Zekerheid van het geloof 1
Een moeilijk onderwerp. Een te allen tijde aangevochten zaak. Een door velen begeerd goed.
Voordat wij zoeken naar de gronden van die zekerheid en naar het bekomen van de zekerheid en letten op de weerstanden daartegen, deze opmerking, dat zij behoort tot de aard, tot het wezen van het geloof. Het is niet een weldaad Gods, die bij het geloof komt, maar die in het geloof gegeven en dan ook daarin aanwezig is. Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet. Het geloof is een zeker weten of kennis van de beloften Gods en een vast vertrouwen. Het geloof is een gave Gods, het is de gave Gods, het is ook een opgave, het wordt doorgaans niet dan met worsteling verkregen en het kost eveneens veel worsteling om het te bewaren en om het te behouden ten einde toe, en het kost andermaal de uiterste inspanning om in het geloof te wassen. Het is een gave Gods, en tevens een opgave om tot de zekerheid van het geloof te komen en om daarin ook te blijven. Dit geeft strijd, worsteling met niemand minder dan de satan, met een wereld van ongeloof en twijfel en niet het mnst ook met de zonden, waarvan het ongeloof de voornaamste is. Het geloof vindt zijn hoogtepunt daar, waar het uiteindelijk de overwinning behaalt en de kroon van die overwinning nederlegt voor de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, namelijk Jezus. Want dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
Het voorwerp
Het voorwerp des geloofs nu is God, is Zijn Christus, is Zijn Geest, met Zijn deugden, met Zijn werken. Dat is het zeer wijde veld van alles wat in de hemel en op aarde was, is en zijn zal, waarin God zichzelf manifesteert, waarin Hij zichzelf als de Drieënige openbaart in al de rijkdom van Zijn eigenschappen en in de veelkleurige wijsheid van Zijn genade. Die er evenwel was eer de hemel en de aarde geschapen werden. Op die eeuwige God richt zich het geloof, dat geeft de eerste en de laatste vastigheid voor het geloof. Buiten Hem is er niets te geloven, in Hem is al het geloof samengevat. Van eeuwigheid was Hij, in de tijd heeft Hij zich geopenbaard en in de eeuwigheid zal die openbaring haar heerlijke bekroning vinden als het wervende werk van de Heilige Geest voltooid zal zijn, als Christus als laatste trap van Zijn verhoging Zijn bruidsgemeente door het louterend oordeel heen tot de Vader voeren zal, waarna God alles en in allen zal zijn. Die openbaring Gods brengt dan tevens mee dat God ook tevens de oorsprong, de werker van het geloof is. Hier hebben wij het tweede vaste punt voor het geloof. Het eerste was dat men in Hem mag geloven, dat God zich openbaarde in de tijd en dan wel aan mensenkinderen, aan zondige, aangevallen mensenkinderen, en dat Hij zich openbaarde vooreerst in de schepping, namelijk in Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, dan ook bijzonder dat Hij zich openbaarde in Zijn genade en barmhartigheid tot behoud en zaligheid van zondaren.
Openbaarde de Heere zich reeds in de schepping als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, te klaarde deed Hij dit in de Heilige Schrift. En Hij verwekte daarmee tegelijk van de oudste geslachten af aan het geloof in de Zijnen. Dit deed Hij, dit doet Hij als de Vader, de bron en de oorzaak van alle zaligheid, de Gever van het geloof; dit deed Hij, dit doet Hij om Christus' wil; dit deed Hij, dit doet Hij door de Heilige Geest. Na de schepping en onderhouding aller dingen is dit Zijn grote werk geweest, is dit Zijn grote werk en zal het dat zijn. Dat is de tweede vastigheid voor het geloof. Het geloof door de geslachten heen, in zijn ontstaan en in zijn voortbestaan ligt in goede handen, in vaste handen van Hem, die het werk begon en die ook niet laat varen het werk Zijner handen.
Bijzondere openbaringsbron
Zeiden wij dit over de Godsopenbaring in Zijn almachtigheid en daarna ook in Zijn genade, zo komen wij vanzelf aan de tweede openbaringsbron, de bijzondere, nl. de Heilige Schrift. Is de schepping in zekere zin, door die algemene openbaring Gods in haar, voorwerp van het geloof, zo is het bijzonder de Heilige Schrift. Zij is als middel-oorzaak voorwerp van het geloof, zij is als middel-oorzaak ook oorzaak van het geloof. De Geest wekt het geloof door het Woord, dat zelfs het zaad der wedergeboorte genoemd wordt. Het geloof is uit het gehoor, het geloof is door het Woord Gods ! Al is het dus dat het Woord Gods op een andere wijze voorwerp des geloofs is dan God zelf, omdat het is een werk Gods, toch kan het geloof daar vastheid aan ontlenen, is het één der vaste dingen Gods. Voor de geloofszekerheid moet vaststaan, dat God de God is, die niet liegen kan. Daarom moet ook het woord der Schriften even vast staan voor het geloof omdat God is de God der Schriften, die zich eerst openbaarde in visioenen en die sprak door dromen, maar wie het behaagd heeft ten laatste te spreken door de heilige mannen Gods, profeten en apostelen, die zelf aanschouwers Gods en aanschouwers van Zijn heerlijkheid en van Zijn daden geweest zijn en die Zijn stem hebben gehoord, als Hij tot hen sprak, die al die woorden Gods te boek stelden, en dat niet naar eigen gedachte of herinpering, maar door ingeyen van de Heilige Geest.
Ingedragen in de harten
Van dat Woord hangt het geloof af. En dat niet alleen omdat het Woord ons door Gods Geest gegeven is, maar ook naar dat het door de Heilige Geest in de harten ingedragen wordt. Het Woord in zijn totaliteit is de openbaring Gods, maar het krijgt voeten in het denken yan de gelovige en in het hart van de gelovige door de door de Geest toegepaste woorden en zaken. Ik kan deze toegepaste dingen uit de Schrift slechts waarderen als vandaaruit zicht verkregen wordt op de grote geloofszaken, op de Godsleer, op de leer der schepping, op de leer der zaligheid. Christus zelf onderwees Zijn jongeren, bijvoorbeeld de Emmaüsgangers, in de Schriften en dan bijzonder aangaande de leer der zaligheid. Hier staan wij tegelijk voor de rijkdom, voor de veelkleurige rijkdom en voor de menigerlei (dat is de menigsoortigheid van de) genade Gods. Daar is wat te leren in dat ene, in datzelfde geloof, wat de Schriften gestadig van andere kanten belichten, zodat elke profeet en ook elke apostel naar de tijd en de plaats, waarin zij werken, naar de omstandigheden, waaronder zij werken en naar de functie, die zij in het Koninkrijk Gods vervullen, de zaken aan de orde stellen. De vastheid van de bijbelse openbaring Gods ligt in de raad Gods, die in de veelkleurigheid en in de veelsoortigheid al Zijn heilsweldaden hun eigen plaats en functie geeft. Maar die zijn nooit zo, dat het één met het ander in strijd is, dat het één het ander weerspreekt. Voor haeresiën, voor ketterijen geeft geen deel van de Godsopenbaring aanleiding of gelegenheid. Al moet wel opgemerkt, dat overaccentuering van dit deel van het geloof en verontachtzaming van dat deel van het geloof tot noodlottige eenzijdigheden, dwalingen, breuken kunnen leiden. Hetgeloof wordt in de Schriften in zijn geheel geopenbaard, en wel in een eenvoudig geheel, het wil ook in dat geheel gekend zijn en beleden zijn. De Schrift leent er zich ook toe, om dat geheel te blijven zien, doordat de dingen doorgaans in elkaars verlengde liggen. Het één volgt op het ander. Het één volgt ook uit het ander.
Zoals men op God aankan, zo kan men ook op het Woord der Schrift en op alle de woorden der Schrift aan, mits men ze laat staan in het verband, waarin zij staan, mits men ze laat zeggen wat zij zeggen, mits men ze ziet als de woorden van God zelf. Mits men er alzo Gods stem in hoort en er God zelf in ontmoet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's