De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In memoriam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In memoriam

Ds. J. van Sliedregt, als voorzitter van het hoofdbestuur van de G.Z.B.

9 minuten leestijd

Toen zaterdagavond mij het verbijsterende bericht bereikte dat onze voorzitter op een plotselinge wijze door God uit dit leven was weggeroepen, moest ik terugdenken aan het feit, dat deze op de laatstgehouden vergadering van het Hoofdbestuur bij de opening uit de Schrift las een gedeelte uit Ezechiël n.l. het Gezicht van dieren en raderen, welke op een wonderlijke wijze in beweging zijn, terwijl boven dit alles de Troon Gods staat met de Boog daar omheen. Het gaat hier om het vaak onbegrijpelijke en wonderlijke handelen Gods in de geschiedenis. Die toch zó Zijn Raad vervult!

De voorzitter las toen dit Schriftgedeelte, vooral omdat juist weer een oorlog in het Midden-Oosten was uitgebroken.

Ik denk nu weer terug aan dit gedeelte. Wat is Gods doen, niet alleen in het grote wereldleven, maar ook in ons kerkelijk en •persoonlijk leven vaak onbegrijpelijk, wonderlijk. Nu eveneens weer in de geschiedenis en gang van zaken van de Gereformeerde Zendingsbond.

Wij kunnen het ons maar moeilijk realiseren, dat ds. van Sliedregt niet meer onder ons zal zijn! Wij zeggen ook van dit feit: 'Wij doorgronden het niet'. En.vragen: 'Waarom moest dit? ' Terwijl hij toch zulk een belangrijke post op de hem eigen wijze, — en wij zeggen hier maar direct bij 'goede wijze' — bezette! Echter wij houden dit 'Waarom' toch weer in! Want wij belijden — en al kost het ons wel wat om dit écht te doen, — dat ook in deze wegname van ds. van Sliedregt Gods Hand is! Die Zich nooit vergist en alles met Wijsheid, op Zijn tijd doet en door alles heen werkt aan de vervulling van Zijn Raad. Het was Zijn tijd, dat collega van Sliedregt voor Hem moest verschijnen. En met stille dankbaarheid mogen wij geloven, dat dit voor deze collega inhield een binnengaan in het Eeuwige Leven. Waar hij de Heere nu in volmaaktheid mag dienen. Wij kenden hem als een man die goed wist, dat hij zo, met al zijn Werk, voor God niet kon bestaan, — doch alleen door het geloof in de enige Borg en Zaligmaker van zondaren. Zo treuren wij om zijn heengaan, maar niet als degenen, die zonder hoop zijn.

Dit neemt echter niet weg, dat wij diep verslagen zijn om het feit dat wij hem nu als voorzitter van de Gereformeerde Zendingsbond moeten missen. Het heeft ons allen wel wat — ja veel — te zeggen, dat juist in de laatste tijd mannen, die een belangrijke post in de kerk bekleedden en daarbij zich bewust schaarden aan de zijde van hen, die het bij alles ging om het rechte belijden in deze tijd, zijn weggevallen! Nu weer ds. Van Sliedregt!

Ik meen namens het gehele H.B. en de secretarissen te schrijven, als ik stel, dat hij eerst als gewoon lid van dit H.B. een belangrijke plaats innam, en daarna enige jaren 'met ere' de voorzittersplaats bezette.

Dit laatste schrijf ik niet zomaar! Wij hebben ds. Van Sliedregt ook leren kennen als iemand die er steeds blijk van gaf, dat het werk van de Zending een gróte plaats in zijn hart had. Wij schreven reeds, dat het voor hem een realiteit was, alleeen door het geloof in die enige Borg en Zaligmaker van zondaren voor God te kunnen bestaan. De kern van het Evangelie: de rechtvaardiging van de goddeloze door genade en door het geloof alleen, dat echter niet alleen blijft en niet zonder de vruchten is, was voor hem een persoonlijk doorleefde en steeds weer te doorleven werkelijkheid. Was dit de achtergrond van zijn warme belangstelling voor het zendingswerk, de bron van de liefde voor de voortgang van het Evangelie onder alle volkeren?

Nog maar enkele jaren was ds. Van Sliedregt voorzitter van het H.B. Ik dacht dit voorzitterschap juist te typeren, als ik hem, ook als voorzitter schets als een man, die ons steeds weer voorging bij het ons ons bewustmaken van de belangrijkheid voor het zendingswerk. Hij gaf echt leiding aan en ging voorop bij de bezinning van de vragen en problemen, welke er juist in deze tijd bij dit werk rijzen. Mede door zijn stimulans kwam het tot het opstellen en doordenken van een Nieuwe Beleidsnota van de G.Z.B., van de principia én van de uitwerking en consequenties hiervan in de practijk, in de arbeid van de G.Z.B, in Indonesië en in Afrika — dit laatste in relatie met de jonge kerken aldaar. Eveneens kwam het tot het zoeken naar nieuwe arbeidsterreinen en mogelijkheden.

Hierbij was ds. Van Sliedregt de man, die steeds duidelijk in het oog én in het hart had — de identiteit, het eigene — van de Gereformeerde Zendingsbond, temidden van alles, wat thans in onze eigen kerk gaande is en daarbuiten, in de Wereldkerk, en op het gebied van de zending en de evangelieverkondiging in wijde zin.

Met een helder inzicht onderkende hij de verschillende geesten en stromingen, en hij wist die naar hun merites of naar het tegendeel daarvan te waarderen. En temidden van dit alles wist hij goed, wat het reformatorisch beginsel en belijden inhield. En het ging hem er om, dat vast te houden, te conserveren en te bewaren, niét in de verkeerde zin van het woord. Maar om aan dit beginsel en belijden gestalte te geven, ook in deze tijd. Dat dit niet altijd gemakkelijk is en nieuwe vragen oproept en voor nieuwe problemen stelt, was hij zich eveneens goed bewust.

Bij dit alles ervoeren wij, dat onze voorzitter de gaven had om aan de vergadering en aan de bespreking goede leiding te geven. Natuurlijk brengt het bezig zijn met het belangrijke en vaak moeilijke werk der zending, ook van de G.Z.B, eigen spanningen mee. En ook de hoofdbestuursleden en de arbeiders en arbeidsters binnen het raam van de G.Z.B, zijn mensen, die ieder ook hun eigen inzichten, karakter enz. hebben. Ds. Van Sliedregt wist temidden van dit alles goede leiding te geven. En het was onder zijn leiding vaak goed vergaderen, waar het dikwijls in grote eenstemmigheid tot belangrijke beslissingen kwam.

Bovendien kon hij als voorzitter, soms echt als pastor de zendingsarbeiders, die uitgingen of met verlof waren, of hun arbeid moesten beëindigen, juist vanuit hun roeping en opdracht danken voor hun werk. Maar ook vermanen én bemoedigen vanuit de beloften Gods, welke op bijzondere wijze op de arbeid der zending gelegd zijn!

Zijn wij bezig een mens te verheerlijken? Beslist niet! Ds. Van Sliedregt zelf zou de eerste zijn, om ons dan op de vingers te tikken. Hij was ook een mens als wij. En hij, voor wie de rechtvaardiging van de goddeloze uit genade alleen, een levende werkelijkheid was geworden, zou als vrucht daarvan elke verheerlijking van hemzelf hebben moeten afwijzen.

Wij schreven dit alles echter, om zijn werk als voorzitter van de G.Z.B, op de juiste wijze te gedenken én te respecteren! Wat hij mocht zijn en doen in zijn functie, voor de G.Z.B., zien wij als een gave Gods. De Heere gaf ds. v. Sliedregt de gaven, welke wij noemden. Zo zijn wij wel verslagen om zijn uitvallen — maar toch is er ook stille dankbaarheid om wat God Zelf aan deze collega heeft willen geven en door diens arbeid aan de G.Z.B.

En zo worden wij tevens stil onder het wijze bestel des Heeren! Wij zeggen: 'Wat was ds. Van Sliedregt, volgens ons besef nog onmisbaar. Wat had hij nog véél voor de G.Z.B, en voor het werk van de zending kunnen doen. Maar de Heere weet het beter! Hij riep onze collega tot een hogere Dienst!

En óns wil Hij leren, dat wij toch maar nooit, in geen enkele situatie, zouden denken: 'Nu zijn wij er', of op mensen zouden bouwen. Wat slaat Hij ons veel — soms alles — uit handen. In eigen leven, doch ook in ons werk en in de arbeid van de G.Z.B. Maar dat doet Hij, opdat wij ook datgene, wat in ons leven en in ons werk, . en eveneens in de arbeid van de G.Z.B, zondig is voor Zijn aangezicht, zouden onderkennen en belijden. Doch dan doet Hij dat tevens, opdat wij vóóral zouden leren, dat Hij Zelf blijft en dat Hij, die Zijn Zoon overgaf en Zijn Geest zond, en Zijn Woord doet uitgaan, zorgt voor de voortgang van Zijn eigen werk! Daarom geeft Hij Zijn eer aan niemand anders. En wij Hij, dat als soms veel, alles, ons uit de handen wordt geslagen, wij het temeer in biddend vertrouwen bij Hém zouden zoeken.

En, waar wij juist soms hier ver van af zijn of hierin bestreden worden, wil Hijzelf ons dit leren, door Zijn Heilige Geest. En worden wij dan beschaamd?

De gedachten van het H.B. gaan thans ook uit naar mevrouw Van Sliedregt en haar gezin. Wat zullen vooral dezen hun man, vader, schoonvader, missen!

Onze troostwoorden zijn vaak maar gebrekkig en zwak. Maar mevrouw en het gezin Van Sliedregt mogen zich ervan verzekerd houden, dat wij ze in onze gebeden zullen gedenken! Wij brengen ze voor de Troon van Hem, ja. Die alle dingen, soms onbegrijpelijk en tegen ons in, regeert. Maar Hij heeft Zijn Zoon gegeven om te genezen de ergste wonden, in ons leven geslagen door de zonde en schuld tegenover Hem. Welnu, Hij, die Zijn Zoon niet heeft gespaard, wil Hij ons met Hem — en vanuit Hem, — niet alle dingen schenken? In aanvechting kracht, welke draagt en doet dragen — in de vragen antwoord uit Zijn Woord — in droefheid troost uit de beloften van Zijn Evangelie en doordat Hijzelf aanwezig wil zijn met Zijn tegenwoordigheid, vol van genade?

Mij trof, dat, toen ik het bericht van het plotseling heengaan van onze voorzitter vernam, ik juist klaar was met de voorbereiding van een preek over het sterven van Aaron op de berg Hor. Dit sterven geschiedde, nadat hem zijn hogepriesterlijke kleding was uitgetrokken en deze zijn zoon Eleazar was aangedaan. Aaron moest sterven om een bijzondere reden.

Maar waarom trof mij dit?

Deze geschiedenis leert ons tevens, dat ambtsdragers uitvallen. Anderen nemen hun plaats in en vallen ook weer uit. Dit werd weer bewaarheid in het heengaan van de voorzitter van de G.Z.B.

Echter de éne grote Ambtsdrager, Jezus Christus, blijft tot in eeuwigheid. Daarom — steeds weer moeten wij leren, dat dit onze troost alleen is — Hij zegt tot Zijn dienaren: 'Komt en gaat'. Doch door de tijden heen houdt Hij Zijn werk gaande, totdat dit eenmaal volkomen vervuld zal zijn!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

In memoriam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's