De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schrift-ervaring-traditie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schrift-ervaring-traditie

8 minuten leestijd

Na alles, wat we in ons vorig artikel over de werkingen van de drieënige God in ons gezegd hebben, komt nu de vraag in behandeling, of wij daarmee een tweede kenbron van de Drieëenheid hebben aangegeven. Wij weten van het drieënige bestaan van God uit de Heilige Schrift. En we weten ervan, omdat we het rondom ons en in ons als het ware met handen tasten kunnen. Is het zo?

De Drieëenheid bewijzen?!
Maar gaan we dan God en het wonder van Zijn drieënig bestaan toch niet een beetje bewijzen? Is het niet genoeg, dat de Schrift ons Hem zo openbaart?
Sommigen zijn op dit spoor heel ver gegaan en hebben zogenoemde analogieën of heenwijzingen naar het drieënig bestaan van God menen te kunnen vinden in heel de natuur. Alle dingen bestaan haast in drieën: de ruimte met lengte, breedte, hoogte; de tijd met verleden, heden en toekomst; de wereld met het rijk van de stof, de geest en de mens (stof en geest); de lichamen in hun vaste, vloeibare en gasvormige toestand; de krachten der aantrekking, afstoting en hun beider evenwicht; de drie functies van de menselijke ziel: verstand, gevoel en wil en de drie vermogens hoofd, hart en hand; het gezin met man, vrouw en kind; de drieklank in de muziek met grondtoon, terts en quint, enz. In de Middeleeuwen ging men nog veel verder. Men zocht overal de sporen der Drieëenheid in te vinden. In het drievoud van grammatica, dialectica en rhetorica; in de drie wijsgerige vakken logica, physica en ethica; in de drie personen der grammatica (ik, jij, hij); in het activum, passivum en medium, enz. Ook Augustinus ging hierin zeer ver en meende in de menselijke geest een imago trinitatis (een beeld Gods, een beeld der Drieëenheid) te kunnen ontdekken. Het geloof zou dat volgens hem direct erkennen.
Bavinck (om hem nog een keer aan te halen) zegt van dit alles, dat het een poging betekent om steun te zoeken voor het mysterie der Drieëenheid in de menselijke rede. En dat is uiteindelijk een doodlopend spoor. Hij zegt: 'De Schrift is de enige en laatste grond voor de leer der Drieëenheid; de rede kan hoogstens a posteriori (achteraf) deze leer enigermate door het denken ophelderen' (blz. 341). Geen bewijs dus van de drieëenheid Gods. Hier kan de grond van ons geloof niet liggen. Maar wanneer wij eenmaal gelovig en eerbiedig hebben leren buigen voor het gezag van de Schrift in haar Openbaring van de drieënige God, dan is dat geloof niet een zinledig geloof, dat bestaat in het aanvaarden van waarheden buiten ons, maar een geloof, dat de waarheid van Gods eeuwig bestaan uitgedrukt en afgedrukt ziet in de werken van Zijn handen buiten en in ons. En dat laatste is een bevestiging van wat de Schriften betuigen. Daarom belijdt het geloof met de Nederlandse Geloofsbelijdenis mee: 'Dit alles weten wij, zo uit de getuigenissen der heilige Schriftuur, alsook uit hun werkingen en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen'. Dat is geen ervaringsbewijs, dat op gelijk niveau staat met het Schriftbewijs, zodat we zouden kunnen zeggen: 'Als de Schrift het niet zei, dan wist ik het nog uit ondervinding'. Nee, wat de Schrift openbaart wordt voor en in 't geloof alom bevestigd in de werken van Gods hand en in het bijzonder in de openbaring Gods aan ons hart. Dat heeft met natuurlijke theologie niets te maken, netzomin als art. 2 met zijn nevenstelling natuur en Schriftuur een stuk natuurlijke theologie heeft ingevoerd. Het geloof belijdt hier. Calvijn spreekt in dit verband van 'de gewisse ervaring der gelovigen'. In zijn catechismus (1538) schrijft hij: 'In de zeer eenvoudige eenheid Gods tonen ons én de Schrift én de ervaring der vroomheid zelf God de Vader en Zijn Zoon en Geest'.
Nogmaals de inleidende zin van artikel 9 C. Vonk legt er in zijn verklaring van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de nadruk op, dat de kop van artikel 9 (de inleidende zin) later is toegevoegd aan de tekst van Guydo de Brés. Men had volgens hem verstandiger gedaan, wanneer men het tweede gedeelte van die inleidende zin anders had weergegeven, bv. zo: 'Dit alles weten wij . . . ook dank zij hetgeen diezelfde Schrift ons leert van de werken van die Personen en voornamelijk van die, welke de gelovigen in hun leven waarnemen.
Naast het noemen van de Schriftgetuigenissen ten aanzien van de Drieëenheid in het algemeen wordt dan in artikel 9 ook het Schriftgetuigenis genoemd met betrekking tot deze werkingen van de drie verschillende Personen.
Zo blijft het alles staan in het raam van het Schriftbewijs en lopen we niet gevaar, dat iemand hier een tweede kenbron voor de Drieëenheid Gods in de ervaring of in het gevoel van de gelovige gaat zoeken. We begrijpen de bedoelingen van Vonk. Maar we moeten er toch tegenover stellen, dat het er nu eenmaal in de tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die later is opgesteld en op de Synode van Dordt is aanvaard, zo niet staat. Die tekst gaat een stap verder dan Vonk wil. En als we dat verstaan op de manier, die we boven aangaven, wat zou er dan tegen zijn? Juist tegenover vele Dopersen, die van de leer der Drieëenheid niet wilden weten, wordt dan enerzijds gestreden met het beste wapen, dat er is, nl. de Schrift, terwijl deze Dopersen hier tegelijk voor het forum van de Schrift met hun zogenaamde bevinding aan de kaak worden gesteld. Hun inwendig licht kan niet bestaan bij de bevinding van Gods vromen. Want zij hebben de levende God anders leren kennen, nl. als een God, die drieënig is, geheel naar Zijn openbaring in de heilige Schrift. Voor iemand, die dit punt nog wat dieper wil onderzoeken, wijs ik tenslotte op wat ik eerder schreef over het getuigenis des heiligen Geestes ten aanzien van de Schrift in artikel 5 van de Geloofsbelijdenis. Ook daar vinden we dezelfde toon. God bewijst Zichzelf in de weg van Zijn Geest, ook in de harten der gelovigen.

De traditie
Een enkele opmerking moge de behandeling van artikel 9 van onze Nederlandse Geloofbelijdenis besluiten. Aan het slot van dit artikel wordt immers nog gewezen op de traditie. 'Deze leer van de heilige Drievuldigheid is altijd beweerd (gehandhaafd) en onderhouden geweest bij de ware Kerk, van de tijden der apostelen af tot nu toe . . .' Het is niet zonder betekenis, dat zovele ware vromen voor ons aldus hebben beleden. Dat kan men niet bagatelliseren, alsof wij opeens voor 't eerst in de geschiedenis of weer opnieuw na lange tijd de waarheid ontdekt hebben. Calvijn zegt in zijn Institutie (I, XIH, 29): 'Verder wordt het eenparig gevoelen der ouden hieruit duidelijk gezien, dat op het concilie van Nicea Arius zich niet heeft durven verschuilen achter het gezag van enig erkend schrijver en dat geen der Griekse of Latijnse leden van het concilie zich behoeft te verontschuldigen, omdat zijn gevoelens van vroegere schrijvers afwijken'. Ook Augustinus heeft het volgens Calvijn als een bekende zaak aangenomen, dat de leer der Drieëenheid van de vroegste oudheid af zonder geschil aanvaard is geweest. Heeft dan de traditie voor ons het laatste Woord? Nee, netzomin als de ervaring der vromen dat heeft. Het laatste woord is aan de Schrift. Ook het eerste woord. Maar wat de Schrift ons leert, dat heeft Gode zij dank ook in de geschiedenis van de Kerk haar triomferende gang gemaakt. En ieder, die deze waarheid, die door de worsteling heen triomferend is vastgehouden, wil ontkennen of ombuigen, vindt allicht wel de een of ander aan zijn zijde, die lang voor hem iets soortgelijks beweerde. Aan het slot van art. 9 worden in dit verband nog een reeks namen van dwaalleraars genoemd. Maar ieder, die deze katholieke leer van Gods drieënig bestaan loochent, zet zich dan wel radicaal buiten het katholieke belijden. En het is en blijft een vraag waard, of men dat ongestraft kan doen. Die vraag blijven wij ook stellen aan vele vernieuwers van kerk en theologie, die vandaag hun afwijkende gevoelens op het aantrekkelijkst opdissen, maar in feite een andere God prediken, een God, die wij zo niet hebben leren kennen en een Zaligmaker, Die niet opkomt uit het eeuwige drievuldige Wezen van Godzelf. De Godheid van Christus is vandaag in elk geval weer op het hevigst in het geding. En daarmee ook het heil van een zondaar. En de eer van God. Dit pleit wordt slechts beslecht voor het forum van de Schrift. Wie daarvoor niet vallen wil, heeft de levende God Zelf tegen. En een mens kan er nooit slechter voor staan dan zo. Over de namen van de dwaalleraars, die aan het slot van artikel 9 genoemd worden, zijn we kort. In de kerkgeschiedenisboeken kan ieder, die het nader onderzoeken wil, het nodige daarover lezen. De verschillende opvattingen bewegen zich grotendeels tussen die van Arius en Sabellius, over wie ik eerder schreef. En voor het overige is het, zoals Calvijn schreef (Institutie, I, XIII, 22): 'Verder, indien wij vasthouden, wat tevoren uit de Schrift voldoende is aangetoond, nl. dat het Wezen van de éne God, dat toekomt aan de Vader, de Zoon en de Geest, eenvoudig en ondeelbaar is; wederom dat de Vader door een zekere eigenschap onderscheiden is van de Zoon en de Zoon van de Geest, dan zal niet alleen voor Arius en Sabellius, maar ook voor andere oude uitvinders van dwalingen de deur gesloten zijn'.
Wageningen,                                                                C. den Boer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Schrift-ervaring-traditie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's