'Hier en Heden'
brief (1)
Wie schrijft blijft. De spreuk beduidt dat er niet zoveel te morrelen valt aam alles wat zwart op wit staat. Ik ben geneigd de uitspraak aan te vullen. Wie schrijft blijft en wie zegt verlegt. Verlegt namelijk de accenten, zodat het minder bar en boos kan klinken dan leek.
Een brief blijft eventjes. Maak u echter niet al te ongerust. Wij leven snel en wij ontwikkelen ons nog veel sneller. Deiningen deinen niet eindeloos meer. Een poosje kunnen de wereldjes op stelten staan. Als iemand eens nieuwsgierig een aantal maanden naderhand poolshoogte komt nemen, ontdekt hij dat de hoge stelten achteloos tot nader urgentie in een hoek staan en dat de lopers zich weer onder elkaar mengen.
Het enthousiast gestarte 'Samen op weg' komt op huis aan lijkt het. Zelfs op synodaal niveau deden de kerken eenparig. In de hervormde woning, wel eens smalend hotel geheten, flikkerde lichte onrust. In vrijzinnige appartementen. Men richtte zich tot eigen regering en kreeg te horen dat het beste was rustig op stok te blijven, want tenslotte — en dan komt het fatale zinnetje — 'ook de Gereformeerde Kerken hebben hun vrijzinnigen'. Dat was tegen het been in de Gereformeerde Kerken en kwam harder aan, vermoed ik, omdat het been een beetje zeer is. Wat mensen onder elkaar in een bepaalde denominatie tegen elkaar schreeuwen, mag een buitenstaander nog niet fluisteren, laat staan in een net briefje neerzetten. Moeder zegt haast elke dag tegen haar Jan dat hij een zuiplap is, maar laat de buurvrouw niet heel voorzichtigjes informeren of het kan dat ze Jan een keertje lichtelijk aangeschoten zag lopen laatst.
Ethiek is wel van hoger niveau, zegt de ethicus, maar de zede is taaier. De uitspraak, dat ook de Gereformeerde Kerken hun vrijzinnigen herbergen zal wel tegen de zede getuimeld zijn. Natuurlijk hebben de Gereformeerde Kerken theologen die zwemen naar vrijzinnigheid, doch nademaal het 'wij gereformeerden', zoals vanouds en overlang het zelfbewustzijn luidde, meebracht dat alles in en aan, op en onder de kerk van betere kwaliteit was, wijl gereformeerd, moet de vrijzinnigheid, indien die al 'onder ons' zou mogen voorkomen, toch van een ander allooi zijn, immers gereformeerd, en niet van het vulgaire gehalte als in de kerk, die vroeger altijd toch maar de volkskerk heette.
Scripta ferunt annos, wat geschreven is weerstaat de jaren. Jaren? Dat moeten wij altijd nog zien.
brief (2)
In kerk en staat heerst rumor in casa over de autovrije zondag. Destijds, in 1956, was het vanzelfsprekend dat er faciliteiten waren voor het kerkelijk vervoer. Ditmaal moest er een beetje voor gevochten worden. Dat signaleert dat de mentaliteit inmiddels gewijzigd is. Ik heb de indruk dat een aantal mensen het nog niet eens gemakkelijk kan verteren, dat sommigen, zij het dan bejaarden en invaliden met name, rustig en nog eens rustig rijden op 's heren wegen. Waarom wel voor de kerk en niet voor . . . nou ja noem maar iets? De ijver voor het kerkelijke transport behaalde niet de instemming over heel de kerkelijke linie. Een brief verscheen van de Vereniging voor zondagsrust, die afkeurde dat een poging werd gedaan om vrijstelling te bereiken voor elk die per auto naar de kerk wilde. Die pogingen zijn nimmer ondernomen. In zoverre berustte het schrijven op misverstand. Het ging uitsluitend om noodzakelijk vervoer voor bejaarden en invaliden en voor hen, die van ver moeten komen, in het laatste geval voorgangers niet uitgesloten.
Over de zondagsviering zijn al wat kwesties gerezen. Gods geboden zijn scherp, dienen volgens de catechismus althans scherpelijk gepredikt te worden. Scherp als een mes dat van twee kanten snijdt. Elk gebod gebiedt en verbiedt. Ook dat komt in de catechismus duidelijk uit de doeken. Het vierde gebod verbiedt onnodige slaafse arbeid, gebiedt daarentegen de werken van de godsdienst. Het accent mag niet dermate sterk op de gewenste zondagsrust vallen, dat de werken voor de heiliging van de zondag worden verijdeld. Velen menen, dat de spits van het vierde gebod ligt op 'dat men doet' en daardoor geraken zij in alle krampachtigheid op een dood spoor. Niet het 'dat men doet', doch 'wat men doet' is de quintessens van het gebod. Geen rust ten dode, doch heiliging ten leven. Geen slaafse arbeid, wel kinderwerk.
Gemakkelijk slaan wij zij-sporen in. Ook wanneer het gaat om vragen die betrekking hebben op de naleving van Gods geboden. Wanneer God de mens bekeert, brengt Hij hem op Zijn wegen, die voeren tussen wetteloosheid en wetticisme door. Wetticisme verwijst ons naar Engelse pureiteinen. Ook naar Israels vromen. Voor ik wat over Israël zeg eerst een nieuw kopje.
Olie
Over Israël, nog steeds centraal in het gebeuren van de dag, ditmaal kort. Na niet geringe adhesie voor Israels felle strijd na de onverhoedse overval op de Grote Verzoendag lopen de meesten thans met olie op hun hoofden. Israël is en blijft een lastige steen. Daarin had de profeet of liever daarin heeft Gods Woord het grootste gelijk. Vanwege die lastigheid zitten wij ermee. Daarom zijn de uitvluchten legio. Wij beroepen ons eenvoudig op wat het volk Israël niet doet of niet gedaan heeft, terwijl dat moet of moest. Daarnaast ook op wat dit volk deed en doet, terwijl dat helemaal niet mocht of mag. Op die manier zijn er legio uitvluchten. Doch niet wat Israël wel doet of niet doet is in dezen van doorslaggevende betekenis. Relevant is alleen wat wij doen, wat wij doen met Israël. Hoe dit volk dan ook is. De lastige steen is een toetssteen. Dat is de kwestie.
dKr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1973
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's