziger naar de eeuwigheid' dr. Aalders te hebben nagezegd, mag en moet het mij ook van het hart, dat ik mij nochtans atvraag of het niet op een, ik zou bijna zeggen, fatale manier de bijbelse boodschap van Oude en Nieuwe Testament en het belijden van de kerk tekort doet als hij het geheimenis van Gods bedoeling met ons zo verstaat dat hij alle verbindingen tussen deze wereld en de toekomende, tussen schepping, verzoening en verlossing, tussen ons bestaan hier en nu, ons menselijk, al te menselijk, streven naar een betere gerechtigheid, tussen de vrede die alle verstand te boven gaat en de vrede tussen mensen en volkeren, klassen en rassen in feite doorsnijdt en de heiliging van het leven alleen nog maar ziet als een opdracht in de strikt persoonlijke sfeer die, als ik hem goed begrijp, niet veel verder reikt dan het gezin en de christelijke gerneente. Ligt er dan geen enkele mogelijkheid en opdracht tussen deze levensheiliging en een titanisch, overmoedig, genadeloos, cultuur-optimistisch bouwen aan de toren van Babel van een 'kapitalistische' of 'socialistische' samenleving ? Mogen dan werkelijk Abraham Kuyper, Buskes, Van Randwijk, Fedde Schurer, Kuitert, Godfried Bomans, Mönnich, Gabriel Smit enz. op één hoop worden geveegd (blz. 192 v.v.) als lieden wier geloofsbesef zo versomberd was en die zozeer van de ware godservaring zijn en waren verstoken dat ze ten prooi vielen aan het verwereldlijkingsproces en hun heil zochten in de taal van de planologie en de futurologie ?
Ik kan dit niet anders zien dan als een in de grond van de zaak begriploos inhakken op het leven en streven van mensen, die met mogelijkheden van mistasten en falen die ook het leven en streven in het geloof eigen zijn, hebben getracht het christelijk geloof te belijden en te beleven in deze tegenwoordige wereld: tot in de misère van het individuele bestaan en van het maatschappelijke en politieke leven.
Indien dit boek mij van één ding heeft overtuigd dan wel van de volstrekte noodzaak voor de christelijke gemeente de oude, maar altijd nieuwe vragen van het geloof, die van de verhouding wet en Evangelie, rechtvaardiging en heiliging, vlees en geest, schepping en verlossing opnieuw te doordenken in een hardnekkige, vreesloze en liefdevolle ontmoeting met de noden en pijnen van mens en samenleving van onze tijd.
Daarom ben ik tenslotte dr. Aalders toch dankbaar, dat hij dit tegelijk instemming vragende en fundamentele weerstand opwekkende boek heeft geschreven.
Of Aalders zich in deze kritiek helemaal herkennen zal, is wellicht de vraag. In elk geval worden hier door Landsman wezenlijke vragen gesteld die voor de auteur wellicht een aansporing en uitdaging betekenen erop in te gaan. Het gaat immers inderdaad om de oude vragen van schepping en verlossing, wet en Evangelie, rechtvaardiging en heiliging, Woord en wereld. Vragen waar de reformatorische theologie de eeuwen door mee geworsteld heeft. Het is een goede zaak als de modekreten verdwijnen en de wezenlijke vragen naar voren komen. Een bijbels-reformatorische bezinning op deze onderwerpen is van wezenlijk belang voor de praktijk ook van alle kerkewerk.
Ongebruikelijk en onbehoorlijk
Tenslotte vraag ik uw aandacht voor het volgende artikel uit 'In de Waagschaal' van 13 oktober. Het gaat over de opvolging van prof. Van Niftrik in Amsterdam. Ds. Kopmels schrijft daarover het volgende onder de titel 'Wie volgt Van Niftrik op ? '
Met de opvolging van prof. Van Niftrik, overleden 25 oktober 1972, schijnt het niet erg te willen vlotten. De leerstoel in de dogmatiek aan de G.U. te Amsterdam is na bijna een jaar nog steeds vacant en het zou mij niet verbazen als die situatie nog enige tijd voortduurt. Voor wie niet geheel een vreemdeling is in het kerkelijk en theologisch Jeruzalem van de Ned. Herv. Kerk, laat het zich raden hoe de vork ongeveer in de steel zit. Men is ondertussen op gissingen en geruchten aangewezen, want publiekehjk, in krant of periodiek, wordt er over de mogelijke voortgang of stagnatie van een dergelijke opvolgingsprocedure niet gerept of zelfs maar gespeculeerd. De niet direct verantwoordelijke voor zo'n benoeming wordt kennelijk geacht niet mee te denken, althans niet hardop en openlijk zijn mening te geven. Des te meer wordt er, hier en daar^ gefluisterd om niet te zeggen geroddeld over de betrokken personen en instanties en het vermoede gesjacher, dat de kerk in zulke zaken allesbehalve vreemd is. En kleine 'chronique scandaleuse' laat zich schrijven rond de benoeming van menig kerkelijk hoogleraar evenals rond die van niet-kerkelijke trouwens. Daar heb ik overigens geen behoefte aan. Ik laat dat gaarne over aan de latere kerkhistorici. Maar die kunnen niet veel meer dan nakaarten, terwijl eerhjke en kiese publiciteit bij lopende zaken de zuiverheid van de beslissingen ten goede kan komen. Bovendien is de benoeming van een hoogleraar in de dogmatiek een tamelijk belangrijke zaak, die de hele kerk aangaat en waarbij mogelijk een stukje kerkhistorie geïnaugureerd wordt. Mede daarom kan enige gedachten wisseling rond zo'n op handen zijnde benoeming geen kwaad en dat dan zwart op wit, openlijk en gesigneerd, met woorden die 'op naam' staan en die niet als geruchten of roddels een eigen leven gaan leiden. Nu lijkt een benoeming in de vacature Van Niftrik niet al te moeilijk. Het aantal keuzemogelijkheden is binnen de Hervormde Kerk en binnen Nederland niet erg groot. Ziet men af van de al zittende hoogleraren in de systematische vakken dan kan men op de vingers van één hand gemakkelijk de reële kandidaten tellen. Men kan denken aan dr. E. J. Beker en aan drs. F. H. Breukelman, beiden wetenschappelijk medewerker resp. in Utrecht bij prof. Hasselaar en in Amsterdam bij wijlen prof. Van Niftrik. Zowel met de benoeming van Beker als van Breukelman zou men geen slechte keuze doen, al zouden de faculteiten alleen daardoor geen versterking ondergaan, daar beiden reeds volop hun bijdrage leveren in de opleiding van de theologische studenten en naar ik aanneem voldoende ruimte hebben tot wetenschappelijke arbeid, meer wellicht nog dan hun als hoogleraar zou toekomen. Nu wordt evenwel van diverse zijden gezegd dat geen van hen beiden voor de vacante post in aanmerking wenst te komen. Als dit zo is dan lijkt niets zo voor de hand te liggen dan de dogmaticus-ethicus dr. G. H. ter Schegget te vragen. Deze heeft zich vooral de laatste jaren als een voortreffelijk theoloog doen kermen, die in ieder geval buiten de theologische faculteiten, maar ook daarbinnen, zijn weerga nauwelijks vindt. Zeker, theologisch formaat zal niet de enige maatstaf mogen zijn, die men bij de benoeming van een hoogleraar aanlegt. Hij moet ook een goed en inspirerend docent zijn en, als het even kan, eveneens een goed en produktief schrijver, zodat men ook buiten de actieradius van de faculteit de vruchten van zijn arbeid plukken kan. Het hoeft nauwelijks betoog dat Ter Schegget deze kwaliteiten in hoge mate bezit. Qua intellectuele kracht en helderheid vergelijkbaar met iemand als Van Ruler, weet hij als docent de theologische en wijsgerige brokken, die de grote denkers ons toe werpen, creatief te ontginnen en te ontsluiten, waarbij hem visie en vaak niet ontzegd kunnen worden. Ik ben niet karig met mijn lof, maar meen hiermee geen woord te veel te zeggen. Natuurlijk, ik kan me goed voorstellen dat men tegen Ter Scheggets wijze van theologiseren gegronde bezwaren heeft (al zijn me die nog niet onder ogen gekomen), maar dat pleit niet tegen iemands kundigheid noch tegen iemands waarde als docent. De waarde van een hoogleraar ligt vooral hierin dat hij, boven de schoolsheid uit, kan bemiddelen tussen heden en toekomst, de tradities kan bevrijden uit een steriel verleden en tegelijk nieuwe wegen openlegt, de geest van de studenten losmaakt en tegelijk ordent.
Toch vrees ik, de Hervormde Kerk een beetje kennende en afgaande op wat me ter ore komt, dat Ter Schegget niet zonder slag of stoot die plaats van Van Niftrik krijgt aangeboden.
Waarom niet ? Het antwoord luidt: omdat hij 'te links' is of. God betere het, niet wetenschappelijk genoeg, uit bepaalde hoeken. Samen te vatten in het argument 'niet netjes genoeg'. Het eerste argument, dat van de linksheid, is nogal onzakelijk, maar tenminste eerlijk. Het zal dan ook buiten de kring van de Gereformeerde Bond en de Confessionelen niet gebruikt worden. Goed, Ter Schegget is wat je noemt links in de politieke zin, bepaald niet in leerstellige zin, maar dan links zoals Karl Barth en Eduard Thumeysen het waren en Miskotte en Gollwitzer het zijn. Links vanuit het horen van het Evangelie en het verstaan van wet en profeten en niet vanuit een ideologisch-religieuze binding en een standpunt. Laat men dit weten als men deze maatstaf hanteert. Overigens in een kerk met richtingen bij een hoogleraarsbenoeming een oneigenlijk criterium m.i. Een tweede Van Ruler zou onmiddellijk benoemd moeten worden, evenals een tweede Abraham Kuyper als die zich onder ons bevonden, geheel afgezien van hun theologische en zeker politieke richting. We zijn per slot geen politieke partij, maar een kerk met richtingen, waarvan de één de ander uitnemender acht dan zichzelf.
Op het mogelijke argument van gebrek aan wetenschappelijkheid ga ik niet in ernst in. Het is waarschijnlijk hoogst hypocriet of op z'n best onhanteerbaar, werkend met een wetenschapsopvatting, waaraan geen twee systematische theologen, beiden voldoen. Was Van Niftrik wetenschappelijk ? Zijn Berkhof, Hasselaar, Strijd, Berkhouwer, Kuitert, Schillebeekx of Spema Weiland het ? Ze zijn het in ieder geval op een nogal verschillende wijze, meen ik te mogen zeggen.
Mijn hoop met dit artikel is dat de benoeming niet al te zeer wordt beïnvloed door onzuivere argumenten, oncontroleerbare geruchten en gesjoemel achter de schermen, maar dat men in synode en faculteit tot een goede en eerlijke beslissing komt.
Ik schreef hier boven: Ongebruikelijk en onbehoorlijk. Ongebruikelijk omdat tot dusver hoogleraarsbenoemingen binnenskamers behandeld werden en zeker niet van tevoren in de kerkelijke pers aanhangig gemaakt werden, voorzover mij bekend. Maar bovendien vind ik dit een onbehoorlijke zaak.
a) Wat beoogt ds. Kopmels met dit verhaal ? Hij zegt zelf dat hij hoopt dat er bij een benoeming geen onzuivere argumenten, oncontroleerbare geruchten en gesjoemel (? ) achter de schermen invloed uitoefenen. Ik vind dat evenzovele beschuldigingen aan het adres van de betrokken organen.
b) Ds. Kopmels noemt enkele namen. Men kan zeggen: Die doen allang de ronde. Is het toch niet pijnlijk voor de betrokkenen zo in de kerkelijke pers in een eventuele discussie betrokken te worden pro of contra de genoemde.
c) De lofrede op dr. Ter Schegget maakt toch wel sterk de indruk van een naarvoren-willen-schuiven. Ik heb niet de behoefte af te dingen op de kwaliteiten van deze theoloog als vakman. Al zet ik bij verschillende zinnen van Kopmels wel vraagtekens. Ik meen alleen dat de door hem genoemde kwalificaties ook toepasbaar zijn op anderen, geestverwanten b.v. van Van Niftrik uit het confessionele kamp. Als er namen genoemd moeten worden, waarom dan een naam ? Waarom dan niet royaal gezegd: Synode, u hebt alle keus. Kijk eens naar die en die en die.
d) Wat beoogt Kopmels. Ik kan helaas niet aan de indruk ontkomen dat hier een soort pressie wordt uitgeoefend. Een artikel dat stemming moet maken wellicht onder studenten en anderen of dat de synode bij voorbaat 'bewerkt' wordt. Moet het die kant uit, dat-kerkelijke hoogleraren voortaem benoemd worden onder pressie van de pers etc. ?
Ik vind dat onbehoorlijk. En ik ben bovendien van oordeel dat het onbegrijpelijk is, dat de redactie van In de Waagschaal dit artikel heeft gepubliceerd, over een zaak waarvan zij zelf zegt dat het zijn gevoelige en persoonlijke kanten heeft.
Te hopen is, dat de synode bij haar beraad over de opvolging van Van Niftrik te zijner tijd maar net doet alsof dit artikel nooit geschreven is. Het opent een weg die we naar mijn stellige overtuiging niet op moeten. Terwille van een goede en eerlijke beslissing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's