Zekerheid van het geloof 2
De prediking
Zo komen wij vanzelf tot de laatste bron en vastheid van het geloof, namelijk de prediking. Kan die wel vastheid geven aan het geloof, als wij denken aan de velen, die haar hanteren? Als wij afwijzen de rooms-katholieke visie over het gezag der kerk, over de onfeilbaarheid van de paus, over de traditie en het daarmee samenhangende leergezag van die kerk, kunnen wij dan de prediking der kerk mee laten delen in de betrouwbaarheid van het geloof? Kan men wat het geloof betreft op de prediking zeker gaan? Dat kan men voorzover die prediking van Gods Woord is. En dan naar het zojuist betoogde: prediking van het gehele Woord als openbaring van de levende en van de drieënige God. En als men dan per tekst, als men per hoofdstuk, per bijbelboek als door een venster het geheel van de Godsopenbaring, het geheel van het heil, het geheel van de zaligheid in het oog krijgt, als men door zo'n venster tot op God ziet, dan kan men zich op die prediking verlaten. Een prediker is toch dienaar des Woords, profeet of apostel van God, gezant van Christus' wege, instrument van de Heilige Geest. Daarmee is geoordeeld elke prediker, die tegen God en Zijn Christus inpreekt, die de Heilige Geest liegt, die het Woord der waarheid smaadheid aandoet. Waarmee uiteraard nog niets gezegd is van het ten dele profeteren, van het onder een deksel prediken, van het gebrek en tekort dat wel elk waar dienaar des Woords aankleven zal, al zijn jaren. Niettemin heeft een rechte prediking van Gods Woord, een levende, een geloofsmatige prediking, waarin het gehele geloof doorvoeld en doorleefd aan de orde komt, gezag. Daar straalt als echte dienst des Woords, bediening des Woords, iets van het gezag van het Woord van God zelf in door. Als een bedienaar van het geloof vanuit de Schriften gesproken heeft, dan is het of God zelf gesproken heeft. Wij noemen dat de volmacht van een dienaar van het Evangelie. Wie u hoort, die hoort Mij! Wie u verwerpt, die verwerpt Mij! Zo dan kan men op het woord van een Evangeliedienaar zich in leven en sterven verlaten! Gewis en zeker! Preekt men in Rome zo weinig en zo slecht, dan is daar ook weinig geloof en geloofszekerheid te verwachten.
Preekt men nu in het protestantisme zo weinig en zo slecht, zo afnemend, dan is ook daar weinig geloof en geloofszekerheid te verwachten. Naardat de prediking afnemend is, ook dat afnemend.
De zekerheid, naar God toe
Komen wij nu aan de zekerheid des geloofs naar de keerzijde bezien. Spraken wij tot nu toe over de zekerheid des geloofs van Gód uit, nu over hetzelfde naar God tóé. Vergeten wij het niet dat alle geloof zich in de eerste plaats op God richt, op Zijn Zoon, op Zijn Geest. Al te veel denken wij bij de geloofszekerheid aan de vraag of en hoe wij zeker zijn van onze zaak. Hoe belangrijk ook dat moge zijn, van veel groter belang is hoe onze zaken voor God staan. Het is nogal wat voor God, als wij Hem niet serieus nemen, als wij Zijn gebod als niet zo strikt bedoeld nemen, als wij Zijn belofte als niet zo ernstig gemeend nemen. En het is zeker nogal wat, als wij Gods gebod, Gods belofte helemaal niet meer nemen. Dat betekent, dat wij God ver-laten, dat wil zeggen, dat wij God dood verklaren. Nota bene: de nietige mens, stofje van de weegschaal, zal die grote, die grote God negeren. Die zal van de eeuwig levende God zeggen: Gij zijt er niet, of als ge er waart, dan zijt Gij nu gestorven! De eeuwig levende gestorven! Wij, die dagelijks in Zijn hand zijn, bij Wie onze adem is, die ons van ogenblik tot ogenblik doet gaan, zullen ons ondernemen dat te zeggen! Beeld van onze tijd — bij Rome en bij het protestantisme! Ongodsdienstige godsdienst. Antigodsdienstige godsdienst. Helaas in klimmende mate.
Ik geloof Heere
Daartegenover als een mens tot het geloof komt, zal het daarin zijn beste openbaring hebben als het zich tot God richt, met de woorden: Ik geloof, HEERE, al moet hij er dan bij zeggen: kom mijn ongeloof te hulp! Elk gelovige zal, zolang hij in dit ondermaanse is, met het Avondmaalsformulier moeten bekennen, dat hij nog vele gebreken en ellendigheid in zich bevindt, als namelijk dat wij (hij) geen volkomen geloof hebben (heeft).
Dat neemt niet weg, dat hij ook zegt: HEERE, ik geloof! Is dat zo, dan heeft hij dat geloof van zijn God ontvangen, want het geloof is een gave Gods. De kerk belijdt, dat de genade een onvervreemdbaar goed is. Dan is het geloof dat ook. Wel kan sommiger geloof schipbreuk lijden. Maar de schipbreukeling is daarom nog geen verloren mens. Nu heeft het geloof zijn zekerheid in zichzelf. Wat van de God komt, wiens ja ja is, die de God des eeds en des verbonds is, dat moet waarheid zijn. Zo is het geloof, dat God geeft, in zijn wezen waar. Hoe zwak en hoe klein het dan nog mag zijn, het is waar, het is waarheid in het binnenste. Zo iemand weet dat God er is, zo iemand gelooft dat God er is. Daar is hij zeker van. Hij is wel niet zeker van zichzelf, ook niet van zijn geloof, maar hij is zeker van God. Hoe Hij is, dat weet hij nog niet, maar dat Hij er is en dat Hij groot is, dat is voor hem zeker. Hij moet van dit geloof en in dit geloof nog veel leren, o zoveel, maar dat hij gelooft, dat is zeker. Die eerste openbaring van het geloof is bij de Heere zo dierbaar. Dat prijst Hij altijd. Daar is Hij zeer teer over, als over een mosterdzaad. Hij, die ons leert de dag der kleine dingen niet te verachten, zal die ook zeker Zelf niet verachten. Heeft nu dat pas ontluikend geloof zijn 'kom mijn ongelovigheid te hulp', zo is het te verstaan dat het geloof doorgaans zal hebben een vragen naar hulp, naar meer geloof, naar meer geloofszicht, naar meer geloofsopenbaring. Wij lezen van Apollos dat Priscilla en Acquilla hem moesten onderrichten in het bestaan en het Wezen en werken van de Heilige Geest. Tot Zijn eigen discipelen moest Jezus zeggen: 'Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij'. Wat hebben de discipelen een moeite gehad om in Christus als de betalende Borg te geloven. En dit nu is de grote zorg voor de doorsnee-gelovige: Hoe weet ik dat Christus ook voor mij betaald heeft? Hoe kan ik een gelovige zijn als ik nog zo aan de zonde hang? Hoe veroordelen mij de zonden reeksen uit de Bijbel en uit het Avondmaalsformulier! Hoe kan ik genade bezitten en nog zo zijn en nog zulke dingen doen! Bij degenen die buiten zullen zijn straks in de hemel vind ik ook meerdere van mijn zonden genoemd!
Bekommernis
Daarbij komt uiteraard de Avondmaalsschuwheid. Daarbij komt dat er predikers van goede faam zijn, die met gestrengheid de Wet prediken, het oordeel prediken en de genade zeer bescheiden. Veel wordt dan over de bevindingen der vromen gehandeld, die door deze kleingelovigen gaarne gehoord worden. En zie, daar hebt ge levensgroot de bekommernis van eenvoudige gelovigen, die snakken naar zekerheid. Het is niet mijn bedoeling die predikers, doorgaans eenvoudige mannen, met weinig theologische visie, maar eerlijk menende lieden, die ook zelf ernstig leven en in veel bekommernis gebonden zijn, te hekelen. Het is ook niet mijn bedoeling om het vrome volk wat bespottelijk te maken.
Ik zou alleen die naar zekerheid snakkende mensen willen doen beseffen dat weinig genade ook genade is. Een hunner predikers troostte doorgaans zijn van verre staande kerkgangers met de woorden: Gij moet niet zeggen: 'Omdat ik niet alles heb, heb ik niets'. Wij moeten de kleine dingen, wij moeten het begin niet verachten. Als een mosterdzaad. In het begin zit in feite de hele zaak. Het moet tot ontwikkeling komen. In de korrel zit de plant.
Wasdom
Daar is wasdom nodig. Men moet wassen, opwassen in de genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus. En dat kan. Door goede onderwijzende, voedende, opvoedende prediking. God versterkt het geloof door de prediking des Woords, door de prediking van het geloof. Door de prediking van het voorwerp des geloofs: de drieënige God, en die in hun werken, in hun genaden, in hun wezen. Rome preekt niet, dan alleen haar kerkregels. Het protestantisme preekt niet meer, korter en korter, minder en minder. En die spaarzamelijk zaait, die zal ook spaarzamelijk maaien. En men preekt mensen en mensen en nog eens mensen, mensengroepen, rassen of antirassen, de totalitaire mensheid en totalitaire kerken. En de kerk slinkt, de mensen verkommeren, het geloof wordt niet geplant en niet nat gemaakt.
En daarom predikt — predikt — predikt het Woord. En de laatste bevestiging — niet de minste — de van Christus verordende bevestiging van het geloof ligt in het gebruik van de Heilige Sacramenten.
Hoe onnoemelijk sterkt ons de Doop, waarmee wij eens gedoopt werden. Als er één blijk van vrije genade is is het de Doop in onze kindse dagen. Wat God toen beloofde onder teken en onder zegel, dat was niet minder dan al het heil. Dat was ons toegezegd. Hoe onnoemelijk sterkt ons het Heilig Avondmaal. Daar zitten wij met de tekenen van Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed in onze hand. Dat eten wij. Het is klein. Als een mosterdzaad. Wij merken dat zo op het eerste oog niet. Toch versterkt het. Door diepten en over hoogten. En wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's